Zo hecht als de Mont Blanc Idenburg

Trouw begint vandaag met de historische rubriek 'En toen...' Verschillende medewerkers zullen bijdragen leveren aan de rubriek die op maandag tweewekelijks in De Verdieping zal verschijnen.

Voor wie het allemaal precies willen weten: dinsdag 5 september 1905 is een belangrijke datum in de Nederlandse geschiedenis, al was de Nederlandse antirevolutionaire politicus Idenburg een van de weinigen die dat destijds in de gaten had.

Die dag werd op de marinebasis van Portsmouth in de Amerikaanse staat New Hampshire het vredesverdrag getekend dat een einde maakte aan de Russisch-Japanse oorlog.

Deze was in de nacht van 26 op 27 januari 1904 begonnen met een aanval door Japanse torpedoboten op de Russische vloot op de rede van Port Arthur. Japan had in die oorlog kans gezien Rusland op twee manieren te vernederen. Eerst werden in februari 1905 de Russische troepen in een beslissende slag bij Moekden verslagen en in mei 1905 trof de Russische vloot in de Straat van Tsoesjima het zelfde lot.

Het had de Russen trouwens van het begin af aan niet meegezeten. Het land was al voor het onverwachte uitbreken van de oorlog binnenslands door sociale onrust verzwakt (de minister van binnenlandse zaken, Pleve, had terloops laten weten dat 'een kleine zegenvierende oorlog' een geschikt tegengif voor het revolutiegevaar zou zijn) en bovendien had het land door allerlei diplomatieke blunders en waaghalzerijen zich tegenover de buitenwereld volkomen geïsoleerd. Bij het uitbreken van de oorlog probeerde ieder zich in neutraliteit te verschuilen, maar de Verenigde Staten en Engeland verhulden niet dat hun zorg over de Russische (en Duitse) ambities in het Verre Oosten groter was dan die voor Japans streven zich aan te passen aan de westerse stijl - ook al betekende dat het opbouwen van een machtsbasis in de regio. Tenslotte had het westen met zijn kolonialisme op dit punt de toon gezet.

Ook de aardrijkskundige verhoudingen zaten Rusland niet mee. Voor Japan was de oorlog zoiets als een thuiswedstrijd, maar Ruslands hoofdmacht van leger en vloot lagen in het westen en in de Trans-Siberische spoorweg (het symbool van Ruslands expansiedrang naar het oosten) ontbrak nog een flink stuk ter hoogte van het Baikalmeer. Eerst in oktober 1904 kreeg de Russische vloot in de Oostzee opdracht naar het Verre Oosten te gaan, maar de reis verliep allerminst voorspoedig. Door onhandigheid en zenuwachtigheid van de Russische bevelhebber Rodjestwensky was een vreedzame Britse vissersvloot bij de Doggersbank gemolesteerd (de admiraal dacht dat er Japanse torpedojagers tussen zaten - resultaat: twee vissers gedood), het Suez-kanaal was voor de schepen gesloten en de meeste havens in de route langs de Kaap weigerden toegang om te bunkeren. En toen Rodjestwensky met zijn schepen negen maanden later op de plaats van bestemming aankwam, was zijn lot snel beslist. De Japanners hadden betere schepen en betere zeelui.

De Amerikaanse president Theodore Roosevelt - toch wel een beetje geschrokken van het Japanse succes - bood de strijdende partijen zijn bemiddeling aan en zo kon op die 5de september 1905 de vrede ondertekend worden. Misschien had Rusland, met zijn veel grotere reserves en mankracht, op den duur nog wel de gelegenheid gehad de oorlogskansen te keren, maar binnenslands was de toestand onhoudbaar geworden. De 'kleine zegenvierende oorlog' van Pleve als tegengif voor de revolutie was in zijn tegendeel verkeerd.

De uitwerking van de oorlog in Azië was geweldig. Hier had voor het eerst een Aziatisch land, nog maar nét bezig zich te moderniseren, kans gezien één van de grote Europese mogendheden militair te verslaan. Bij de Aziatische elite groeide het besef, dat de nieuwe eeuw wel eens 'de eeuw van Azië' zou kunnen zijn. Bij de Nederlanders, nog maar net na genietend van de overwinningen ('pacificaties' heette dat) in Lombok en Atjeh drong maar nauwelijks door, dat er die 5de september 1905 ook in de Nederlandse geschiedenis iets was gebeurd.

Ruim dertig jaar later, bij zijn afscheid als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, zei jhr. mr. B. C. de Jonge tevreden dat de Nederlandse aanwezigheid in de archipel nu zo'n driehonderd jaar had geduurd, maar dat er zeker nog eens driehonderd jaar bij zouden komen. Was dat een constatering of een fluiten in het donker, zoals bange kinderen dat doen?

En wat bezielde Colijn, toen hij acht jaar eerder, in 1928, in een brochure als wenselijkheid en opdracht had geschreven: ,,regering en (niet-revolutionaire) bevolking moeten naar buiten de overtuiging weten te wekken, dat het Nederlandse gezag volstrekt onaantastbaar is; dat het in Indië even hecht gevestigd is als de Mont Blanc in de Alpen rust'? Horen we onder zijn woorden een toon van onzekerheid of mogen we deze bloemrijke taal gewoon als 'Oost-Indisch doof' benoemen?

In elk geval is er één deskundige (en nog wel een man die Colijn zeer na stond) die dertig jaar eerder al de consequenties van de Russisch-Japanse oorlog had voorvoeld. A.W.F. Idenburg was, na een twintig-jarige loopbaan als genie-officier in het Indische leger, van 1902 tot 1905 minister van koloniën in het kabinet-Kuyper, van 1905 tot 1908 gouverneur in Suriname en van 1909 tot 1916 gouverneur-generaal in Indië. Kuyper had hem gezien als zijn opvolger als leider van de anti-revolutionaire partij, maar zover is het nooit gekomen. Dit baantje ging, na Kuypers dood in 1920, naar Colijn.

Maar in 1906 zat Idenburg nog in Suriname (,,inderdaad een uithoek van de wereld') en van daaruit bekeek en commentarieerde hij de ontwikkelingen in Azië (want ,,ik zit altijd nog meer met mijn gedachten in Oost-Indië dan ergens anders').

Op 29 april 1906 schreef hij een brief aan Kuyper, even tobberig als getuigend van helder inzicht in de toekomst na het Japanse succes. Over mr. D. Fock als zijn opvolger op het ministerie van koloniën schrijft Idenburg: ,,Koloniën is voor een niet strijdlustig man een aangename portefeuille, omdat er niet zoo heel veel strijd op koloniaal gebied is, maar overigens is het inderdaad zeer zwaar; er is zoo véél te voorzien. En dat wordt met de machtsontwikkeling van Japan, weldra ook van China, niet beter. Ik vraag mij dikwijls af of die last voor ons niet te zwaar is. We kunnen wel theoretiseeren dat wij steun moeten vinden de harten der inboorlingen enz. - maar dat is natuurlijk niets dan theorie. Die inboorlingen voelen niets voor ons; voelen veel meer affiniteit tot Japan en zullen ons nooit noemenswaard tegen een buitenlandschen vijand kunnen sterken omdat ze niet bewapend en gedrild zijn. Massale kerstening zou tengevolge kunnen hebben dat de band tusschen ons en de inboorlingen werd toegehaald; - maar aan bewapening en militaire oefening van bijvoorbeeld de bevolking van Java valt om financieele redenen niet te denken'.

Massale kerstening van de Indische bevolking als alternatief, zoals de innig vrome Idenburg waarschijnlijk het liefst wilde? Maar daaraan ,,is natuurlijk ook niet te denken, tenzij God een zeer ongewoon wonder wrocht, namelijk de toekeering van een volk, waarop de islam beslag heeft gelegd tot den Christus'. De koloniale zorgen zullen steeds groter worden. ,,Ik zie eigenlijk niet goed hoe wij er uit komen'.

Het klinkt allemaal anders dan: 'nog eens 300 jaar' of 'zo stevig als de Mont Blanc'. Over Colijn wordt nog wel eens geschreven, maar Idenburg schijnt vergeten te zijn. Dat is jammer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden