Zo 'calvinistisch' zijn we trouwens nooit geweest

Van onze kerkredactie Nederland is geen 'calvinistisch' land en voorzover je er 'calvinisten' vindt, zijn het vaker katholieken dan volgelingen van Calvijn. In het licht-karikaturale getrokken kunnen de bevindingen van de sociologe Marijke ter Voert zo worden samengevat.

WERA DE LANGE

Ter Voert verdedigde gisteren in Nijmegen haar proefschrift over 'Religie en burgerlijk-kapitalistisch ethos'. Het blijkt dat leeftijd en opleiding veel sterker bepalen hoe de Nederlander denkt over werk en zuinig-zijn, dan kerkelijke gezindte.

Ooit, in 1904-1905, beschreef de grote Duitse socioloog Max Weber in Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus een heel ander Nederland. Hij bouwde op papier zijn eigen, nogal vrije versie van het zeventiende eeuwse Holland op. In dat Holland zou het jonge opkomende calvinisme in de harten en geesten van ondernemers en nijverheidslieden de basis hebben gelegd voor de economische Gouden Eeuw.

De combinatie van sterke groei, rijkdom en spaarzin onder Hollandse kapitalisten (en Engelse Puriteinen) was iets nieuws en tamelijk vreemds, meende Weber. Er moest volgens hem een religieus motief in het spel zijn.

Max Weber construeerde een subtiel verband - veel subtieler dan de vragenlijst-meetlat die Ter Voert moest hanteren - tussen calvinisme en kapitalisme. Uit de 'wereldlijke ascese' van deze tak van het protestantisme, uit zijn absolute Godsbeeld, uit de calvinistische opvattingen over voorbeschikking vloeide (zegt Weber) de plicht voort elke dag weer Gods eer met dagelijkse arbeid te vergroten. Die plicht mengde zich bij de individuele calvinist met een sterke drang te bewijzen dat hij tot de uitverkorenen behoorde, van Gods gratie verzekerd. Dit alles maakte calvinisten bij uitstek geschikt voor succes in het kapitalisme, volgens Weber.

De aanlokkelijke maar betwistbare stelling van Max Weber - hij heeft er later zelf al wat aan gevijld om haar aanvaardbaarder en daarmee lelijker te maken - laat religiesociologen en -historici tot vandaag aan toe niet helemaal met rust. Ook Marijke ter Voert begint haar boek met een keurige samenvatting van de these van Weber en een al even keurig overzicht van de kritiek op Weber van de kant van latere sociologen en historici.

En... als het niet waar is... wat blijkt: in de zeventiende eeuw al was Holland een veel minder calvinistisch land, dan het land dat Weber had bedacht. Met de spaarzin en soberheid van de kapitalistische elite in de Gouden Eeuw viel het dik mee (of tegen), van religieus fanatisme of geloofsijver was in die kringen geen sprake. De handel en nijverheid bleken het best te gedijen in religieus-gemengde steden en streken waar orthodoxe calvinisten in de minderheid waren. De typische regent van de Gouden Eeuw was een gelegenheidscalvinist en zeker eerder rekkelijk dan precies. Orthodoxe calvinisten zetten zich juist af tegen al te hard werken en het vergaren van grote winsten.

Tussen het handelskapitalisme van de (katholieke) Italiaanse en Zuidduitse steden in de Middeleeuwen en de Renaissance en het kapitalisme van zeventiende-eeuws, calvinistisch Holland vallen schaal- en technische verschillen waar te nemen. Maar van een principieel onderscheid in mentaliteit, zoals Weber dat construeerde, was geen sprake.

Misschien had dit Marijke ter Voert en menig ander socioloog een les moeten zijn: het verband tussen religieuze en economische ontwikkelingen blijkt, zoals dat gaat met verbanden, onbeschrijflijk ingewikkeld. Maar laten we maar blij zijn, dat Ter Voert zich niet heeft laten afschrikken en gewoon braafjes is gaan meten hoe het zit met deze connectie tussen gezindte en arbeidsmoraal in het Nederland van nu. In totaal bestookte zij 2 384 Nederlanders met zeer uitgebreide vragenlijsten en op de antwoorden liet ze de hele statistische trucendoos los. De uitkomsten slopen vooroordelen en kunnen ter lering én vermaak dienen, ook al zoekt Ter Voert het wat aan de saaie kant van de etalage.

Leeftijd en opleiding blijken veel sterker te bepalen, hoe men staat tegenover de plicht tot arbeid en zuinigheid dan de kerkelijke gezindte, de mate van betrokkenheid bij de kerk en de frequentie van het kerkbezoek. Hoe ouder iemand is en hoe lager hij of zij is opgeleid, des te sterker gelooft hij/zij in de traditionele economische deugden.

Het meest on-deugend is de generatie die tussen 1954 en 1964 is geboren. De jongeren van na 1963 hechten weer sterker aan hard werken en carrière maken dan hun directe voorgangers. Marijke ter Voert vermoedt dat deze omslag te maken heeft met het feit dat deze jongeren tot wasdom kwamen tijdens de recessie aan het begin van de jaren tachtig. Spaarzin, dubbeltjes omkeren en soberheid liggen deze hardwerkende jongere generatie overigens weer veel minder dan oude mensen, die zich de jaren dertig nog goed herinneren.

Als het op arbeid en zuinigheid aankomt, zijn de verschillen in opvatting tussen onkerkelijken, katholieken, hervormden, synodaal gereformeerden en streng gereformeerden zeer gering. Geheel tegen de verwachtingen van sociologen in, blijken de synodaal gereformeerden in menig opzicht niet méér maar minder 'calvinistisch' dan hun katholieke landgenoten. Niet alleen willen synodaal gereformeerden minder van carrière-maken weten, zelfs in spaarzin blijven zij een beetje achter. En leden van streng gereformeerde genootschappen en gemeenten (inclusief de Gereformeerde Bond binnen de Hervormde Kerk) steunen sommigen 'burgerlijk-kapitalistische' waarden warm, maar andere niet - de plicht tot voortdurende arbeid wél en de drang hogerop te komen niet, om er maar eens twee te noemen.

De mate waarin en intensiteit waarmee iemand individueel in (een christelijke, bijbelse) God gelooft - los van het instituut kerk - blijkt overigens wél van invloed op de dagelijkse ethiek. Wie diep overtuigd is van het bestaan van een bovennatuurlijk opperwezen en een leven na de dood, onderschrijft de burgerlijk-kapitalistische waarden eerder dan een ongelovige of weifelaar. Maar de frequentie van de kerkgang, de betrokkenheid bij andere kerkelijke activiteiten en de duur van iemands betrekkenheid bij de kerk als instituut blijken vervolgens nauwelijks van invloed.

Eén belangrijke uitzondering mag niet onvermeld blijven. Kerkelijke Nederlanders hechten duidelijk meer aan eerlijkheid in financiële transacties dan onkerkelijken - zij zijn bijvoorbeeld feller gekant tegen belastingontduiking, het oplichten van verzekeringen, 'zwart' naar de tv kijken en iemand iets verkopen zonder de mankementen erbij te vermelden.

En dan nu een vooroordeel dat door het onderzoek van Ter Voert wordt bevestigd, dit om de gereformeerde lezer even opgelucht te laten zuchten: katholieken nemen financieel bedrog een klein beetje minder hoog op dan gereformeerden. De hervormden nemen hier een tussenpositie in. Na het schudden van een hervormde hand moet een mens dus zijn vingers een beetje natellen en bij een r.k.-hand een beetje meer, om louter voor ons plezier toch even op een cliché te hameren.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden