Zó ben je een goede moeder

Hoe kan het toch, vraagt Trouw-redacteur en jonge vader Emiel Hakkenes zich af, dat zijn vrouw zich op het terrein van het moederschap voortdurend onzeker laat maken.... door andere moeders.

Er vliegt een vlok schuim door de lucht. Tegen de tegels van de badkamer echoot de stem van onze zoon van anderhalf. Hij kraait van plezier als zijn moeder en ik hem samen in bad doen. Als hij heel even stilzit, kijkt hij met een serieuze blik naar zijn moeder. Dan spreekt hij voor het eerst van zijn leven een zin van drie woorden: 'Mama baby buik!'

We hebben het hem al een paar keer verteld, maar nu lijkt de dreumes daadwerkelijk te begrijpen wat de groeiende buik van zijn moeder betekent. Zoals de aanstaande gezinsuitbreiding voor onze zoon langzaam realiteit wordt, wordt hij dat voor ons ook. We zijn begonnen de rommelkamer uit te mesten, zodat daar straks een kind kan slapen, en we opperen over en weer mogelijke namen voor het mensje dat nu zo groot is als een maïskolf.

Geknield naast het bad - ik houd zoon in bedwang, terwijl zijn moeder de shampoo uit zijn haren spoelt - wordt ons gesprek opeens serieus.

"Hoe zullen we het doen als de baby er is?", vraagt mijn vrouw. En er komt een hele trits vragen achteraan: hoeveel dagen in de week ze zal werken, of ze na het bevallingsverlof meteen weer naar kantoor gaat of een periode voltijds ouderschapsverlof zal nemen, wat ik vind dat ze moet doen, wat de financiële consequenties zijn van welke beslissing dan ook, wat de rest van de wereld zal denken als ze het ene of juist het andere besluit.

Lastige vragen, waarop ik ook niet zomaar een antwoord heb.

"Eigenlijk", zegt mijn vrouw, "heb ik geen idee wat ik moet doen en wanneer ik het goed doe."

Een kleine twee jaar geleden hadden we een zelfde gesprek. Toen waren we het snel eens. We namen allebei een dag per week verlof om dan voor de baby en het huishouden te zorgen. De overige dagen kon hij naar de crèche. Het was nauwelijks een discussie: het kind is evenveel van zijn vader als van zijn moeder, dus nemen we elk de helft van de zorg op ons.

Met die verdeling, weten we nu, zijn we een uitzondering: slechts 7 procent van de werkende ouders in Nederland doet het zo. Zelfs in onze taal drukken we uit hoezeer het afwijkt van de norm als een vader naast zijn baan voor zijn kind zorgt. Ik heb een wekelijkse 'pappadag'. Maar als mijn vrouw ook op een vaste dag niet op kantoor maar bij haar kind is, is daar geen specifieke aanduiding voor nodig. Moederdag? Dat is het één keer per jaar op een zondag in mei.

'In tegenstelling tot prille moeders', stelt de jongste editie van de Emancipatiemonitor, 'passen vaders hun arbeidspatroon nauwelijks aan als er kinderen komen. Het aandeel dat na de geboorte van het eerste kind evenveel blijft werken of meer gaat werken ligt al jaren ruim boven de 90 procent'. Een collega zocht voor een stukje in deze krant eens uit hoe dat kan. De man, ontdekte ze, wíl best tijd om voor zijn kind te zorgen. Maar hij durft niet om verlof te vragen. Werkgevers hebben weliswaar allerlei regelingen, maar 'desondanks bestaat nog steeds de gedachte bij het personeel dat het je je carrière kost als je er gebruik van maakt'.

'Nog steeds'? Zo achterhaald is die gedachte nog niet. Ik ken een vader die zich bij zijn - vrouwelijke ¿ leidinggevende meldde met het verzoek om ouderschapsverlof op te nemen. Hij kreeg een wedervraag: of hij misschien het bedrijfsbelang uit het oog verloor.

De man hoort op zijn werk te zijn - ook het overheidsbeleid lijkt daar op afgestemd. Als je vader wordt, heb je wettelijk recht op twee verlofdagen. Dat is één dag om bij de geboorte aanwezig te zijn en één dag om je kind aan te geven bij de burgerlijke stand. En daarna subiet weer vergaderen en automatenkoffie drinken. Twéé vrije dagen voor een leven dat op zijn kop gezet wordt.

Op Vaderdag 2007 diende Tweede Kamerlid Ineke van Gent van GroenLinks een initiatiefwetsvoorstel in om het kraamverlof voor vaders te verruimen van twee dagen naar twee weken. Zelfs toen er in het definitieve wetsvoorstel van die twee weken nog maar één over was, bleek er in 2010 geen Kamermeerderheid voor te vinden. Vaders de tijd geven om hun kind te leren kennen? Het zou te hoge kosten met zich meebrengen. I'm gonna stand by my woman, zoals Lenny Kravitz zingt? Dat doe je maar in de vakantie.

Journalist Lars Anderson ziet nog een andere reden waarom het traditionele model van de werkende vader en zorgende moeder zo hardnekkig is. Het gaat, schrijft hij in zijn boek 'Sterke vaders' (2011), niet alleen om de praktische belemmeringen waar mannen op stuiten, maar ook om de psychologie van het vaderschap. "Veel papa's zijn er zelf nog altijd van overtuigd dat mama beter in staat is voor de kleine te zorgen." De 'mannelijke identiteit', schrijft Anderson, staat 'onder druk', omdat het verschrikkelijk moeilijk zou zijn om zingeving te halen uit iets wat er in onze samenleving niet toe doet: zorgen. "Datgene wat met zorg en opvoeding te maken heeft, wordt in onze maatschappij systematisch ondergewaardeerd." Hij ziet het bewijs daarvoor in de te lage salarissen voor verpleegkundigen en leraren. Bij mannen zou het verrichten van niet nuttig werk bovendien ten koste gaan van hun levensgeluk: "Meerdere studies geven aan dat mannen die zich met de zorg en het huishouden bezighouden ongelukkiger zijn dan mannen die fulltime werken." Zelf kostte het hem, bekent Anderson, ook 'de grootst mogelijke moeite' om de meerwaarde van het zorgen voor zijn dochter in te zien.

Met waardering voor Andersons eerlijkheid, komt zijn redenering wat slapjes op mij over. Je gevoel voor eigenwaarde lijkt me niet het criterium om wel of niet een deel van de zorg op je te nemen. De vraag of de maatschappij waardering heeft voor wat ik doe, kwam niet in me op toen ik van de week de trap opliep - de dreumes op de ene heup, een volle wasmand op de andere. Mijn idee: wie bereid is een kind op de wereld te zetten dat voor de helft zijn genenmateriaal heeft, moet ook bereid zijn de helft van de verantwoordelijkheid daarvoor te dragen. Wie A zegt moet B zeggen, of dat nu goed voor je eigenwaarde is of niet.

De vader die kind en carrière wil combineren, kampt met onwillige werkgevers, loopt aan tegen beperkte wettelijke mogelijkheden en worstelt met zijn gevoel voor eigenwaarde. Maar moeders die én willen werken én willen zorgen, moeten het opnemen tegen nog veel sterkere krachten: andere vrouwen en medemoeders.

Een vrouw kan tegenwoordig - in de woorden van dichteres Henriette Roland Holst - 'moeder én geheel mensch' zijn. Mijn geliefde weet dat heel goed. En toch heeft ze het idee dat ze voortdurend moet kiezen: moeder óf geheel mensch. Alle tijd en energie die je aan het een (je kind) besteedt, gaat ten koste van het andere (je carrière). En omgekeerd, waardoor je altijd op minstens één onderdeel faalt.

Op een zondagavond komt mijn vrouw licht verontwaardigd thuis van een weekendje weg met vriendinnen. Ze heeft haar zwangerschap wereldkundig gemaakt, felicitaties alom, maar in het bungalowtje was het gesprek algauw op de combinatie van werken en zorgen gekomen. Ook bij twee kinderen vier dagen blijven werken, was 'wel veel hoor', vond een van de vriendinnen - zelf overigens geen moeder. 'Wat weet zij er nou van?', vraagt mijn vrouw.

Mij lijkt dat een terechte vraag. Maar ik merk ook hoe de opmerking haar niet loslaat. Zoals ze ook vaak denkt aan die andere universitair geschoolde kennis die haar baan opzegde omdat ze 'genoeg tijd' voor haar kind wilde hebben. Volgens de Emancipatiemonitor vindt 27 procent van de Nederlanders een baan van drie dagen (ongeveer 24 uur) ideaal voor moeders met jonge kinderen.

Maar een groot aantal ondervraagden vindt drie dagen nog steeds veel, en zou liever zien dat jonge moeders helemaal niet werken (24 procent) of in kleine banen van een of twee dagen per week.

In haar twitter timeline leest mijn vrouw de verhalen van dames die opgewekt laten weten dat ze de hele dag besteed hebben aan het fabriceren van een carnavalspakje voor hun kroost of aan het zelf bakken van koekjes zodat hun jarige spruit op de crèche kan trakteren. Geen van de vrouwen zegt het met zoveel woorden, maar de boodschap die mijn geliefde uit hun mededelingen destilleert is: zó hoort het dus, zó ben je moeder, een echt goede moeder.

"Maar, stel dat ik zou stoppen met werken", zegt mijn vrouw. "Dan krijg ik alle feministes over me heen." Ze kent de boodschap van Elma Drayers boek 'Verwende prinsesjes' (2010). Als vrouw moet ze haar zegeningen tellen.

'Sinds een jaar of dertig', prent Drayer haar seksegenoten in, 'leven wij in een weelde waarvan pakweg driekwart van de vrouwen op deze wereld alleen kan dromen. Geen opleiding of we mogen haar volgen, geen beroep of we kunnen het uitoefenen.' Een vrouw die met haar deeltijdbaan voldoet aan de maatschappelijke verwachtingen is volgens Drayer ('Ben ik feministe? Jazeker. En nog van klassieke snit ook') een verwend prinsesje dat zich niet realiseert dat haar oma niet eens de mogelijkheid had om buitenshuis te werken. "Je mag geen ma-di-do-vrouw zijn", zegt mijn geliefde. Pas geleden sprak ze met een mannelijke collega van haar leeftijd. Hij en zijn vrouw verwachten ook hun tweede kind. En zijn echtgenote, verzekerde collega, staat nu al te popelen om na de geboorte zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan. Aha, had mijn vrouw gedacht: zó hoort het dus, zó ben je werknemer, een echt goede werknemer.

Langzaam wordt mij iets duidelijk. Hier, op mijn knieën naast het bad, ben ik niet alleen in gesprek met mijn vrouw, maar ook met allerlei andere stemmen. Kleine demonen uit de moedermaffia en het feminisme. Het lijkt wel of ze tussen het badschuim drijven.

Misschien, denk ik, moeten we de zaak eens van een heel andere kant benaderen. Niet beginnen bij de vraag wat wij als ouders zouden willen, maar nagaan waar de kinderen baat bij hebben. Zouden zij er onder lijden als ze een paar dagen in de week naar de crèche gaan? Of de duvel ermee speelt hebben we net die ochtend in de krant gelezen dat Nederlandse crèches niet in staat zouden zijn om baby's de zorg te bieden die ze nodig hebben. Dat heeft, schrijft psycholoog Marilse Eerkens in haar onlangs verschenen boek 'Wat doen we met de baby?', te maken met "het feit dat de kwaliteit daar sinds de jaren negentig spectaculair is gedaald". Los daarvan is de crèche volgens Eerkens schadelijk voor "de cruciale ontwikkeling die babyhersenen doormaken in de eerste twee levensjaren: maar liefst 50 procent van het brein wordt dan aangelegd. En die aanleg is sterk afhankelijk van de emotionele zorg en de aandacht die kinderen krijgen. Optimale ontwikkeling vraagt om optimale zorg, hetzij van ouders zelf, hetzij van een vast persoon die deze rol gedeeltelijk overneemt."

Mijn vrouw kijkt me aan. Ze streelt onze dreumes over zijn hoofd. "Zo slecht heeft hij het toch niet op de crèche?" Ik denk aan hoe het gaat als we hem brengen of halen: hij heeft vaak meer aandacht voor het speelgoed en voor de andere kinderen dan voor zijn vader of moeder. Als je hem vraagt: 'wie is jouw vriendinnetje?', noemt hij zonder aarzelen de naam van een crèchegenootje. En een van de eerste woordjes die hij kon zeggen was de naam van zijn favoriete juf. Op haar beurt vindt de juf onze zoon een 'slim en sociaal kindje'. Wie zei daar iets over optimale ontwikkeling en optimale zorg?

"Maar goed", zegt mijn vrouw. "Ik weet dus nog steeds niet hoe we het zullen doen als de baby er is."

"Hoeft ook nog niet", zeg ik. "We kunnen er nog even over nadenken." En met 'we' bedoel ik ons tweeën. Méér partijen lijken mij hier niet in het spel.

De dreumes ontgaat het getob van zijn ouders ten enenmale. Hij wordt volledig in beslag genomen door zijn blauwe badeend en het dopje van de shampoofles. Als ik zijn naam noem, kijkt hij op. "Als de baby er straks is", vraag ik, "dan word jij grote...?"

"Bwoer!", kraait hij.

Zijn schaterlach lijkt de demonen te verdrijven - al is het maar voor even.

Vrouwen zijn veel meer gaan werken
Arbeidsparticipatie

In dertig jaar tijd is Nederland veranderd van één van de landen in Europa met de laagste arbeidsparticipatie van vrouwen tot een land waar die participatie het hoogst is. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft 60 procent van de vrouwen tussen de 15 en 64 jaar een baan van 12 uur per week of meer. Voor mannen in die leeftijdsgroep ligt dit percentage op 80 procent.

Kinderen ...

De deelname aan het arbeidsproces is het hoogst onder getrouwde of samenwonende vrouwen tussen de 15 en 39 jaar zonder kinderen. Van hen werkt 85 procent. Dat verandert als er kinderen komen. Ongeveer de helft van de werkende vrouwen levert uren in na de geboorte van het eerste kind. Van de jonge vaders gaat bijna niemand minder werken.

Parttime ...

Als er nog meer kinderen komen of als de kinderen ouder worden, zijn de veranderingen minder groot. Zo gaat na het tweede kind nog maar 13 procent en bij het derde kind 10 procent van de moeders minder of helemaal niet meer werken. Een arbeidsduur tussen 20 en 27 uur per week blijkt het populairst onder moeders. Daarbij geldt: hoe hoger de opleiding, hoe vaker moeders werken. Bij 71 procent van alle ouderparen tussen de 25 en 50 jaar met minderjarige kinderen werken beide ouders. De combinatie voltijds-deeltijds is hier favoriet: ruim de helft van de paren hanteert deze rolverdeling. Een verdeling waarbij beide ouders allebei in deeltijd werken is niet populair: 7 procent doet het zo.

Reageren ...

Wij zijn benieuwd naar uw ervaringen. Reageer op: tijd@trouw.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden