Zit er werkelijk begrip achter dierenslimheid?

Dieren zijn ontroerend en verbazingwekkend slim. Zoals deze kraai, die bij een hitte van 40 graden zijn dorst lest met water uit een fonteintje. Maar snappen dieren hun eigen gewiekstheid wel? Ze lijken cognitief behoorlijk vaardig, maar bij nader inzien op een slinkse dierenmanier. ( FOTO AFP)

Geen dier maakt vuur, sterft voor zijn idealen, of navigeert met een landkaart. Toch meende Darwin dat mensengeest en dierenpsyche slechts gradueel van elkaar verschillen. Een dwaling? Kom daar eens achter, als zelfs het apenbrein zich niet laat doorgronden. Een tweeluik over het dierendenken, met als eerste vraag: kunnen beesten een beetje redeneren?

We zijn op station Uitenhage, Zuid-Afrika, 1881: chef Wylde ziet hoe Jack water aandraagt, de houten keet uitveegt, naar de hendel 150 meter verderop rent, de wissel omzet, en even later een machinist de sleutel overhandigt voor een signaalkast. Wylde mist beide benen, na een spoorongeval, maar hij heeft Jack: jarenlang runt de baviaan Uitenhage. Foutloos, zegt men.

Hoe ontroerend slim zijn dieren. Zoals Jackie, ook baviaan. Hij schopt het tot korporaal bij de infanterie, loopt wacht aan het front in Egypte, hoort elk geritsel, en waakt er aandoenlijk over zijn gewonde baas. Jackie verliest bij Passchendale, in 1918, zelf een poot door granaatsplinters. Hij salueerde, in militair kostuum, voor elke meerdere. En nu brachten ze hem zelf, na bange dagen in het hospitaal, de groet: met een oorlogsmedaille.

We willen u Johnnie niet onthouden, een resusaap die op een boerderij in Australië alle tractorwerk doet. Steevast voor het starten controleert hij of het ding in zijn vrij staat. Tijdens het schapen scheren helpt Johnnie de boeren uit de buurt, zo trouw dat de regering zijn eigenaar een belastingvoordeeltje gunt.

Dit alles is van horen zeggen, maar het klinkt geloofwaardiger dan de rekenvaardigheden van hond Roger. Of die van Slimme Hans, het paard dat met zijn hoeven kon tellen. Roger overtroefde Hans zelfs, híj kon wortel trekken. Achteraf bleek dat Hans en Roger zich lieten sturen door subtiele wenken van hun beider bazen. Die gaven onbewust, met wimper en neusvleugel, het juiste antwoord door aan hun calculerende wonderdieren.

Nu weer serieus, we moeten nog het waterbassin in om de dierlijke intelligentie ten volle te belichten. Ooit blies een verzorger van dolfijnen een trekje sigarettenrook tegen de wand, waarop een kinddolfijn bij zijn moeder een teug melk nam en als wedergroet de melk op de rookplek tegen het glas spoot. Elders bemerkte een duiker die de algen van het glas van een bassin poetste dat naast hem een dolfijn mee zat te poetsen, met een in het water gevonden veer.

Punt gemaakt, dieren zijn verbazingwekkend slim. Niettemin bekruipt je in Artis het gevoel dat het met die intelligentie niet zo’n vaart loopt. Snappen ze hun eigen gewiekstheid wel? Zit er werkelijk begrip achter die dierenslimheid?

Dat gaan we aan duiven vragen. Tien jaar geleden leerden enkele exemplaren om een paar schilderijen van Van Gogh en Chagall uit elkaar te houden. Schotelde je ze daarna nieuwe doeken voor, dan wezen ze de Van Goghs en Chagalls zo aan. Zie voor publicaties het vakblad Animal Cognition.

Recenter bekwaamden duiven zich in het onderscheiden van Picasso en Monet. Iets in de ene Picasso was hetzelfde als in de andere Picasso. Dat hetzelfde, daar gaat het hier om: begrijpen ze echt wat het betekent dat twee dingen identiek zijn?

Daarover discussieerden deskundigen onlangs in het vakblad Behavioral and Brain Sciences. Een jaar eerder gaven twee psychologen en evolutiebioloog Daniel Povinelli daartoe een voorzet met als titel Darwin’s mistake: wij vinden wielen uit, blazen onszelf op voor een ideaal en gaan op weg met een landkaart. Nu zou een Darwinist de evolutie liefst verbeelden als een film waarin schepsels vloeiend in elkaar overgaan, maar het lijkt erop dat de mens in geestelijke zin een brede sloot is overgesprongen. En dat zelfs de schranderste aap die kloof niet aandurft.

Toch neigen ethologen ernaar om dieren intelligentie toe te dichten die slechts gradueel van de onze verschilt. Fout, menen Povinelli & co, er zit een principieel hiaat tussen de mensen- en dierengeest. En in alle wijzen van redeneren. Op feitelijk niveau, over de dingen om ons heen. En op sociaal niveau, over hoe je je soortgenoten moet belazeren.

Alleen wij hanteren algemene begrippen, of snappen het waarom van gebeurtenissen zonder de oorzaak –van een tsunami bijvoorbeeld– echt waar te nemen. Dieren struikelen nog over het simpelste redeneerconcept, zoals hetzelfde. Dat begrip, schreef William James, vormt de ruggegraat van alle denken. Zonder dat handvat zouden we hoogst zelden twee dezelfde sokken dragen. En niet begrijpen hoe de dingen in de wereld tot elkaar in verhouding staan: vogel staat tot nest is hetzelfde als hond staat tot mand.

Chimpansees, gorilla’s, bavianen, papegaaien, dolfijnen en duiven slagen zeker voor simpele H/V-tests (hetzelfde of verschillend). In het bos kunnen ze best gezonde kersen van giftige bessen onderscheiden. Maar is dat dan inzicht vanuit een abstract begrip van H of V?

In recente studies leerden duiven en resusapen de gelijkenis of juist het verschil herkennen tussen twee plaatjes. Ze begonnen met 8 paren, waar ze flink op moesten oefenen, uiteraard voor een versnapering. Uiteindelijk leken ze het setje plaatjes door te hebben, waarna het aantal werd verdubbeld.

Hadden ze het principe in de gaten? Misschien. Van 16 ging het naar 32, 64, 128 tot aan 1024 plaatjesparen. Op den duur scoorden ze allen boven de 80 procent. Hebbes? Of toch niet? Het bleek uit te maken hoeveel er op die plaatjes te zien was. Aap en duif waren secuur in hun oordeel bij bonte plaatjes met veel kleurige details. Maar bij afbeeldingen met een enkel voorwerp gingen ze de mist in. Die vonden ze vaak hetzelfde, al waren ze verschillend.

Ze leken te struikelen over de eenvoud. Nadere onderzoeken leerden dat de dieren afgingen op de hoeveelheid variatie, op de entropie in beide plaatjes. Allebei rommelig: hetzelfde. Eén heel rommelig, één minder: verschillend. Allebei nauwelijks rommelig: hetzelfde. Zo liepen ze bij de meest eenvoudige, maar wel verschillende voorstellingen tegen de lamp. Ze velden niet echt een kwalitatief oordeel.

Nu is de vergelijking van twee plaatjes een peuleschil. Dat zie je. Het wordt lastiger als je de gelijkenis (of het verschil) moet aangeven tussen twee verzamelingen waarin een zeker verband zit. Toon een baviaan een foto met twee appels (A’s) en laat hem de bijpassende foto kiezen: die van twee peren (P’s) of die van een banaan (B) en een sinaasappel (S). U begrijpt: AA vraagt om PP en niet om BS. Maar laat je hem eerst een foto van een pruim en een meloen zien, dan hoort hij de foto van een kers en druif te kiezen en niet van twee mango’s.

Dat lukt apen. Maar daar is geen koninklijke redeneertrant voor nodig. Ze kunnen volstaan met te leren dat bij veel chaos op de ene foto –met twee verschillende vruchten– een andere rommelige cocktail hoort. Die strategie vereist geen scherp, kwalitatief onderscheid tussen hetzelfde en verschillend, geen precisie. Ook resusapen hanteren zulke vage grenzen, bewees recent onderzoek (Journal of Experimental Psychology): zij zouden al te vaak twee verschillende, maar voor henzelf dezelfde sokken aantrekken.

Goed, laten we geen exactheid eisen, maar zinnige wijsheid. Kun je hogere apen bijvoorbeeld leren om objecten onder te verdelen, te categoriseren, naar ’eetbaar’ of ’niet-eetbaar’? Dat kan, en hebben ze het door, dan delen ze keurig appels in bij peren, graantjes en rozijnen, maar bekers of papier bij sloten en blocnotes.

Brandt het lampje? Ja, nee. Sommige apen kunnen foto’s rangschikken in gezichten en bloemen. Ze halen zelfs soortgenoten en vreemde apen uit elkaar. En hun slippertjes daarbij zijn begrijpelijk: zo deelden ze mensengezichten liever bij henzelf in dan bij planten. En bloemen eerder bij bomen dan bij apengezichten. Maar waarom leert menig aap maar één categorie herkennen en haalt hij de schouders op bij een andere, toch ook eenvoudige indeling? Het lukt veel apen bijvoorbeeld niet om vogels van andere dieren te onderscheiden.

En pas op, deze experimenten gaan van valkuil naar valkuil. Zo konden kapucijneraapjes uitstekend mensengezichten in één vakje stoppen, maar naderhand bleken de foto’s daarvan meer roodtinten te bevatten dan de andere foto’s. De dieren zaten het rood bij elkaar te zoeken.

Ogenschijnlijke slimheid heeft soms een basale achtergrond. Aanvankelijk dachten kenners dat chimpansees bij de indeling van ’eetbaar-niet eetbaar’ echt benul hadden van de categorie ’voedsel’. Maar achteraf leek hun lijf de keuze te sturen: chimpansees noemen alles eten wat ongemerkt op hun speekselklieren werkt.

Zeiden die apen maar wat terug, ze laten je gissen naar hun abstractieniveau. En dan hadden we het nu nog maar over de eerste trede op de cognitieve ladder. Hogerop moeten ze naar analogie leren redeneren. Stel dat een aap in de gaten krijgt dat een halve banaan iets gemeen heeft met een half glas jus d’orange. En dat ie die twee moet aanvullen met óf een halve pot verf óf een hele fles wasbenzine. Of stuur hem naar de boerderij: begrijpt hij dat puppie bij hond hoort als kuiken bij kip?

Nou? De vermaarde chimpansee Sarah, een hoofdrolspeelster in de ethologie, scheen door te hebben dat een grote blauwe driehoek staat tot een kleine blauwe driehoek als een grote gele tot een kleine gele. Sarah begreep eveneens dat de sleutel bij het slot hoorde en de blikopener bij het blikje. Dat lijkt op denken in verbanden.

Maar wacht even met ’petje af’. Sarah meende dat er ook iets was tussen een grote blauwe driehoek en een kleine blauwe cirkel. En tussen die twee en een groot geel vierkant. Zodra er twee eigenschappen varieerden, zag Sarah een verband. Op zich is dat al knap, maar ze is ons toch niet nagesprongen over die brede kenniskloof. Sarah snapte niet dat een winkelhaak in je broek en naald en draad een vergelijkbaar eentweetje vormen als een scheur in de kalender en plakband. Toch kwam geen enkele soortgenoot ooit in de buurt van haar bovenaapse IQ.

Misschien is het ook niet fair om dierenslimheid te meten in mensenslimheid. Mogelijk missen we de apenempathie om hun inzicht echt te testen. Dus wat doen we: we vragen of dieren ook in ruimtelijke verhoudingen met ons mee kunnen redeneren. We willen weten of ze ’schaal zoveel op zoveel’ begrijpen, of ze een beetje kaart kunnen lezen.

En aanvankelijk oogsten ze weer waardering. Zo zien chimpansees op den duur in dat miniatuurvoorwerpen en dezelfde voorwerpen in het groot iets met elkaar hebben. Als je in een kijkdoos met een minikamer een miniblikje fris achter een stoeltje verstopt, en je vraagt de chimpansee hem buiten –in het groot– te gaan zoeken, dan lukt hem dat na enige uitleg.

Maar chimpansees die niet zijn getraind in ’schaaldenken’ redden dat ook. De dieren associëren gewoon twee objecten met elkaar: stoel en blikje fris bijvoorbeeld, en niet kast en fris. Dat bleek ook als in zo’n schaalmodel alleen identieke objecten stonden, dus louter stoelen. Nu konden de apen buiten alleen het blikje fris vinden als ze achter de stoel op de juiste lokatie zochten. Te moeilijk.

We gaan nog één trede omhoog op de cognitieve meetlat en leggen het dier een syllogisme voor: een pinda is lekkerder dan een rozijn, een rozijn lekkerder dan hazelnoot, dus een pinda is lekkerder dan* Hoe hoog mogen we de logica in de dierenkop aanslaan, zijn er apen die tussen Aristoteles en Plato in mogen zitten?

Kraaien wellicht. Zij lijken de rangorde te onthouden van kleurkaarten met op de achterzijde een cirkel. Die cirkel wordt van kaart A tot E steeds groter. Als ze dan uit twee kaarten de kleur moeten kiezen met de grootste cirkel –krijgen ze meer graantjes voor–, dan prefereren ze C boven A en D boven B. Soms, hun logica lijkt aan stemming onderhevig.

Zelfs vissen presteren hier wat. Stel je een reeks gevechten voor tussen baarzen, waarbij A wint van B, die wint van C, C van D. Mannetjes die dat gadeslaan, zwemmen daarna liever in de buurt van D dan van vechtersbaas B, terwijl B en D toch allebei een keer verloren. Ook gaaien vertonen dit heilzame inzicht. Maar deze studies zijn nog vers: het is onzeker of er werkelijk enige logica achter zit. Dieren lijken cognitief soms behoorlijk vaardig, maar bij nader inzien toch op een slinkse dierenmanier.

Hier ging het om redeneervermogen. Doen we Johnnie en Jack daarmee niet tekort? Reikt hun hulpvaardigheid ook niet hoger dan gedrag zonder enig inzicht? Jack leek begaan met stationschef Wylde. Zijn dieren echt sociaal gedreven? Neem gaaien: ze verstoppen voedsel maar als ze hebben gezien dat een buurgaai zat toe te kijken, komen ze het later stiekem een stukje verplaatsen. Zit daar geen ’ons kent ons’ achter? We zullen zien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden