Zinloos gevecht op de Vlakte van de Dood

(Trouw)Beeld AP

Zo’n 15.000 Amerikaanse, Britse en Afghaanse militairen streden begin dit jaar tegen 2000 talibanstrijders in de uiterst onrustige Afghaanse provincie Helmand. De strijd in Afghanistan is zwaarder dan gedacht, zoals ook blijkt uit de duizenden gelekte documenten op Wikileaks. De taliban zijn optimistisch. Commandant Hamid: ’We opereren er nog steeds. Dus wie heeft er dan gewonnen?’

In haar kamer met kussens en statige zwart-witportretten van haar echtgenoot in een pak met stropdas, bewaart de bejaarde Benazir goede herinneringen aan de Amerikanen. Ruim een halve eeuw geleden fabriceerde zij kleding en speelgoed, en haar 85-jarige man Fais Mohammed beheerde een Amerikaans warenhuis met machineonderdelen.

In het kader van Koude Oorlogstrategieën waren er al in de jaren vijftig en zestig Amerikaanse ontwikkelingsprojecten in en rond Lashkar Gah, de hoofdstad van de Afghaanse provincie Helmand. Tientallen hulpverleners uit de Verenigde Staten woonden in deze zuidelijke provincie en de gouverneur had zelfs een Amerikaanse echtgenote. ’Little America’ heette in die jaren het gebied dat nu vooral vanwege gevechten en opiumproductie het nieuws haalt.

Benazir kwekt er zo geanimeerd op los, dat haar tengere wit-gekuifde man nauwelijks gelegenheid krijgt een duit in het zakje te doen. „Niemand droeg een boerka en ik reisde door het hele land,” zegt ze. In haar jurk van dunne, witte stof, met een motief van groene blaadjes en een onbedekt hoofd, oogt ze nog steeds modern. Ze spreekt in Pashto, maar af en toe schiet er een Engelse term uit haar geheugen tevoorschijn. Zoals chocoladerepen, een lekkernij waar ze dol op was.

Ook Amir, een van de medewerkers in het ziekenhuis van Lashkar Gah praat met weemoed over het verleden. „Toen ik hier in de jaren zestig met de Amerikanen werkte, werden de bedden elke dag verschoond,” vertelt hij wandelend door de gangen en zalen waar een geur van ontsmettingsmiddelen zich mengt met de stank van ongewassen lijven en voedselresten. „De lakens waren spierwit. We gaven de patiënten pyjama’s en elke dag een ontbijt.” De brieven van zijn voormalige werkgevers verbrandde hij toen de Russen in 1979 het land binnen vielen. „Alleen de Bijbel heb ik in het diepste geheim bewaard,” vertelt hij met een lachje.

Hun herinneringen aan de Amerikanen uit de jaren vijftig en zestig die Kerstmis vierden en hun werknemers op chocola trakteerden, lijken onwerkelijk in het Lashkar Gah van vandaag. In het raster van straten liggen de lage huizen en de marktstalletjes met abrikozen, sinaasappels en mango’s te stoven in een onverbiddelijke zon. Ezelskarren, bromfietsen en Japanse auto’s stromen door de straten. Mannen met tulbanden en shalwar qamiez domineren het straatbeeld, af en toe komt er een vrouw in boerka voorbij.

De enkele westerse hulpverlener woont tegenwoordig achter betonnen muren, waagt zich nauwelijks buiten of reist met bewapende lijfwachten. Verder bestaat de buitenlandse aanwezigheid uit Britse en Amerikaanse troepen die met zwaar materieel patrouilleren. Helmand, waar ongeveer 10.000 Britse manschappen en enkele duizenden Amerikaanse militairen zijn gelegerd, is de onrustigste provincie van Afghanistan. Alleen al aan Britse zijde sneuvelden ruim 290 militairen in gevechten. Op de kilometerslange legerbasis in het woestijnlandschap dat Masht-i-Margo heet – Vlakte van de Dood – is de stemming dan ook somber. Geen van de militairen die in een van de bloedhete tenten op een helikopter wacht, denkt dat de buitenlandse troepen aan de winnende hand zijn. Op de vraag wat er bereikt is, zegt een Britse legerarts met ironie: „Onze medische technieken om gewonden te helpen zijn verbeterd.”

Om het tij te keren vond begin dit jaar rond Marjah, een plaats 20 kilometer ten westen van Lashkar Gah Operatie Moshtarak (de naam betekent Samen) plaats, een groot offensief van 15.000 Amerikaanse, Britse en Afghaanse militairen tegen naar schatting 2000 talibanstrijders. De operatie werd eind februari tot een succes verklaard, maar de bewoners van de streek vertellen hoe onveilig het gebied nog altijd is en hoe het aantal gevechtshandelingen inmiddels weer toeneemt.

De meeste burgers van Lashkar Gah komen niet voorbij de brug die aan de rand van de stad ligt. Stalletjes van de bazaar omlijnen de weg, in de bedding van de rivier laten chauffeurs hun vrachtwagens wassen. Aan de overkant van het water begint de route naar Marjah, een gebied waar de overheid geen controle heeft en waar vrijwel dagelijks mijnen en bermbommen ontploffen.

Op zijn tractor met aanhanger volgepakt met tapijten, gele plastic jerrycans en andere huisraad, vertelt Mohammed Hasham dat hij uit Marjah vluchtte toen zijn huis een week geleden tijdens gevechten tussen ISAF-troepen en de taliban werd getroffen. Op zoek naar een woonplek zwerft de familie rond.

„We zijn in Marjah ons leven niet zeker. Voor het offensief begon werd er ook wel gevochten, maar niet zo veel als nu,” zegt hij. Ook voor het kantoor van de hulporganisatie de Rode Halve Maan zitten nieuwe vluchtelingen uit het gebied rond Marjah. Een vrouw met een paar dagen oude baby wordt doorgestuurd naar het ziekenhuis. Anderen turen door de spijlen van het hek in de hoop op hulp. In de maand mei vluchtten minstens 150 families, vertelt de directeur van de organisatie. Hij verwacht dat het aantal ontheemden onder de ruim 70.000 inwoners zal toenemen nu de opiumoogst achter de rug is.

Een Afghaanse hulpverlener die vanwege zijn werk in Marjah anoniem wil blijven, zegt dat de omgeving zwaar gemilitariseerd is. Ook worden de huizen voortdurend doorzocht op mogelijke talibanstrijders. Dat is een ultieme belediging in de traditionele Pasjtoen-cultuur die de vijandigheid tegen buitenlanders voortdurend nieuwe voeding geeft. „We kunnen niet tegen de taliban zeggen: „Blijf uit onze buurt.” Dan vermoorden ze ons,” zegt hij.

Volgens een lokale journalist werden de afgelopen maanden 13 stamleiders die samenwerkten met de nieuwe autoriteiten door de taliban gedood. In het plaatselijke ziekenhuis arriveren dagelijks oorlogsgewonden uit de streek rond Marjah. De 16-jarige Malika werd een paar dagen geleden tijdens een raketaanval in haar borst getroffen, haar 4-jarige neefje Rafiullah raakte aan zijn rug gewond.

De familieleden die zich rond haar bed verzameld hebben, denken dat de raket door de Amerikaanse troepen, die in de omgeving een operatie uitvoerden, werd afgevuurd, maar zeker weten ze het niet. „De taliban plaatsen mijnen, de buitenlanders voeren militaire operaties uit. Ze vormen allebei zijn een probleem voor ons,” zegt de grootvader een wit-baardige man met brokkelige tanden. Hij wijst boos naar de andere patiënten op de zaal. „Natuurlijk is het geen vrede. Dit zijn allemaal gewonden van nieuwe gevechten.”

Ook op de vrouwenafdeling van het ziekenhuis is het conflict zichtbaar. Schichtige figuren in doeken zitten met hun zieke en ondervoede baby’s in de gangen en op de bedden in de zaal. De lange reis naar het ziekenhuis is gevaarlijk en kostbaar, en veel van de jonge patiëntjes arriveren laat. Hun hoofdjes bungelen op de schrale nekjes, als een topzware bloem op een geknakte steel.

Terwijl de taliban (een complex begrip van strijders met lokale en tribale netwerken die om allerlei verschillende redenen vechten) voor de buitenlandse troepen en de overheid de gedoodverfde vijand zijn, zijn de meningen van de inwoners in de zuidelijke provincie veel meer verdeeld. Sommigen vinden de taliban met hun aanwezigheid het bestaan gevaarlijker maken, anderen zeggen dat het leven onder de taliban juist veiliger is en dat er door hen minder corruptie is. „Ze zijn voor ons geen vreemden, maar onze ooms en onze broers,” zegt een inwoner van Lashkar Gah.

Hoe klein het gebied is dat de Afghaanse overheid en de buitenlandse troepen onder controle hebben, blijkt ook uit een afspraak met de taliban. De taliban-commandant en zijn assistent brengen hun brommer tot stilstand bij een ommuurd lemen huis dat in een wirwar van zandpaden nauwelijks vijf kilometer ten westen van Lashkar Gah staat.

Met hun witte tulband en lichte shalwar qamiez onderscheiden ze zich in niets van de andere weggebruikers. Hun verhaal klinkt stijf en voorgekookt, maar hun houding is zelfverzekerd. „Ons doel is het vestigen van een islamitische staat en daarover valt niet te onderhandelen,” zegt Hamid (een codenaam), een forse man met een donkere baard die een beetje loenst. Volgens hem hebben de taliban het gelijk aan hun zijde, omdat de corrupte regering alle krediet kwijt is, net zoals dat het geval was in het begin van de jaren negentig, toen de taliban ontstond. „En toen in 2001 de buitenlanders kwamen, hebben ze meegeholpen om deze verkeerde mensen weer aan de macht te brengen.”

Ook daarmee verwoordt hij een veelgehoorde klacht onder de Afghaanse bevolking over de westerse rol in het land. Hamid vecht al sinds de Russen het land binnenvielen en nog steeds is de buitenlandse aanwezigheid de belangrijkste reden dat hij strijdt. „In Marjah zijn allemaal buitenlandse legerbasis en controleposten, maar wij opereren er nog steeds. Dus wie heeft er dan gewonnen?” vraagt hij retorisch. Als het aan hem ligt houdt de taliban de strijd – die vooral bestaat uit overvallen, het plaatsen van bermbommen en het plegen van aanslagen – nog heel lang vol. „Er zijn al vier martelaren in mijn familie. Mijn zoons vechten nu ook en daar ben ik trots op,” zegt hij voordat hij weer op zijn brommer stapt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden