Zingen is dubbel of half of niet bidden

'Alleen wie liefheeft zingt'. 'De kerk zingt of ze bestaat niet meer'. De jubilerende St.-Gregoriusvereniging (voor gewijde muziek) hoeft maar deze oude Latijnse spreuken na te lopen en ze weet dat ze veel te vieren én veel zorgen heeft.

Als vanmiddag in de Bossche Sint Jan de 125-jarige Sint-Gregoriusvereniging (SGV) haar jubileum-halfjaar begint mag ze zich gerust nog een van 's lands grote vrijwilligerskoepels noemen: 4000 koren (jeugd-, mannen, vrouwen, gemengd, gregoriaans, klassiek, Nederlands), met samen meer dan 100000 leden. Er valt wat te vieren.

Toch was het in mineur, toen dr. Th. Willemssen, deken van Roermond, van de week het jubileum van zijn vereniging toonzette. De kwaliteit van de kerkkoren loopt terug, de vergrijzing slaat toe. Onderwijs besteedt geen aandacht meer aan de muzikale vorming van kinderen, hun leraren missen zelf al de basis en scholing. Hoe anders was dat honderd jaar geleden.

Lang vóór Willemssens mistroostige constatering, aan het begin van onze jaartelling, schreef Tacitus al: Frisia non cantat, Hollanders kunnen niet zingen. En iemand hoeft maar even het cliché te roepen dat 'zingen dubbel bidden' is of prompt volgt fijntjes de correctie: wie goed zingt, bidt tweemaal. Wordt er nog gebeden, 'dubbel' gebeden?

Musicoloog en hoofdredacteur van het Gregoriusblad van de SGV Martin Hoondert heeft zojuist in een bescheiden boekje Gregoriaans in de steigers (ISBN 9030410620) de geschiedenis van het gregoriaans in de afgelopen eeuw beschreven, de katholieke kerkzang in optima forma. Al dan niet voormalige katholieken vanaf zekere leeftijd denken er nog wel met weemoed aan terug. Credo, Tantum Ergo, Salve Regina: bij menig hoogbejaarde zijn ze dieper in het geheugen verankerd dan de namen en verjaardagen van het eigen nageslacht. Gereformeerden kennen datzelfde van de psalmversjes, maar deze zijn er toch meer ingestampt. Bij katholieken kwam het zingenderwijze aanwaaien, zoals genade: Genitori genitoque laus et jubilatio... De weemoed suggereert dat het altijd zo is geweest, van Constantijn tot en met de Middeleeuwen, zachtjes in de schuilkerk, voluit in de 19de, 20ste eeuw.

Hoonert in zijn boek maakt duidelijk dat de bloeitijd van het gregoriaans maar een paar decennia heeft geduurd, zeg tussen 1925 en 1960. De traditie en de kunst willen dat engelen in de gedaante van een duif rond het jaar 600 de eeuwige muziek in het oor van de heilige paus Gregorius de Grote hebben gefluisterd. In feite was kennis en praktijk van het gregoriaans tot aan de 20ste eeuw gering. Het mocht wat, die engelachtige influisteringen: rond 1900 was er een heftige richtingenstrijd ontbrand over wat het oorspronkelijke gregoriaans was, welke tierelantijnen er wel en welke er niet thuishoorden. De school van Solesmes, de school van Regensburg, de strijd om wie de reuzendrukorder zou krijgen voor een zangboek dat in heel de Latijnse kerk verplicht zou zijn. Zelfs de uitslag van de Frans-Duitse oorlog van 1870 kon mede bepalen welk melisme of welke ritmische annotatie het zou winnen.

Toen Pius X in 1904, op de 1300ste sterfdag van de genoemde Gregorius, in de Sint Pieter de mis liet vieren in het herstelde gregoriaans ,,verlieten vele duizenden de kerk nog vóór de dienst uit was...'' Protest tegen het nieuwe? Zelfs het publiek in de Sint Pieter kende de eeuwenoude gouden schat van het gregoriaans niet.

De restauratie of her-uitvinden van het gregoriaans paste in wat heette de 'liturgische beweging'. Eeuwenlang gingen gelovigen braaf naar de mis, maar er was weinig verband tussen wat er ver voorin aan het altaar gebeurde, waar de priester zijn heilige dingen deed en het 'volk'. Dat zat wat te zitten, keek toe, zong wat dierbare liedjes of luisterde -als ze geluk hadden- naar een koor dat met meer of minder succes zangen zong - polyfoon of een verromantiseerd pseudo-gregoriaans.

De feitelijke afschaffing van het Latijn in de jaren zestig was een forse ingreep. Maar de meer geleidelijke veranderingen van een halve eeuw eerder hakten er ook diep in: de gelovigen moesten van bijwoners tot meevierders van de mis worden. Bij die nieuwlichterij stond bepaald niet iedereen te juichen; vette, wereldse muziek moest wijken voor het sobere, eenstemmige, koele gregoriaans, dat veel minder lekker schmierend in het gehoor ligt. Eén generatie later was het of het in de kerk nooit anders was geweest.

Voor rk Nederland vielen de liturgische oekazes van Pius X precies in de kerkelijke en culturele emancipatie waar het aan toe was. Koren bloeiden, werden zelf vehikels van beschaving en vorming voor hun leden.

Deken Willemssen wijt het inzakken van de katholieke koorcultuur aan de opvoeding. Nog nooit waren jongeren zo van muziek (althans van klankachtige decibellen) doordrenkt als nu, maar niet met gregoriaans.

Af en toe hoor je van een revival, zoals in 1994 de hype van de benedictijnen van het Spaanse Silos die met hun middelmatige cd's platina verdienden. Eind deze maand is in het West-Vlaamse Watou het achtste driejaarlijkse festival van het gregoriaans. Zo'n 25 van de beste schola's uit de hele wereld, waaronder twee uit Nederland, vertonen er hun kunsten, met in totaal 600 zangers en zangeressen vanaf acht jaar. Luisteraars komen zich er laven aan de 'weelde aan klank en harmonie' van dit topgregoriaans, zijn 'verfijnde uitstraling', 'nobele eenvoud', 'rake expressiekracht', belooft de folder.

Maar in Berkel-Enschot moest de vereniging Amici cantus gregoriani ('vrienden van het gregoriaans) vorige week haar landelijke zangersdag afzeggen: te weinig belangstelling. In het najaar probeert secretaris M. Lambriex het nog een keer. Maar de vrienden weten het: het gregoriaans is geen vanzelfsprekend liturgisch bindmiddel meer van een wereldwijde gelovige gemeenschap, diepvervlochten met de boodschap zelf. Het is een product op de spirituele markt, dat in de cd-box naast de Passionen, cantates, missen, vespers, Requiems staat. Ook veel enthousiaste beoefenaars hebben het gregoriaans lief, zijn rijk-geschakeerde eenvoud, de strenge beweeglijkheid, maar als hobby, niet als heilsmiddel. Goed zingen en genieten en maar half of helemaal niet bidden.

De grote cultuurhistoricus Hélène Nolthenius (-2000) vergeleek het gregoriaans wel met Plato's grot. Zoals wij de werkelijkheid waarnemen als schaduw van de onzichtbare goddelijke werkelijkheid, zo horen wij in het gregoriaans de echo van een onhoorbare Werkelijkheid. Bitter stelde zij tegen het eind van haar leven vast dat tot in de kerk oog en oor voor dit pure Schone weg was en tegelijk daarmee het gevoel voor het verstilde, de 'afstandelijke mystiek' van het gregoriaans. Zij wist ook best dat door de vaak erbarmelijke uitvoering deze verheven kunstvorm niet werd gemist.

Anders dan de Passionen en meerstemmige missen gedijt gregoriaans niet los op het podium, zonder bedding in de kerkdienst. Vanouds weet de kerk dat omgekeerd hetzelfde geldt. Zonder zang geen kerk. Ecclesia cantat aut non est -Kerk, zing of sterf. De SGV koos voor haar jubileum het weekend zorgvuldig uit- zondag Cantate.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden