Zijn ommekeer bracht geluk

Tammo Louissen 1942-2015

Hij kon hoekig en streng zijn, een man die gehecht is aan hoe het hoort. Maar aan tafel ontpopte hij zich als levensgenieter.

Toen hij op z'n 65ste een zware longontsteking opliep, was het kantje boord. In bed lag hij na te denken over zijn levensloop en hij begon te schrijven. Het zou misschien een dagboek worden, maar eerst haalde hij herinneringen op aan zijn jeugd.

Dat was een tijd geweest vol strijd. Hij was geen makkelijke jongen geweest, en dat is hij ook nooit geworden. De conflicten op school, met zijn ouders en vooral met zijn vader, stonden hem nog helder voor ogen. Zijn vader was een hoekige man geweest, streng en een driftkikker die hem een flink pak slaag kon geven. "Hij gebruikte handen en voeten tot ik sterk genoeg werd om hem af te weren", schreef hij in zijn ziekenhuisschrift. Toch had hij ook diep respect voor zijn vader, vooral omdat hij zich ontworsteld had aan een arm Drents boerenbestaan en omdat hij als bankemployé met geld en vervalsingen had meegeholpen aan het verzet tegen de Duitse bezetting.

Al schrijvende viel het hem op dat hij leek op zijn vader. Ook hijzelf was principieel en rechtlijnig, overtuigd van zijn gelijk dat hij graag luid verkondigde. En ook hij had het zwaar te stellen gehad met zijn opgroeiende kinderen, die op hun beurt ook geen makke lammeren waren. Het was goed gekomen met zijn vader, zoals hijzelf vrede had gesloten met zijn kinderen en de wereld. 'Mijn ommekeer' noemde hij dat in zijn ziekenhuisschrift. De jaren na die ommekeer en de zomervakanties in de bakkerij van een oom waren de gelukkigste tijden in zijn leven, schreef hij.

Tammo Louissen werd in het tweede bezettingsjaar geboren in Amsterdam, waar zijn vader werd voorbereid op hogere functies bij de Rotterdamsche Bank. Zo'n functie kwam beschikbaar in 1946, toen vader procuratiehouder en later directeur werd van het bankfiliaal in Veendam. Het gezin ging er boven de bank wonen. Na de lagere school ging hij naar de mulo, maar die school was te makkelijk voor hem. Van verveling zat hij te klieren in de klas. Hij werd naar de hbs in Stadskanaal gestuurd, twintig kilometer fietsen van huis. Hij noemde zijn schooltijd 'draaglijk maar niet leuk'. In zijn ziekenhuisschrift sprak hij over 'een groeiend gezagsconflict tussen de generaties'. Stilzitten kon hij ook moeilijk, hij wilde dingen dóen.

Zoals in de bakkerij van oom Berend, waar hij in de zomer hielp. Hij genoot van de wonderen die in de oven gebeurden. Mogelijk heeft hij daar zijn passie voor lekker eten opgelopen. Waar hij ook kwam in zijn latere leven, er moest een goede maaltijd op tafel komen.

Toen hij zijn hbs-diploma had, wilde hij alleen maar weg. Dat paste in de sfeer van die tijd. Massa's jongeren wilden weg uit Nederland, dat ze benauwend vonden. Tammo wilde varen, bij de marine of op de koopvaardij. Maar wegens een probleem met zijn gehoor werd hij afgekeurd. Zijn vader wilde dat zijn zoon in zijn voetsporen trad en Tammo ging in 1960 zonder veel enthousiasme economie studeren in Groningen. Van het studentenleven genoot hij wel. Bij de gereformeerde studentenvereniging Vera voerde hij het hoogste woord, lurkend aan een pijp zoals studenten dat deden.

In de weekeinden werkte hij als hulp in de psychiatrische inrichting Dennenoord in Zuidlaren. Dat werd een volledige baan toen hij na vijf jaar de brui gaf aan zijn studie.

Ook voor militaire dienst werd hij afgekeurd wegens zijn gehoor. Een aangeboren probleem met zijn longen speelde eveneens op en zou hem zijn leven lang blijven plagen.

Via een verzetskameraad van zijn vader kreeg hij werk bij de Hollandsche Sociëteit van Levensverzekeringen in Amsterdam, een voorloper van Delta Lloyd. In zijn vrije tijd ging hij graag naar het jeugdhuis van de gereformeerde Woestduinkerk, waar je ook kon eten. De andere jongeren keken op van zijn verschijning: in zijn streepjespak leek hij wel een ouderling, hij was al kaal en een beetje gezet. Hij deed overal aan mee en kon fanatiek klaverjassen om een cent. Tijdens een weekeindje weg in Beekbergen bestelde hij in een restaurant een gerecht voor twee personen. Hij zocht iemand die het met hem wilde delen. De apothekersassistente Cobi Brants wilde wel, maar ze had geen geld meer. Tammo zou het voorschieten. Het was het begin van een vriendschap die een jaar later leidde tot een verloving, en weer een jaar verder tot een huwelijk, in 1970. Cobi heeft die maaltijd nooit terugbetaald.

Ze mochten wonen boven de apotheek in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt, waar Cobi werkte. Toen ze kinderen wilden, stopte Cobi met werken en verhuisden ze naar tien hoog in Bijlmermeer, een gloednieuwe wijk die een droom voor gezinnen zou moeten worden. Dat ideaal pakte anders uit. Na vijf jaar vertrokken ze met hun beide zoontjes Bert en Willem naar een koopwoning in het Noord-Hollandse Wognum, waar ze nog twee dochters, Hinke en Margreet, zouden krijgen.

Tammo werkte inmiddels bij het accountantskantoor Klijnveld Kraaijenhof & Co, dat grootse plannen met hem had. 's Avonds en in de weekeinden studeerde hij voor accountant om partner in het kantoor te kunnen worden. Overdag forensde hij van Wognum naar Amsterdam. Maar de toekomst was hem te rooskleurig voorgesteld en hij vond in 1984 een baan bij een van zijn klanten, de munitiefabriek Eurometaal in Zaandan. Hij werd er hoofd van een afdeling, maar daar lag niet zijn kracht. Toen hij zelfstandig kon werken als financieel-econoom was hij meer op zijn plaats.

Hij liep graag even de fabriek in om te zien hoe het er toeging en met de arbeiders te praten. Dat vond hij beter dan ze op kantoor te ontbieden, zoals gebruikelijk. Al had hij meestal zijn opinies paraat, hij kon ook goed luisteren, zijn mening bijstellen en oplossingen vinden voor problemen.

Thuis was hij streng en volgens zijn kinderen zelfs onredelijk gehecht aan 'hoe het hoort'. Maar hij was ook gezellig, vooral bij de maaltijd. 's Zondags werd uitgebreid gegeten en als het echt bijzonder was dan gingen de kaarsen op tafel, en bediende Tammo zijn gezin in een zwart pak met strikje. Ook op de camping kookte hij soms uitgebreide diners, en dus werd zo'n beetje alle huisraad meegenomen.

Met de val van de Berlijnse Muur braken er slechte tijden aan voor de munitiefabriek. Tammo overleefde de ene na de andere ontslagronde tot zijn pensioen op z'n 61ste. Daarna werd de fabriek gesloten.

Het waren spanningsvolle jaren geweest, ook thuis met vier studerende kinderen die elk hun eigen wil konden poneren, zoals Tammo dat ook kon. Zijn gezondheid had er onder geleden, de ene na de andere kwaal belaagde hem. Toch verloor hij nooit de moed. Uiteindelijk kwam de 'ommekeer', zoals hij het noemde in zijn latere ziekenhuisnotities. Als gepensioneerde beleefde hij gelukkige jaren.

In zijn volkstuin verbouwde hij eindeloze hoeveelheden groenten en aardappels, volgens een goed doordachte oogstplanning. Ook toen zijn gezondheid achteruit ging, bleef hij familie en vrienden voorzien van kisten vol eten. Toen hem werd gevraagd om de financiën van mensen in problemen op orde te brengen, vond hij meteen een nieuwe afzetmarkt voor zijn moestuin.

Tammo zong in verscheidene koren, deed de administratie van verenigingen en de diaconie. Hij had 'de ziekte van penningmeester', zoals iemand zei. De drukte van uiteindelijk acht kleinkinderen was hem soms te veel, maar hij genoot als hij vertrouwde karaktertrekjes bespeurde. Ook al had hij continu zuurstofslangetjes in zijn neus, Tammo bleef van het leven genieten tot het laatste moment.

Tammo Louissen werd geboren op 1 januari 1942 in Amsterdam. Hij stierf op 20 maart 2015 in Wognum, Noord-Holland.

Al had hij meestal zijn opinies paraat, hij kon ook goed luisteren, zijn mening bijstellen en oplossingen vinden voor problemen

Tammo zou Cobi de maaltijd wel voorschieten, maar van terugbetalen is het nooit gekomen.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden