Zijn God is van een donkere schoonheid

De theoloog Matthias Smalbrugge hekelde in voorgaande artikelen het brave gemoraliseer van de kerken, 'als een christelijk filiaal van Amnesty en Greenpeace', en pleitte voor een vitale religie. Aan de hand van Augustinus - en van Dido en Aeneas - laat hij zien dat het leven een goddelijke komedie zonder moraal is. 'De slagkracht van zijn denken ligt op een vlak waar wij ons nauwelijks mee kunnen identificeren, maar dat onze cultuur diepgaand beïnvloedt: genade.'

door Matthias Smalbrugge

Nacht in Carthago, 383. In de haven wordt een schip gereed gemaakt om de oversteek te wagen naar Rome. Aan boord Augustinus met vrouw en zoon, een klein gezin op weg naar een nieuw leven. De stemming zal wel verwachtingsvol zijn geweest, vrolijk gespannen: zullen zij gaan delen in de faam van Rome en ligt daar een nieuwe bestemming? Iets verderop, in donker contrast, een volstrekt andere scène. In de havenkapel huilt en bidt Monica, de moeder van Augustinus: zou God haar zoon niet af willen houden van het vertrek? Smeekbeden waar ze Augustinus de hele tijd mee had nagelopen, waarna hij haar ten einde raad maar had gesuggereerd te gaan bidden in de havenkapel. Voor hem blijkbaar de enige mogelijkheid om de handen een paar uur vrij te hebben, geen beklag te hoeven aanhoren van een opdringerige moeder, en rustig te kunnen uitzeilen. Pas bij het verlaten van de kerk, merkt de moeder het bedrog; haar zoon heeft haar letterlijk omzeild.

De motieven in dit verhaal zijn velerlei. Natuurlijk springen de psychologische aspecten in het oog (moederbinding, conflictmijding, manipulatie en dwang), maar zij zijn niet het belangrijkste. Jaren later blikt Augustinus terug, erkent met wroeging zijn eigen rol, maar zal niettemin concluderen dat de eigenlijke regisseur van deze gebeurtenissen God zelf is: 'Maar gij, die hoog uw raad voltrekt en het hart van haar wensen verhoorde, gij hebt niet gezorgd voor dat wat zij op dat moment vroeg, juist om mij te maken tot dat wat zij altijd vroeg.' (Belijdenissen V, 8, 15) God dus als de eigenlijke vormgever van een leven, God die voorziet waar een mens nog lang in den blinde tast, God als degene die je wel kunt belijden, maar niet kunt kennen. God als een schoonheid die hoog en diep is, helder licht dat ook scherpe schaduwen krast in het individuele leven.

Misschien zijn dat wel de kernwoorden van het denken van deze grootste kerkvader: vorm, schoonheid, belijden en kennen. Op 13 november was het 1650 jaar geleden dat hij werd geboren (354-430). Getogen in het huidige Algerije en al snel naar Carthago gegaan om daar verder te studeren in de retorica. Vervolgens leraar in diezelfde stad. Intussen samenwonend met zijn vriendin, bij wie hij een kind, Adeodatus, krijgt. Gefascineerd door de wijsbegeerte, maar bepaaldelijk afhoudend tegenover het christendom dat zijn moeder aanhing. Later als hoogleraar naar Rome getrokken en vervolgens naar Milaan, waar hij een grote crisis meemaakt en zich bekeert tot het christendom (386). Daarna zijn leven lang werkzaam geweest als bisschop van Hippo, een kleine havenstad in zijn vaderland. In zijn tijd al befaamd theoloog, corresponderend met vrienden en vakgenoten overal ter wereld, drijvende kracht achter vele regionale concilies. Een groot schrijver, die als eerste het genre van de autobiografie beoefende (de Belijdenissen), maar die ook probeerde de ondergang van Rome in 410 in een ander, christelijk, licht te stellen (het werk De Stad Gods). Die er eveneens in slaagde een schitterende taal te ciseleren die iets laat zien van de pracht die hij ervoer bij het denken over de Drievuldigheid (De Drieëenheid).

Gelovig en briljant, begaafd psycholoog, maar ook een angstig mens. Een man die levens- en geloofslijnen niet kan tekenen zonder de zwarte gaten van het verlies eveneens in kaart te brengen. Denk bijvoorbeeld aan de breuk met zijn vrouw die hij onder dwang van zijn moeder, kort voor zijn bekering, wegstuurde. Of de dood van zijn zoon Adeodatus op 17-jarige leeftijd (389). Een man die in de neergaande antieke cultuur nieuwe perspectieven weet te creëren, maar ook treurt om de ondergang van die oude cultuur. Een denker die hele stukken neoplatoonse wijsbegeerte integreert in het christelijk gedachtegoed, maar juist de wijsgeren aan wie hij het meest schatplichtig is, scherp aanvalt. Kortom, een grensganger in vele aspecten van zijn leven, een man tussen licht en donker en je kunt zelfs de stelling wagen dat hij zijn leven lang gevochten heeft om het licht van geloof niet in de zwarte gaten van het verlies te laten verdwijnen.

Juist die vaak ingehouden spanning verleent een ongehoorde intensiteit en schoonheid aan zijn werk. Een genialiteit die hem plaatst temidden van de allergrootsten in de geschiedenis. Om maar eens een vergelijking te trekken: hij schilderde met zijn denkbeelden als het ware een theologische Sixtijnse kapel. Een koepel met volstrekt nieuwe perspectieven, een geheel nieuwe verbeelding van de ontmoeting tussen God en mens. Maar eveneens een koepel waarin het oude pantheon (de koepeltempel in Rome die gewijd was aan alle goden) nog haarscherp te herkennen viel.

En daar schuilen dan ook de scherpte en moeilijkheid van zijn denken. Want weliswaar is Augustinus zeer geliefd bij vele moderne lezers, de originele slagkracht van zijn denken staat op gespannen voet met het romantische beeld dat veelal opgeld doet. Wie in de Belijdenissen of enig ander boek leest, zal al snel het gevoel hebben Augustinus gemakkelijk te begrijpen. Hij zal geraakt worden door de bijna moderne wijze waarop Augustinus omgang met God zoekt. Je lijkt een man voor je te hebben die God niet langs de meetlat van het dogma legt, maar die een verrassend open omgang met Hem nastreeft. Nu eens rationeel van toon, dan weer heel mystiek. Kortom, een man die een ideale tijdgenoot lijkt, veeleer dan een herinnering uit een ver verleden. Lees hoe hij schrijft over God als verlangen en geheim:

'Maar wat heb ik nu lief, wanneer ik U liefheb? Geen schoonheid van een lichaam, geen luister van de tijd, geen lichtglans die mijn aardse ogen lief is, geen heerlijke melodieën van gevarieerd gezang, geen aangename geur van bloemen, reukwerken en specerijen, geen manna en geen honing, geen ledematen die welgevallig zijn aan de omhelzingen van het vlees; deze dingen zijn het niet die ik liefheb, wanneer ik mijn God liefheb.

En niettemin heb ik zo iets als een licht lief, zo iets als een stemgeluid, zo iets als een geur, zo iets als een spijs en zo iets als een omhelzing, wanneer ik mijn God liefheb, die licht is en stemgeluid en geur en spijs en omhelzing van mijn innerlijke mens, daar waar voor mijn ziel die lichtglans fonkelt, die door geen plaats wordt bevat, daar waar die klank weerklinkt die door geen tijd wordt weggerukt, daar waar die geur hangt die door geen wind verstrooid wordt, daar waar die smaak bestaat, die door geen gretig eten wordt verminderd, daar waar die omhelzing wordt gegeven, die door geen verzadiging losraakt. Dat is het wat ik liefheb wanneer ik mijn God liefheb.' (Belijdenissen X, 6, 8; vert. G. Wijdeveld)

Prachtige beelden die moeiteloos de 1600 jaar overbruggen die liggen tussen deze tekst en 2004. We identificeren ons maar al te graag met zo'n schrijver.

Toch ligt de echte slagkracht van zijn denken op een ander vlak, een vlak waar wij ons nauwelijks mee kunnen identificeren, maar dat onze cultuur veel diepgaander beïnvloedt dan bovenstaande tekst. Het komt voort uit de integratie die Augustinus bewerkstelligt tussen het oude pantheon en het christendom. Een symbiose die van het christendom een godsdienst zal maken die het leven kan verheffen, die als kern het heil van de mens heeft, maar tegelijkertijd belijdt dat verheffing en heil slechts door God alleen bewerkstelligd worden. Anders gezegd, verheffing en heil zijn toevalstreffers (in theologische termen: een kwestie van genade) en zij volgen niet uit de daden van een mens. Nee, de discontinuïteit tussen de menselijke inzet en het goddelijk handelen staat centraal, en heil en verheffing bevinden zich aan gene zijde van de breuk. Dat maakt het leven tot een goddelijke komedie zonder moraal, een spel met een duidelijke tekst maar met een open einde.

Om dat duidelijk te maken, terug naar het begin. Augustinus schreef die scène over de vlucht uit de haven met het beroemde verhaal van Dido en Aeneas voor ogen. Anders gezegd, hij stileert zijn eigen levensverhaal bewust naar een antiek voorbeeld. Het verhaal is bekend. Dido, de Carthaagse prinses, is smoorverliefd op Aeneas, een prins gevlucht uit het brandende Troje. De goden staan een verbintenis echter niet toe, want Aeneas' bestemming ligt elders, in het toekomstige Rome. Ondanks de smeekbeden van Dido, gehoorzaamt Aeneas en vaart onverwacht 's nachts uit, richting Rome. Dit zijn zijn woorden: 'Wij volgen U, heilige God, wie ge ook zijt en gehoorzamen opnieuw met gejuich aan uw bevel.' (Aeneas IV, 576-7).

Welnu, als dat de onderlaag is van de tekening die Augustinus schildert van zijn eigen vertrek en als die onderlaag zo bepalend is voor zijn eigen beleving, zou hij dan niet gemakkelijk Aeneas' woorden tot de zijne kunnen maken? En Diens God tot de zijne? Dat is niet onwaarschijnlijk, want hij was sterk beïnvloed door de geschriften van de apostel Paulus en nam van hem diens nadruk op het belang van de genade over. Genade (het geschenk van Gods aanwezigheid dat een mens in staat stelt God in de ogen te zien), zo legde Paulus uit, is nodig omdat mensen met hun daden toch niet in staat zijn zichzelf toegang tot God te verschaffen. Door dat morele deficit echter zo centraal te stellen, legde hij in feite een bom onder de rol van de moraal. Augustinus volgde hem daarin en laat het bijbelse element soepel samenvloeien met motieven uit de klassieke verhalen. Voor hem is het duidelijk: mensen kunnen zich tot het uiterste inspannen, maar geluk en ongeluk blijven toevalstreffers in het leven.

Als pastor en vader van een overleden kind wist hij bovendien dat het leven zulke wrede en ongehoorde wendingen kan nemen dat je niet zomaar lukraak over Gods barmhartigheid kunt spreken. Daar is het leven te vaak zinloos voor; het is amoreel omdat je het niet 'verdiend' hebt. Dat amorele aspect maakt dat Augustinus de rol van de genade steeds verder gaat uitwerken. Was deze in eerste instantie het geschenk van Gods aanwezigheid, het wordt later een bewuste keuze van God ten gunste of ten verderve van de enkeling. Want, zegt Augustinus, zo is ook de aard van de liefde. Zij staat en valt met een bewuste keuze van de een voor de ander en is geen algemeen rondzwervend gevoel waar iedereen in kan delen. God kiest en het is liefde of niet: God in de nacht van het bestaan of nacht in het levenslicht.

Niettemin, als God zo duidelijk het lot van de enkeling bepaalt zonder dat die daar invloed op uit kan oefenen, dan lijk je weer beland te zijn bij het oude Fatum. Krab lichtjes aan de kleuren van Augustinus' schildering en je ontdekt het oude pantheon. Weliswaar trachtte hij die harde kant van zijn godsbeeld te verzachten door nu eens de rol van de kerk, dan weer die van Christus als universele heilbrenger te benadrukken, maar het bleef een lapmiddel. Uiteindelijk is zijn God die van een donkere schoonheid.

Dat is dan ook de echte impact van zijn denken. Door Augustinus hebben we leren ontdekken dat er tussen ons denken over God en diens werkelijkheid een kloof gaapt. Een kloof die niet slechts kentheoretisch van aard is, maar zich afspeelt op het vlak van de heilsleer, de band tussen God en mens. Die band is amoreel, God verklaart het leven niet, geeft er geen algemene zin aan, hij kiest slechts deze of gene. Maar... die breuk verschaft een mens dus ook definitief een eigen speelruimte. Een ruimte om te denken over God zonder zich af te vragen of dat wel 'goed' is want de moraal doet even niet mee. Een ruimte om schoonheid en kunst te beoefenen zonder inmenging van de moraal, een ruimte om te geloven. Dat geloof gaat niet over alle goede daden die wij moeten verrichten, maar over de vraag wie de werkelijkheid van het leven vormgeeft en behoudt.

Uiteindelijk kun je in die breuk de eerste opmaat zien van de secularisatie. Die is immers niet slechts een negatief verschijnsel, maar vraagt aan kerk en theologie uit te gaan van het feit dat geluk en ongeluk zomaar over mensen heen vallen zonder dat God daar de verklaring voor kan zijn. Geluk en ongeluk die een mens doen zwijgen over Gods barmhartigheid, als zou je daar altijd op kunnen rekenen. Dat kun je niet. God is immers niet de ultieme verklaring van het leven, de laatste hulp, hij is de Tegenspeler die het leven tegen het licht houdt. Licht dat als liefde schittert tussen vervreemding en herkenning, tussen heil en eenzame nacht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden