Zijden jaren, zijden draden

Toen ik die avond nog aan een Klein Verslag over Bowie zat te schrijven, lag in Den Haag het kabinet onder vuur - er moest veel door het stof gegaan worden - en werd in Geldermalsen het gemeentehuis belaagd. Ik had net een nare opsomming over de jaren zeventig opgesteld met al zijn opkomende doem en staarde nu naar het heden.

Het viel mee. In Den Haag voltrok zich een reinigingsritueel rond het negende gebod en aan het eind stofte men zijn kleren af. In Geldermalsen ging het spookachtiger toe, met binnen in de zaal onze democratie in actie en daarbuiten een luidruchtige groep die aan die democratie zijn onwrikbare stellingen wilde toevoegen. Maar onwrikbaarheid en democratie sluiten elkaar uit. Een democratie buigt en rekt, zonder te breken, als riet in de wind.

Er is nog zoveel mogelijk, zoveel moois.

Ik dacht aan Bowie en aan het stukje dat ik schreef en aan hoe moeilijk het is werkelijk over te dragen wat muziek met je doet. Waarom somberde ik deze week mee over die jaren zeventig? Terwijl dat toch ook wonderlijk vormende jaren waren voor mij.

Golden years. Ik had me in die jaren de welhaast arrogante androgyne houding aangemeten van Bowie, droeg roze sjaaltjes van zijde in combinatie met een leren jack en danste in de lokale disco met een meisje dat erg op een jongen leek. Dansen in De Walvis.

'Riders on the storm' op de draaitafel. Die storm doorstond je heugwiegend, de ogen gesloten, en bij 'Sweet Jane' (de live-versie met het lange intro) trok je een vies gezicht en bewoog je zoals je Lou Reed in Carré had zien doen, vrijwel stilstaand maar met af en toe een uitschietend been. Toen ik Lou Reed later zag op de lp-hoes van 'Coney Island Baby' (I wanna play football for the coach) kocht ik een bolhoed bij de herenmodezaak in de stad, een echte. Hij was zwart en van binnen met witte zijde bekleed. Seventies. Ik had een ijskoude vriendin, ze was schitterend. Ik was bang voor haar.

Mijn vader was plotseling gestorven. Een accute hartstilstand, het was 1975, hij was net geen 55 geworden. Zeven kinderen. Mijn jongste broertje was drie. Ik een infanterist in opleiding in Oirschot. Op de kazerne kwam laat in de avond een telefoontje binnen. Ik werd van de slaapzaal gehaald. 'Bent u Wim Boevink?' vroeg een vreemde mannenstem. 'U spreekt met de politie in Hengelo.' Een soldaat van mijn peloton reed me 's nachts in een legerjeep naar huis. Flarden Bowie.

Don't let the sun blast your shadow

Don't let the milk float ride your mind.

Mijn moeder, in het licht van de deuropening.

Bij een carnaval, waar je, zoals Jan van Mersbergen schrijft, meer jezelf bent dan anders, droeg ik Bowie's bliksemschicht op mijn gezicht. Oh yeah.

Zijn mooiste nummer. 'Queen Bitch' misschien. Dat schreef Bowie ter ere van Lou Reed en zijn Velvets. Daar was die zijde weer in de kleding:

She's so swishy in her satin and tat

In her frock coat and bipperty-bopperty hat.

Ja, de jaren zeventig. Oliecrisis, kernwapens, aids. Maar ze waren mijn zijden jaren. Ze sponnen de breekbare levensdraden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden