Zij was de engel aan de Amstel

De uitvaart van majoor Bosshardt werd bijgewoond door hoogwaardigheidsbekleders, bekende Nederlanders en heilsoldaten, maar ook door daklozen. Op de Wallen bewezen zij met koorzang eer aan ’hun’ majoor.

De Koningskerk in Amsterdam-Oost had majoor Alida M. Bosshardt persoonlijk aangewezen als de plaats voor haar uitvaartdienst. Geen kerk van haar Leger, maar zo’n mooi licht gebouw. Elk jaar ging ze er even kijken, om te zien of er niets veranderd was. Alles moest licht en wit zijn op haar laatste tocht, ook de lijkwagen en de volgauto’s.

Zaterdag arriveerden er talrijke hoge en bekende gasten; premier Balkenende, oud-premier Kok, burgemeester Cohen, de grootmeesteres van koningin Beatrix. Maar ook Henny Huisman, Catherine Keyl, Willeke Alberti, zakenman Cor Boonstra, schilderes Ans Markus en natuurlijk programmamaker Rik Felderhof, die de majoor in 1996 met Herman Brood uitnodigde in zijn villa. In de badkuip schrobde ze de verbrande rug van Brood, alsof niet zij maar hij de oudevandagen was.

De uitvaartliturgie was sober, met stemmige blaasmuziek en liederen over de opstanding, alle door haarzelf gekozen. Dankbaarheid zette de toon, meer dan droefenis. De voorganger, commandant Reindert Schurink, haalde Matteüs 25 aan. ’Want ik had honger en u gaf mij te eten, ik had dorst en u gaf mij te drinken, ik was een vreemdeling en u verleende mij onderdak, ik was naakt en u gaf mij kleding, ik was ziek en u verzorgde mij, ik zat gevangen en u kwam mij bezoeken.’

De majoor, die haar hogere rang nooit voerde, had die opdracht als geen ander begrepen en geleefd, zei Schurink.

Sommige van de mensen die daarover mee kunnen praten, zaten ook in de kerk. Maar eerder al hadden zij op eigen wijze afscheid genomen van hun majoor.

Vrijdagavond. ’De Majoor is thuis’, hebben daklozen op een spandoek gekalkt. Het doek wappert aan de brug bij haar voormalige huis aan de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam, onder gebruikers bekend als ’de pillenbrug’. In de aangrenzende Febo staat het Amsterdamse daklozenkoor De Straatklinkers even op krachten te komen na een verregend optreden op de brug. Youssef zingt nog zachtjes na. ’Swing low, sweet chariot, coming for to carry me home.’

Maurits Smits, koorlid en organisator van de erewake, benadrukt dat hij en zijn makkers bepaald niet voor iedere nobele overledene in actie komen. Smits: „We hanteren strenge criteria. Het is zes jaar geleden voor het eerst gebeurd, na de dood van onze opperjunk Maria Wagener. Daarna niet meer. Wij zingen alleen als een persoon absoluut onomstreden is onder verslaafden, dak- en thuislozen. Voor ons is deze wake een onderdeel van het officiële staatsie-begrafenis-gebeuren.”

De eretitel voor de majoor moet overigens nog bedacht worden. ’De moeder Theresa van Amsterdam’, oppert Fabiola, koorlid en voormalig nachtburgemeester.

HP (Hoge Piet, woont bij het Leger) noemde haar altijd Goedhart, zegt hij terwijl hij zijn vuist tegen zijn borst houdt. Maar daar was hij de enige in.

Andy (grijs baardje, krukken onder zijn armen, woont in een caravan) houdt zich er niet zo mee bezig. Hij vindt het vooral ’ontzettend jammer’ dat de majoor dood is, want hij kent haar al zo’n vijftig jaar.

De betrokkenheid die de majoor aan de dag legde, ziet Andy niet meer zo bij het Leger des Heils. „Het is erg veranderd, in die halve eeuw. Ze zingen niet meer op straat.”

Nee, dan de tijd dat Bosshardts collega’s tante Jans en zuster To nog samen met de majoor optrokken – ’nou zijn ze alle drie dood’. Andy: „Op een avond haalde ik een kopje koffie bij een heilsoldaat. Ineens hoorde ik dat er herrie was, hier bij de brug. Zuster To vloog erop af. Toen kwam de majoor naar beneden, in haar nachthemd, om de ruzie te sussen. Blote voeten, haren los, geen bril op, geen tanden in haar mond. Als je haar zo had gezien, je had geen cent voor d’r gegeven.

Politieagenten hadden die ruziënde jongens al verjaagd, maar nu wilden ze die verwilderde vrouw arresteren. Zuster To riep: ’Niet doen, dat is majoor Bosshardt!’.

Toen is To het huis van de majoor in gerend. Even later kwam ze terug met wat attributen. Ze duwde de majoor haar tanden in de mond, schoof haar bril op haar neus en zette d’r hoedje op haar hoofd. Om te bewijzen dat zij het was.”

Rob Bril (joint in de hand, vilthoed op) wilde het nog tegen de majoor zeggen, maar hij heeft het haar bespaard. ’Dat ze er een klerezooi van hebben gemaakt, in haar buurtje’. „De spirit van Bosshardt is al een tijdje verdwenen. Ik kwam de majoor hier ’s nachts vaak tegen. Zij was één van de weinige mensen die hier in de buurt iets te vertellen hadden. Ik luister naar niemand, maar met haar heb ik nooit ruzie kunnen krijgen. Ze ging van de ene problementoestand in een kroeg naar de andere problementoestand in een andere kroeg. De majoor was verslaafd aan het leven.”

In korpszaal De Ruytenburgh aan de Oudezijds Achterburgwal schuifelen mensen langs de kist waarop haar bijbeltje ligt, naast haar tot op de draad versleten kaphoedje, een model dat al jaren niet meer gebruikt wordt. Er staan geen rijen, maar er is twee dagen lang aanloop.

Heilsoldaat Ben Dragstra (40) waakt bij de kist. Dragstra was de eerste openlijk homoseksuele heilssoldaat. Hij groeide in Drenthe op ’als kind van het regiment’. Homo zijn was onmogelijk, hij bad maar dat het over zou gaan en verloofde zich met een meisje.

Dragstra: „Toen ik als stagiair naar Amsterdam kwam, werd ik de chauffeur van de majoor. Op een gegeven moment had ik mijn verloving beëindigd. Ergens op de snelweg bij Utrecht legde de majoor haar hand op mijn knie en zei: ’Ben, heb je het uitgemaakt omdat je voor jezelf moet erkennen dat je op mannen valt?’

Ik schrok, mijn handen gleden van het stuur. Toen zei ze: ’Je mag best homoseksueel zijn lieverd, maar je moet wel doorrijden.’

Hoe ze het wist, dat weet Dragstra niet. Intuïtie, denkt hij, en mensenkennis. Vanaf dat moment heeft ze hem gesteund, ze leerde hem de Bijbel anders te interpreteren, en ze dronk heel wat kopjes koffie met Dragstra’s ouders – altijd als de majoor in het noorden moest zijn. En dan werd er stevig gepraat, want ’taboes kende ze niet’.

Dragstra: „Ze deed er niet ingewikkeld over. Als zij een lezing gaf en het onderwerp homoseksualiteit kwam ter sprake, zei ze ineens: ’Ik heb een ervaringsdeskundige meegebracht’ en dan moest ik me maar zien te redden voor die zaal. Ze dacht niet: misschien is dat moeilijk voor Ben.”

Uiteindelijk stond Dragstra met haar op de voorkant van de Gaykrant, halverwege de jaren negentig. „Haar authenticiteit was haar kracht”, zegt hij. „Haar gedrag is niet veranderd vanaf het moment dat al die media-aandacht begon, na die avond met prinses Beatrix. Ik denk dat ze er wel van genoot, hoewel ze ook wel eens zei: ’Ik ben geen christelijk animeermeisje’. Haar openheid was ook haar zwakte: ze kon geen nee zeggen. Daardoor liep ze het risico dat mensen misbruik van haar maakten. Soms had ik dat gevoel. Dat een bepaalde activiteit waar ze dan voor kwam opdraven, niet in haar belang was, noch in het belang van het Leger. Ze voelde zich snel schuldig als ze eens nee zei. Ze negeerde soms haar eigen grenzen.”

Zaterdag gaat de stoet in de stralende zon stapvoets langs de huizen waar de majoor heeft gewerkt en geleefd. Hier en daar klinkt er applaus, maar nergens massale rouwtaferelen zoals bij Pim, Herman of Dré. Het is geen dood die woede wekt.

Voor Goodwillburgh, de serviceflat van het Leger des Heils aan de Anne Frankstraat, het laatste huis van de majoor, staan bewoners en heilsoldaten te wachten op de stoet.

„Ik ben één van haar kinderen”, zegt Hendrina ter Horst (79), leunend op haar rollator met zuurstoffles, slangetje in haar neus. „In de oorlog ben ik met mijn drie zusjes bij de majoor terecht gekomen. Ik was dertien, mijn jongste zusje was net geboren. Zij heeft ons de hele oorlog van hot naar haar gesleept. We hebben op dertien adressen gezeten.”

Ze zit in de stress; ze moet naar de uitvaart, maar het busje van de gemeente dat haar er naar toe moet brengen komt niet opdagen. Als ze aan de majoor denkt, komen er tranen. Ter Horst: „Ze was mijn moeder. Ze was argeloos. Ze zorgde voor eten en alles. Ze riskeerde haar leven voor ons en veel andere kinderen. Ze heeft nog eens veertien dagen vastgezeten bij de Kommandatur. Maar toen lieten ze de deur open staan en heeft ze de benen genomen.”

Ter Horst en haar zussen hebben ervoor gezorgd dat Bosshardt de Yad Vashem-onderscheiding kreeg. Wie had kunnen bedenken dat ze ooit als huisgenoten zouden eindigen? Ter Horst: „Ik woon niet op haar gang, maar ik zag haar geregeld. En als ik haar niet zag, dan hoorde ik haar stem door de muren.”

Op de Wallen weten ze waar het de majoor om te doen was. „Ze kon niet tegen onrecht”, zegt een dakloze die niet met zijn naam in de krant wil. „Ze haalde een man achter het Centraal Station vandaan, van wie iedereen wist dat hij een moordenaar was. Hij lag daar al een tijdje half dood te vriezen. Ze liep op hem af en zei: ’En nou ga je mee naar binnen. Met acht graden vorst ligt niemand op straat!’ Als een klein kind liep-ie voor d’r uit naar de Gastenburgh. Daar werd-ie een beetje ontdooid. Even later kwam zij binnen en regelde een slaapplaats voor hem.

Ook al was er geen plek meer, Bosshardt had altijd plek. Bij de buren. Bij de kroegbaas. Achter in de nachtclub. Ergens op de Zeedijk, op een zolder. En niemand haalde ooit iets rottigs uit, als hij van haar een plekje had gehad.”

Majoor Bosshardt is bijgezet in het graf van het Leger des Heils, op begraafplaats De Nieuwe Ooster en ’met een vol saluut bevorderd tot Heerlijkheid’. Volgens Job Cohen was zij ’de engel aan de Amstel’. Nog een titel die ze nooit zal voeren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden