Zij vanille Ik mokka

Ze zullen vast iets meekrijgen van mijn creoolse roots, dacht Olaf Stomp toen hij kinderen kreeg. Maar zijn zoon en dochter hebben een lelieblanke huid en groenblauwe ogen. "Stiekem hoopte ik dat ze later bij zouden kleuren."

OLAF STOMP

Is dat je vader?" Zijn toon gaat bij het laatste woord flink omhoog. Mijn dochter en ik zitten in de intercity van Amsterdam naar Utrecht. Ze stelt mij voor aan een studievriend die ze toevallig treft in het gangpad. Ik zie zijn ogen van haar naar mij springen.

Geef hem ongelijk. Zij: vanillevel, blauwgroene ogen, donker haar (dat nog wel). Ik: mokkakleurig, diepbruine ogen, zwart haar. Feit: de creoolse helft van mijn genen heeft het afgelegd tegen het robuuste Drentse erfelijk materiaal van mijn echtgenote. Voordat we samen kinderen kregen, was ik ervan overtuigd dat mijn afkomst een garantie was voor een etnisch keurmerk bij het aankomend nageslacht. De naklank van wat ik over erfelijkheidsleer had opgestoken op de middelbare school: bruin dominant, blauw recessief. Het liep anders. Toch geloof ik nog steeds dat ik hun vader ben, ik vertrouw mijn vrouw namelijk op haar blauwe ogen. Zelfs als onze zoon de eerste jaren van zijn leven nog blonder blijkt dan zijn oudere zus. Mijn eerste keer bij de crèche, aan het eind van de middag:

"Zijn moeder heeft vanochtend niet gezegd dat iemand anders hem komt halen." (Protocol).

"Ik ben zijn vader."

"Eh." (Verwarring).

Godzijdank speelt dreumeszoon voor reddende engel als de leidster hem even later uit de aangrenzende speelkamer haalt. Zij houdt hem stevig in haar armen. Het jochie strekt zijn armpjes reikhalzend uit naar de wachtende man voor hem. "Papa!"

He's a good boy.

De crècheleidsters stamelt verontschuldigingen aan mijn adres. Ik zeg dat ik het snap en dat het niet erg is.

Een leuk verhaal voor later op feestjes en partijen.

Er zijn tal van situaties geweest als deze waarin anderen met al dan niet zichtbare verbazing reageren op de bloedband tussen mij en mijn kinderen. Soms mengde nakroost zich zelf in de kwestie. Mijn zoon, flink wat jaren na het voorval in de crèche: "Pap, ik vraag me af hoe de andere kinderen en ouders naar jou en mij kijken. Ze geloven vast niet dat ik echt jouw zoon ben. Ja, dat ik geadopteerd ben waarschijnlijk." Je kunt als kind niet op je verwekker lijken, andere neus, andere mond, maar als de vader een kleurtje heeft en daar bij jou volstrekt niets van te zien is, is dat kennelijk nogal awkward voor ze.

Ik ben dat in de loop van de jaren steeds meer als een fact of life gaan zien, waarover ik mijn schouders probeerde op te halen. Voer voor vermakelijke anekdotes inderdaad.

Maar een opmerking van de Britse schrijfster Zadie Smith, raakte onlangs toch een gevoelige snaar. Arnon Grunberg interviewde haar in De Balie, onder andere deze krant deed er verslag van. Smith schrijft romans waarin ze op een originele en humorvolle manier thema's als culturele identiteit en multiraciale huwelijken de revue laat passeren. Van binnenuit: ze is de dochter van een Jamaicaanse moeder en een witte, Britse vader. Zadie heeft twee blonde, witte kinderen, waarin ze qua uiterlijk niets van zichzelf herkent. Een merkwaardige en vervreemdende ervaring, bekent ze, die ze maar moeilijk kon accepteren. Het is haar eerlijkheid die me raakt en de wijze waarop ze verwoordt wat ik lang heb weggestopt.

Hoe diep geworteld toch, dat genetisch verlangen: mijn kind moet op mij lijken. Ik vond Zadie's boeken al goed, fijn om in haar ook nog eens een lotgenoot te weten. Ik herinner me ineens weer dat ik toen de kinderen nog klein waren stiekem hoopte dat ze later bij zouden kleuren.

Het gebeurde niet.

Niet erg, hamerde ik me er bij mezelf in. Ze zijn gezond, dat is wat telt. Je bent be-

voorrecht met hen. Weg met dat egoding. "Je kinderen zijn je kinderen niet. Zij komen door je, maar zijn niet van je, en hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe." Mooie woorden van de Libanese schrijver Kahlil Gibran. Maar er is kennelijk een andere auteur (Zadie Smith) voor nodig om me te realiseren dat niets menselijks me vreemd is. De hunkering om mezelf in mijn kinderen terug te zien. En hoe zou dat zijn voor adoptieouders? Juist gemakkelijker om dat menselijke verlangen naast zich neer te leggen omdat er geen biologische band is? Of toch een horde die eerst genomen moet worden? Ik troost mezelf inmiddels met de gedachte dat mijn beide kinderen over talenten beschikken die overduidelijk in de mannelijke familielijn ontspringen. Een waarheid als een koe die mijn vrouw overigens, als notoire spelbreker, weer durft te betwijfelen. Dat er in haar familie ook talentvolle enzovoort...

Dan is er nog een raciale kwestie die Zadie opwerpt in het interview. Ze vertelt met prettige zelfspot hoe ze haar eigen blondjes dwingt om naar Jamaicaanse muziek te luisteren. En dat ze zich er ongemakkelijk bij voelt, want een beetje gekunsteld is het wel. Maar kennelijk vindt ze de pedagogische waarde van die rootsinjectie groot genoeg om zich over haar schroom heen te zetten. Ik herken haar ambivalente houding: je kijkt in de blauwgroene ogen van je kinderen met hun roomblanke velletjes. Wat geef je hun mee over de geschiedenis die een flink eind over de kleurlijn ligt?

"Was opa creools?", whatsappte mijn dochter een keer naar me. Het was omstreeks middernacht. Subtekst: graag per ommegaande antwoord want ik moet stante pede aan mijn vriendinnen een feitelijk juiste weergave kunnen leveren. De familie als gezelschapsspel. Een andere keer vertelt ze me dit: "Weet je wat de moeder van D. laatst zei toen ze mij op een foto zag staan?"

"Nee."

"Is dat meisje Antilliaanse?"

Ik meen te horen dat trots de ondertoon is van haar verbazing.

Zadie's woorden maken dat ik me afvraag of ik zelf ben tekortgeschoten in het raciale opvoedingsrepertoire. Heb ik de verhalen over mijn eigen wortels en dus die van hen er te weinig met de paplepel ingegoten?

De enige rootsreis die we gezamenlijk maakten naar mijn geboorte-eiland Curaçao ligt al lang achter ons. "Kijk, daar is het tehuis waar jullie overgrootmoeder woonde!", riep ik naar de twee op de achterbank en keek verwachtingsvol in de binnenspiegel van onze huurauto. Maar mijn woorden gingen verloren vanwege de veldslag om de discman met kinderliedjes die tussen hen in lag. Misschien waren ze te jong en moet de reis nog een keer over.

Grootvaderschap dient zich nog lang niet aan. Tenminste, laten we hopen dat mijn kinderen zo verstandig zijn nog even te wachten met reproductie. Toch fantaseer ik af en toe over de rol die zich misschien over een jaar of tien aandient. Deo volente, want de natuur en de omstandigheden laten zich niet dwingen. En diep van binnen hoop ik dat er zich met terugwerkende kracht iets van dat creoolse voorouderschap manifesteert. Bijvoorbeeld in de vorm van een licht getint velletje van dat kleinkind. Dat de wetten van de erfelijkheidsleer zich alsnog laten gelden. Tegelijkertijd schaam ik me voor de hardnekkigheid van de hunkering om een kleurvlag na te laten, twee generaties na mij. Toch puur dat egoding? Of kan ik me beroepen op dat onverwoestbaar genetisch verlangen? Ik zou er met Zadie graag een boom over willen opzetten.

*Het gehele interview met Zadie Smith is hier te bekijken: vimeo.com/124427077

undefined

Reageren

Lijken uw kinderen op u? Herkent u zichzelf in uw zoon of dochter, of zijn het totaal andere persoonlijkheden? En hoe vindt u dat? Schrijf het ons, in maximaal 150 woorden. tijdpost@trouw.nl

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden