'Zíj hebben Jezus niet vermoord'

Menigeen in Oost en West ziet in gedachten al de tijden van de kruistochten herleven: een bloedige confrontatie tussen moslims en 'de anderen'. Maar spoort dit met de realiteit zoals die al twaalf eeuwen bestaat? Een historisch overzicht.

Kruistocht - het begrip heeft nieuwe actualiteit gekregen sinds de terreuraanslagen in New York en Washington. Bush nam het woord ('per ongeluk') in de mond toen hij zijn mondiale veldtocht tegen het islamitisch terrorisme wilde omschrijven. En in kringen rond Bin Laden gebruiken ze de term onbekommerd om er de strijd tegen de 'Amerikaanse Satan' mee te typeren. Zo wordt Huntingtons 'botsing tussen beschavingen' zogenaamd van een historisch fundament voorzien.

In werkelijkheid bevatte de omgang tussen de islam en het Westen door de eeuwen heen heel wat meer grijstinten dan de zwart-wit tekening in beide 'kampen' suggereert. Die realiteit leert dat West-Europa zich tot de 11de eeuw nauwelijks voor de islam interesseerde. Er waren wel wat contacten met al Andalus, het door de Moren bezette Spanje en Portugal, maar die gingen niet veel verder dan de vage indrukken die schaarse bezoekers als de Franse monniken Usuardus en Odilardus (circa 950) mee naar huis brachten.

Het feit dat de Arabieren grote delen van het Middellandse-Zeegebied beheersten en de paus in Italië eind 9de eeuw zelfs schatting moest betalen aan de emir van Siqiliya (Sicilië), wiens gebied zich uitstrekte tot aan Rome, deed wel de angst maar niet de interesse voor de islam toenemen.

Omgekeerd voelden de moslims geen enkele behoefte zich te verdiepen in een cultuur die lichtjaren achterliep bij die van hen. Vergeleken bij een glanzende metropool als Cordoba was Parijs, toen de grootste en meest culturele stad in West-Europa, een achterlijk dorp. De Andalusiër al-Said noemde de mensen aan de andere kant van de Pyreneeën ,,humorloze lieden zonder enige scherpzinnigheid''.

De kruistochten (1095-1270) versterkten de geringschatting alleen maar. De moslims in het Midden-Oosten beschouwden de Frankische kruisvaarders als barbaren: grof, onhygiënisch, bijgelovig en onwetend. Dat waren ze natuurlijk ook.

Toch is er in die twee eeuwen veel minder sprake geweest van een heilige oorlog tussen christendom en islam dan fundamentalisten nu suggereren. Er was aan moslimkant nauwelijks treurnis om het verlies van Jeruzalem en men deed geen beloften om de stad in naam van Allah terug te winnen. De Turkse veldheren Zengi, Nur-ad-Din en Salah ad-Din -laatstgenoemde het grote voorbeeld van Bin Ladens medestrijder Ayman Zwahiri- bleken tussen 1140 en 1200 de enigen die het begrip djihad op de kruisvaarders van toepassing verklaarden. Nadien ebde dit idee weer snel weg.

Op hun beurt waren de kruisvaarders evenmin uit op een all-out war tegen de islam. Zij hadden een beperkt doel voor ogen: de ongestoorde pelgrimage naar de heilige plaatsen herstellen van vóór de Turkse invasie.

De reconquista oftewel de herovering van het Iberisch schiereiland op de Moren (1031-1492) bracht, veel meer dan de kruistochten, het Westen serieus in contact met de islamitische wetenschap en cultuur. De kruisvaarders in Palestina en Syrië pasten zich oppervlakkig aan, in inheemse kleding en gebruiken, maar voor de verworvenheden van de Arabische wetenschap toonden ze geen belangstelling.

Dat was bij de herovering van Spanje en Portugal anders. Wat niet wil zeggen dat de westerse geleerden die in het kielzog van de christelijke reconquistadores het schiereiland binnenstroomden, gefascineerd waren door de islam. Het ging hen om het herontdekken van de eigen klassieke cultuur die via Arabische vertalingen bewaard was gebleven. Daarnaast interesseerden ze zich voor zaken waarmee ze concreet hun voordeel konden doen: ontdekkingen op het gebied van geneeskunde, mathematica en astronomie. De Arabische literatuur en de islamitische religie (theologie, recht, mystiek) bleven buiten hun interesseveld.

Zelfs de Duitse keizer en koning van Sicilië Frederik II von Hohenstaufen (1215-1250), die zich omringde met Arabische filosofen en een intellectuele correspondentie in het Arabisch onderhield met de Egyptische sultan, interesseerde zich niet voor hun religie.

Toen men zich ten slotte wel met de islam als godsdienst ging bezighouden -de koranvertaling van Cluny uit 1140 en Monte Croce's 'Weerlegging van de Koran' van rond 1300- gebeurde dat alleen om de 'morele verwerpelijkheid' ervan aan de kaak te stellen. Dat duurde tot diep in de 18de eeuw. Verbeterde koranvertalingen van oriëntalisten als Adriaan Reland en George Sale ten spijt noemde Voltaire in zijn tragedie De dweper Mohammed nog steeds een ordinaire bedrieger.

Dit alles verhinderde niet dat er sinds de Middeleeuwen politieke betrekkingen en handelsrelaties ontstonden tussen christenen en moslims in de landen rond de Middellandse Zee. In de 17de eeuw speelden Nederlanders daarbij een belangrijke rol. Samen met Fransen en Engelsen vestigden ze aan de kust van Noord-Afrika handelsposten en consulaire gezantschappen en gaven zo een aanzet tot latere koloniale expansie in het gebied van de islam.

Veel eerder sloten de kruisvaarders in Palestina en Syrië al handelsakkoorden en coalities met Turkse machthebbers. Toen midden 12de eeuw de Arabier Ibn Djoebajr door het christelijke koninkrijk Jeruzalem trok, zag hij tot zijn grote verbazing dat de sji'iten in het Frankisch gebied beter behandeld werden dan in de soennitische moslimstaten. De kruisridders waren vaak feller gebeten op de oosterse christenen dan op de moslims.

Maar al kregen veel kruisvaarders waardering voor hun islamitische tegenstrevers, toch werd ook bij hen de grens snel bereikt als het ging om geloofszaken. Zo bleef Willem van Tyrus, in het midden van de 12de eeuw kanselier van Jeruzalem, ondanks vriendschappen met diverse moslims, Mohammed beschouwen als ,,de eerstgeborene van Satan''.

In het Westen zelf was dat nog erger. Daar wakkerde een mengsel van onkunde en wanbegrip allerlei vooroordelen aan tegen moslims. Dit leidde ten slotte tot een formele breuk, vastgelegd in twee conciliedecreten (1179 en 1216). Iedere christen die dienst deed in het huis van een moslim of zaken met hem deed, kon rekenen op excommunicatie door de rk kerk. Later ging men nog een stap verder door de overgebleven moslims eerst uit Italië te verbannen (1301) en vervolgens uit Spanje (1610).

De Reformatie had al evenmin veel op met de islam. Niet voor niets tekende Maarten Luther voor de Duitse vertaling van het haatgeschrift van Monte Croce. De expansie van het Ottomaanse rijk over de Balkan (1500-1700) vergrootte de vrees voor een islamitische overheersing en daarmee het westers ressentiment tegen moslims. Al was de animositeit nooit zo diep als tegen de joden. Moslims mochten dan niet deugen, 'ze hadden in elk geval Christus niet vermoord'.

In de moslimlanden bleek evenmin alles koek en ei. Christenen werden -en worden!- er als tweederangs burgers behandeld. 'De voorwaarden van Omar', genoemd naar de tweede opvolger van Mohammed, Omar ibn al-Khattab, eisten van hen dat ze zich tegenover moslims nederig gedroegen, een speciale belasting betaalden en afwijkende kleren aantrokken.

In enkele gevallen liep dit even gierend uit de hand als tijdens het bloedbad onder moslims na de inname van Jeruzalem in 1099. Het afslachten van christenen na de herovering van Edessa (1144) en Akko( 1291) en de moord op de christelijke Armeniërs (1915/16) bewijzen dat.

Terwijl de kruistochten en vooral de reconquista voor het Westen een economisch-culturele omwenteling inluidden, verviel het islamitische Oosten in de eeuwen daarna sluipend maar zeker tot verval en conservatisme. Vanaf de 16de eeuw verplaatste het centrum van politieke macht, wetenschap en culturele beschaving zich steeds meer in westelijke richting. Het vrije theologische onderzoek verstarde, belangrijke uitvindingen werden niet meer gedaan, de welvaart nam af.

Om de Libanees Amin Maalouf, schrijver van de studie Rovers, christenhonden, vrouwenschenners (1984) te citeren: ,,De moslimwereld (schrompelde) ineen, werd onverschillig, onverdraagzaam, defensief, onvruchtbaar. Deze eigenschappen verergerden naarmate de ontwikkeling van de andere 'wereld' vorderde en de Arabische zich meer buitengesloten voelde.''

In 1798 werd de rekening gepresenteerd. Dat jaar bezette Napoleon, toen nog generaal Bonaparte, met verbluffend gemak Egypte en kwam het Midden-Oosten voor het eerst oog in oog te staan met haar eigen achterstand. De barbaren van weleer bleken economisch, militair en wetenschappelijk beter ontwikkeld dan de Arabieren van nu. Het zette menigeen aan het denken. Maalouf: ,,Moest ze (de moslimgemeenschap) haar culturele en religieuze identiteit behouden en zo het modernisme dat het Westen karakteriseerde verwerpen? Of diende ze juist vastberaden de weg van de modernisering in te slaan en het risico te nemen haar identiteit te verliezen?''

In de honderd jaar die volgden wonnen beide vragen aan actualiteit, toen het Europese kolonialisme veel ingrijpender repercussies bleek te hebben dan alle kruistochten bij elkaar. Van Algiers tot en met Jakarta ondervond de moslimwereld de vernederende consequenties van het westers imperialisme.

Dat Westen reageerde op de islamitische onmacht precies als vroeger de moslimwereld op Europa: met arrogantie én met de misvatting dat obscurantisme en intellectueel conformisme inherent zijn aan de islam. Al in 1811 stelde de Franse auteur Chateaubriand dat ,,Arabieren schreeuwen om de weldadige interventie van het beschaafde Westen''. De nagalm hiervan klinkt door in de recente uitspraak van premier Berlusconi dat de westerse cultuur superieur is aan die van de islam.

De afgelopen eeuw zochten moslims afwisselend hun heil bij, op linkse ideologieën gestoeld, seculier nationalisme en bij een teruggrijpen naar de oude, klassieke waarden, al dan niet gepaard met terroristisch geweld. Moslims wisten het koloniale juk af te schudden, maar alle pogingen om een adequaat eigen antwoord te vinden op de binnendringende moderniteit blijven vooralsnog zonder succes. Dat geldt voor Iran, voor Turkije, Egypte, Indonesië en zeker voor de Afghaanse Taliban. Zelfs Osama bin Laden en zijn aanhangers maken bij hun terreuracties uitvoerig gebruik van de westerse technologie.

In het Westen lijkt de immigratie van miljoenen moslims bij de autochtone meerderheid haar latente argwaan jegens de islam eerder te versterken dan te verkleinen. Alleen zijn de oude, op religieuze vooroordelen gestoelde vijandbeelden vervangen door een geseculariseerde variant. Nu is de islam niet meer 'de vijand van het christendom', maar van 'onze sociale en culturele verworvenheden'.

De Rushdie-affaire en de aanslagen in de VS vormen voor velen het sluitend bewijs dat de islam niet verenigbaar is met de fundamentele waarden van het Westen: democratie, gelijkheid tussen de seksen, vrijheid van meningsuiting en godsdienst, scheiding tussen kerk en staat. Al is momenteel de nieuwsgierigheid naar de islam groter dan ooit tevoren.

Net als in het verleden beletten de problemen beide partijen niet om met elkaar handel te drijven en als het zo uitkomt mekaar politiek in de armen te vallen. Toen de Taliban Kaboel innamen vond Chris Taggart, vice-president van de Amerikaanse oliemaatschappij Unical, dit een ,,positieve ontwikkeling''. En nadat de ultra-orthodoxe Saoedi's in conflict waren geraakt met het eveneens door moslims bewoonde Irak schroomden ze niet de hulp in te roepen van de 'ongelovigen' uit de Verenigde Staten. Zo is de historische cirkel weer rond.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden