Zij bestormen de stad, die in slaap en wijn is begraven

Als een literaire held eenmaal klassiek is geworden leert elke generatie die opnieuw kennen. Je hoeft het boek zelf niet eens gelezen te hebben, er verschijnt toch wel een (nieuwe) film over. En na de film wel weer een plaquette zoniet een monument. Van de film wel te verstaan. Het klassieke boek schenkt op eigen houtje kennelijk nog onvoldoende verbeelding, de helden moeten ook te zien, te voelen, ronduit tastbaar zijn. De lezer wil vervoerd en bedrogen worden en daarna ook nog eens bij de literaire held op schoot. Shakespeare kan Hamlets lief in een handomdraai zelfmoord laten plegen, maar in welke rivier deed Ophelia dat precies? Van welke oever valt dat het beste te fotograferen? En kan ik daar een kaartje voor kopen? Vandaag het eerste deel van een serie over letterlijk literaire helden: Het Paard van Troje in het Turkse Truva.

Als je het busstation van Izmir eenmaal hebt overwonnen, of het nu een zondagochtend in maart is of niet, kunnen alleen nog maar onbeduidende obstakels je weg naar Troje kruisen. Tussen de vangrails langs viaducten worden schapen- en zooienmarkten gehouden, en die vormen nog een rustpunt tussen de onafgebroken verkeersstroom van walmende auto's, bussen, brommers en klepperende ezels met karren zonder lading. Op het platteland is het geen kunst, maar wil je in de grote Turkse steden de juiste bus van de beste busonderneming en het juiste kaartje bij het juiste loket zien te bemachtigen, dan moet je over enige behendigheidstactiek beschikken. Is het gelukt om het legertje popcorn-, kralen-, zoete broodjesverkopers en agenten van de tientallen concurrerende busondernemingen te omzeilen en je ter oriëntering twee seconden stil staat, dan zit je voet - of juist daardoor wel - plotseling in de schoenpoetsklem gevangen. De Albanese vrouw die het busstation van Izmir op haar duimpje kent slalomt volleerd door de mensenmassa en keert met het kaartje voor Truva of Trova als oorlogsbuit wapperend in de loodrecht gestrekte hand naar het perron terug. Voor zijn bus staat de chauffeur in ratelend tempo de eindbestemming aan te prijzen ('Çanakkale! Çanakkale! Çanakkale!') alsof hij de beste zwaardvis van het land aan de man moet brengen. Passagiers en achterblijvers zwaaien elkaar op z'n Turks ten afscheid: korte, niet-uitwaaierende polsbeweging, de bovenarm tegen het lichaam geklemd. Maar wat moet je in Truva, de sufste uithoek van Turkije? wil de Albanese op de valreep nog weten. De uitleg Het Paard te zien en dat te beklimmen overtuigt haar niet onmiddellijk, maar de bus rijdt al.

De chauffeur lijkt vanaf de eerste kilometers de stal al te ruiken ook al ligt die nog zes uur rijden noordwaarts. Alles wat zich voor z'n wielen bevindt haalt hij met onverschrokken gemak in; tractoren en muildierdrijvers met takkenbossen toetert hij simpelweg de berm in. Pas geknotte olijfgaarden, cipressen en minaretten, witroze tinteling van amandelbloesem, palmen en witte populieren, markten met alleen manden en aardewerken potten, onvoltooide stapelbouw tegen de berghellingen, begraafplaatsen en kazernes, reclameborden langs de weg in evenveel lettertypen als er kleuren op staan. De bus rijdt langs, over en door de bergen, naast de zee, soms vrijwel in de vloedlijn en doorkruist rivieren met en zonder water. Draaiende betonmortels passeren, vrachtwagens torenhoog beladen met stro, takken en schapenwol, mannen in de berm zoals die overal ter wereld in de berm staan - eerder op zichzelf dan op welke bus ook wachtend. Het is niet het schoonste gebied van Turkije, naarmate de reis vordert wordt het landschap afgetrapter. Stenen en schapen vormen de enige bewoners.

In de bus gaat de bijrijder met limonade en bisküi rond en besprenkelt hij handpalmen met het citroenreukwater zonder welke je geen Turkse busreis volbrengt. De zoetheid van oosterse tabak mengt zich met de eau de cologne. Op de Turkish Airlines-vlucht naar Istanbul mopperden Nederlandse passagiers al over de in het toestel hangende geur van knoflook en olijf. Nederlanders - dat staat in elke reisgids - mopperen vaak en graag, en hebben het daardoor waarschijnlijk te druk om te beseffen dat vliegtuigtapijt al het grondgebied van de thuishaven is. Zo-dra de mens zich gaat verplaatsen ontstaan er, als bedriegelijk vanzelf, kennelijk moeilijkheden. Vroeger of later ontstaan die ook wel als je blijft zitten waar je zit, want een olijfopstand ontbrandt net zo makkelijk als een kabeljauwse twist of een Geitenoorlog om een Turks/Griekse rots ergens in zee.

Truva of Troje was al niet groot en wat er nu van over is doet een krachtig beroep op je verbeeldingsvermogen. Ostia Antica, Knossos en Ephese zijn nog steeds steden met schouders, Troje is een ingevallen gehucht. De Duitse amateur-archeoloog Heinrich Schliemann nam Homerus' Ilias zo letterlijk dat hij aan het tragische en verdichte verhaal van Troje niet genoeg had. Troje moest en zou bestaan, want ook al zag de blinde Homerus de stad nimmer - het is niet eens zeker of Homerus ooit leefde, als persoon althans; als dichter onbetwist - hij heeft het toch zeker zelf beschreven! Schliemann vond zijn eigen Troje in 1873 op de heuvel Hisarlik, zo'n dertig kilometer ten zuiden van de huidige havenplaats Çanakkale.

De heuvel ligt niet meer aan zee, maar je kunt de Dardanellen wel zien liggen. Tractoren trekken voren door het grasland, zeemeeuwen cirkelen boven de opgegraven stadsmuren, het theater en een handvol afgebroken pilaren. Een ruïne, niet meer en niet minder.

Op dezelfde plek zijn negen Trojes opgegraven (van 3000 voor tot 600 na Christus) maar Troje VI (1700 - 1250 voor Christus) is de gewichtigste want van Homerus en dus ook van Helena en Paris, van Hektor en zijn vader koning Priamus. Op wat verwijzingen na schrijft Homerus niet eens over Het Paard - hij laat Troje, dat schone 'Ilion', in zijn Ilias symbolisch ten onder gaan. Als de Trojaan Hektor door de Griek Achilles verslagen, zijn lichaam drie keer rond Patroklos' graf gesleurd, aan de honden beloofd maar uiteindelijk aan de Trojanen is teruggeven, eindigt de Ilias. Met Hektors dood vond Homerus Troje's val al verpletterend genoeg:

Daarna wierpen ze snel een grafheuvel op. Rond de stadburcht / zaten de mannen op wacht om niet door een plotselinge aanval / van de gescheenkaapte Grieken te worden verrast. Toen de grafterp / klaar was, keerden de mannen terug naar de stadsburcht. Vervolgens, / kwamen ze allen, om er een vorstelijk lijkmaal te houden, / samen in Priamos' huis, hun door Zeus gezegende koning. / Zo dan bestelden ze Hektor, de paardentemmer, ter aarde.

(Ilias/De wrok van Achilles, in de hexameters van De Roy van Zuydewijn.)

In de 'Odyssee' blikt Homerus nog even kort naar Troje terug in het lied van Demodokos, 'de vereerde zanger die bij het volk zo geliefd was'.

Een god inspireerde de zanger zijn lied te beginnen, / waar de Achaeërs, aan boord van hun stevige schepen gesprongen, / wegvoeren, na in de tenten het vuur te hebben geworpen, / en de beroemde Odysseus temidden van andere Grieken / zich op de markt der Trojanen in 't houten paard had verscholen, / dat door het volk der Trojanen zelf naar de stadsburcht gesleept was. / Daar stond het, terwijl om het paard heen de mannen van Troje / in een verhitte discussie een drietal plannen bespraken: / óf het genadeloos brons in het holle gevaarte te stoten, / of het de burcht op te slepen en daar van de rotsen te werpen, / of het tot eer van de goden als wijgeschenk daar te laten, - dat was precies waar de zaak tenslotte op uitliep. Want Troje / was het beschoren ten onder te gaan, zodra zich het houten / paard in zijn midden bevond, waarin alle voorname Achae-ërs / zaten, om dood en verderf aan het volk der Trojanen te brengen.

In tegenstelling tot Homerus heeft de Romein Vergilius wel degelijk bestaan, al zette hij nooit voet op Trojaanse bodem. Vergilius smeedde met 'De val van Troje - Het verhaal van Aeneas, zang 2' alsnog een epiloog aan de 'Ilias' en verhaalt van het paard dat Odysseus verzon om de stad na 20 jaar belegering op de knieën te krijgen. In de ver-taling van Gerard Koolschijn:

Gebroken door oorlog, door het noodlot verslagen / bouwen de Griekse leiders, nu al zoveel jaren vergleden, / met Pallas' goddelijke kunst een paard zo groot / als een berg, de ribben met balken van dennen doorweven. / 'Een wijgeschenk voor de terugkeer,' huichelen zij: dat gerucht / zwerft rond. Heimelijk worden hier lijven van mannen, / door het lot aangewezen, in blinde flanken gesloten, de buik / wordt tot diep in de enorme holte met wapens en troepen gevuld. (...) Het geopende paard brengt hen / terug in de lucht, uit het holle hout tonen zich, blij,/ Thessandrus en Sthenelus, leiders, de ellendige Ulixes, / glijdend langs een neergelaten touw, Acamas, Thoas, / Peleus' kleinzoon Neoptolemus en Machaon als eerste, / Menelaüs, en de listige bouwer, Epeüs zelf. Zij bestormen / de stad, die in slaap en wijn is begraven. De wacht wordt geveld, / door de open poort ontvangen zij al hun trawanten, / de colonnes in het komplot worden verbonden.

Op het kruispunt pal voor Schliemanns Troje woedt een ander, nogal hedendaags complot. Dat tussen middenstander en toerist. Op elke hoek een bazaar waar je de 'schatten van Troje' kunt kopen en waar je op plastic, ranjarode stoelen Efes- of Marmarabier kunt drinken. Café Ilion, Café Helen & Paris, Restaurant Koning Priamos, Camping Helena. Hoewel in de jaren zeventig gebouwd is 'Restaurant Helen' al weer aan restauratie toe. Gelukkig nergens een Trojaans hobbelpaard voor de kleutertoerist te bekennen of een machine die gaat wiebelen als je er een muntje in werpt. In de toiletten wijzen afbeeldingen van Paris en Helena naar de mannen- en vrouwenafdeling.

Wat verstopt tussen de horecaklontering opeens het bord met de oproep: 'Achtung! Schliemanns Hütte mit Andenken'. Het huis van Schliemann herbergt wat ingelijste krantenpagina's en een foto van Schliemanns (Atheense) vrouw Sophia met een diadeem van Troje op het hoofd. Schliemanns huis is nep. Een ploeg van de Noord-Duitse televisie bouwde de hut in 1982 'naar foto's en tekeningen' tijdens het maken van een film over Schliemanns leven en liet het decorstuk maar voor zijn Trojaanse ruïne staan.

Eindelijk, pal achter de ingang van de negen opgegraven Trojes, dient zich Het Paard zelf aan. Op een betonnen sokkel en opgetrokken uit roodbruin hout. Onbeweeglijk, de benen half schrap zettend, kin op de borst alsof ie strak gemend wordt, peinzende en toch ontspannen blik - een replica van zichzelf. Als sculptuur is het zo'n vreemd paard nog niet. De manen feestelijk gekamd en in kanteelmotief gezaagd, de staart een samengebonden bos dunne houtslierten. Een trap tussen de achterbenen, de even natuurlijke als functionele plek, voert naar de romp die de vorm van een marinesloep heeft. Zeker van binnenuit gezien, waar zo'n twintig mensen in een ovaal tegen de spanten kunnen zitten en uit kozijnen kunnen kijken. Een binnentrap in de sloep leidt naar de houten duiventil die het paard torst, Odysseus' cockpit. Hier is ruimte voor een man of acht. Hij staat stevig op de benen, maar als je je eigen lichaam heen en weer schudt, beweegt Het Paard. Een ijzige toendrawind laat de hangende raamluiken klapperen. 'Zo groot als een berg' is Het Paard niet: hij blijft nog onder de toppen van de vier cipressen die hem als de torens op het schaakbord omvierkanten. De ramen in zijn romp zijn misschien sculpturaal decoratief, maar geven mythologisch gezien te denken: elke Trojaan met een beetje Sesamstraatkennis begrijpt toch dat daar achter die luikjes ook mensen moeten wonen.

Truva zelf is geen dorp meer; om te achterhalen uit welk hout Het Paard bestaat, wat de hippische, historische en sculpturale zienswijze van de architect is en wat die zoal nog meer gebouwd heeft, moet je naar de VVV van het nabijgelegen Çanakkale. Als daar vier klanten tegelijk binnenkomen is het kantoortje prompt overbevolkt. Kom je ook nog eens met zo'n plotselinge vragenvloed aanzetten, dan dreigt het gebouwtje even door de eigen knieën te zwikken. Misschien is het verstandiger om de vragen achter te laten en de antwoorden morgen op te halen. Opluchting alom.

Maar ook de volgende dag zijn de vragen nog steeds vragen. Een Turk die toevallig bij de VVV thee kwam drinken, biedt aan om naar het gemeentehuis te gaan waar de wethouder van cultuur opheldering zal verschaffen. Het stadhuis oogt als een kazerne, met ooit gele muren en veel open en dichtgaande deuren. Er wordt hoorbaar op authentieke tikmachines gewerkt, er komen mannen met mappen langs. Achter de deur van 'Il kültür müdürü' zetelt een goedgekapte en maatgeklede bestuurder die elk moment van de dag gestoord wordt en daardoor wel over permanent verstoorde blik en stem beschikken moet. VERVOLG OP PAGINA 19

Niet bekend

Çanakkale ligt, net als Troje, op de strategischste plek van Europa en Klein-Azië samen. Op de toegang tot de Dardanellen, waar elk schip met bestemming Middellandse Zee, Byzantium, Constantinopel of Istanbul en Zwarte tot en met Kaspische Zee doorheen moet. Troje heeft waarschijnlijk zijn rijkdom (en afgunst) te danken aan die mythologische en historische plek, vanwaar je uiterst effectief tol kunt heffen of, al naar gelang luim of honger, een passerend vrachtschip aan de ketting kunt leggen. Of die nou het ms 'Helena' heet of niet. Het kasteel dat Mehmet de Veroveraar in 1450 tegenover Troje bouwde heet Kilitbahir - Slot op de Zee.

Onder de vlag van de Eerste Wereldoorlog - bijoorlogen zijn altijd bloediger dan de officiële oorlog zelf - wist Winston Churchill niet alleen Engelse troepen, maar ook duizenden Franse, Australische en Nieuw-Zeelandse manschappen naar de Dardanellen te krijgen om de zeepoort van Oost en West te bezetten teneinde 'een vrije doorvaart te garanderen'. In de Slag om Gallipoli verdreven de Turken onder leiding van Mustafa Kemal, de latere Atatürk, de geallieerden naar waar ze vandaan kwamen. Woorden voor een Franse biefstuk - satobrian - en Britse pont - feribot - bleven tot op de dag van vandaag in Turkije achter.

In een grasveldje aan de oever van Çanakkale staat het ranke vaartuig de 'Nusrat', die 's nachts door de Dardanellen trok om de zeemijnen te leggen waarvan de geallieerden dachten dat ze die de dag ervoor hadden opgeruimd. Net als Atatürk speelt de 'Nusrat' nog steeds een heldenrol in Turkije. Maar klim je aan boord, en loop je over het benedendek met de glanzende plavuizen dan slaat ernstige twijfel toe: een mijnenlegger met een plavuizen vloer? Dat is iets voor zoetwatergarnalen op een love boat-dansant. En dan blijkt - teleurstelling op teleurstelling! - de 'Nusrat' net zo nep als de hut van Schliemann. Duitsers bouwden het schip in 1980 na om de verbeelding maar weer eens aan de macht te krijgen.

De verwoesting van Troje ontspringt van begin tot einde uit een buik. Letterlijk en vooral figuurlijk. Koning Priamus van Troje krijgt van zijn vrouw Hekabe een nachtmerrie te horen. Daarin ziet Hekabe vlammen uit haar buik komen, die vervolgens heel Troje in nevelen en vuur zetten. Hekabe is zwanger van Paris, volgens een ziener degene die Troje's ondergang zal veroorzaken. Dat heeft de ziener goed gezien. Om aan dit voorzegde lot te ontsnappen moet Paris dood, maar de Trojaanse baby belandt op de berg Ida waar herders hem opvoeden en hij tot schone en - voor zolang als dat duurt - rechtschapen jongeling uitgroeit. De godinnen Hera, Pallas Athena en Aphrodite zien dat onder hun ogen aan zich voltrekken. Als kijvende pubers willen zij onderling weten wie de mooiste godin van de Olympus is en wijzen - aangezien de mannelijke goden daar te laf voor zijn - het onkreukbare mensenkind Paris als oordeelveller aan. Paris stribbelt tegen, hij vindt ze wijselijk alledrie even mooi, maar wordt tot een keus gedwongen. 'De blankarmige Hera' belooft hem Azië en rijkdom als hij haar aanwijst, Athena zegt Paris onoverwinnelijkheid, schoonheid en wijsheid toe en Aphrodite zal hem de mooiste vrouw ter wereld schenken: Helena. Voor Aphrodite's aanbod zwicht de jonge Trojaan. Alle betrokkenen weten dat Helena aan Menelaus, koning van Sparta toebehoort, maar ach, dat is toch maar een ouwe Griek. Paris verleidt Helena en kaapt de schoonste vrouw als wereldbuit. Weliswaar met zeer menselijke trekken, maar het zijn die drie behaagzieke godinnen die de oorlog om Troje beginnen.

Water en schepen spelen nog steeds een essentiële rol in het hedendaagse Troje dat Çanakkale heet. Hier komen en gaan de veerboten, kleiner dan die van Vlissingen-Breskens, die het autoverkeer met Europees en Aziatisch Turkije verbinden. Opeens, zomaar op een nacht met heldere halve maan, kun je van iets anders dan het angstaanjagende Allah-geschreeuw uit de minaretten wakker schrikken. Onder je ogen blijkt zich een overzettwist te ontwikkelen. Vrachtwagens uit Syrië, Jordanië, Griekenland, Bulgarije en Hongarije verdringen zich voor het hek bij de veerboot. Ze kunnen er niet allemaal tegelijk op, en toch is dat precies wat ze proberen. Geschreeuw, getoeter, verschillende talen weerkaatsen over het water, er vallen klappen, de zichtbaar gewapende en witgehelmde havenpolitie komt tussenbeide. Maar daardoor breidt de ruzie zich van wal naar water uit. Vanaf het achterdek schreeuwen de al ingescheepte chauffeurs naar de wal, waar de vechters het schip ophouden. Kapitein en stuurlui komen naar de andere brug terug om te zien hoe de havenpolitie vordert. Na een uur vertraging vertrekt de veerboot alsnog.

Tegen die tijd schijnt een waterig zonnetje over de Dardanellen, krijst de minaret voor het ochtendgebed en gaat met veel luikgeratel het havenwinkeltje met de speelgoedpaardjes van Troje weer open. Wel degelijk replica's van het Paard van Troje. En van echt hout.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden