'ZIEN MOET GIJ, ZIEN, ZIEN!'

Als president Ong Ten Cheong van Singapore het gratieverzoek van koningin Beatrix naast zich neerlegt, wordt binnenkort de Nederlander Johannes van Damme opgehangen wegens drugsmokkel. De nieuwe minister van Justitie Sorgdrager is tegen, maar een groeiend percentage Nederlanders (43 %) blijkt volgens het Sociaal Cultureel Planbureau voor herinvoering van de doodstraf te zijn. Van de jongeren zegt zelfs meer dan de helft de doodstraf terug te willen. De minister heeft de geschiedenis aan haar zijde. Al in 1860 werd in Nederland de laatste misdadiger van staatswege ter dood gebracht. Dat gebeurde in Maastricht op het schavot voor het stadhuis. Duizenden nieuwsgierigen keken toe. Bijna tien jaar later werd de doodstraf afgeschaft. De criminoloog Herman Franke gaat in op de felle discussies in pers en parlement die daaraan voorafgingen.

De voorouders van Koningin Beatrix waren niet altijd zo mild. Tussen 1814 en 1870 kregen de Oranjevorsten ruim 400 gratieverzoeken onder ogen. In 75 gevallen werd geen gratie verleend en stierven de veroordeelden op het schavot. Johan Nathan, de laatste misdadiger die gehangen werd, had zijn schoonmoeder beroofd en vermoord. Hij ontkende alles. Berouw toonde hij pas na de verwerping van zijn cassatieverzoek.

Zo ooit 'een ongelukkige, een rouwvolle misdadiger' bij het 'grievendst leedwezen over zijn wandaad' gesmeekt had hem het leven te schenken, dan was hij het wel, schreef Nathan aan Willem III. En als 'het opregste berouw' een gratiebesluit kon beinvloeden, dan mocht hij 'opregte hoop' koesteren. De koning liet zich door dit galgenberouw niet vermurwen.

De doodstraf staat inmiddels ver af van de Nederlandse strafcultuur. Vooral in de maatschappelijke bovenlagen, en zeker in kringen van strafrechtsdeskundigen en politici (op enkele kleine christelijke partijen na), is de doodstraf taboe. De argumenten tegen de straf liggen al heel lang op tafel: de doodstraf schrikt potentiële moordenaars niet af, treft (evenals de gevangenisstraf) vooral de sociaal zwakkeren, kan tot onherstelbare juridische fouten en de dood van onschuldigen leiden, bemoeilijkt het aanbrengen van gradaties in straffen (een incidentele moordenaar wordt even zwaar gestraft als een serial killer), is een vorm van wraak, is moord van overheidswege, botst met het geloof in de verbeterbaarheid van mensen en tast uiteindelijk als een boemerang de publieke moraal aan.

Al in de 18e eeuw, toen de doodstraf nog op gruwelijke werd voltrokken en de lijken van misdadigers wekenlang op galgenvelden hingen te rotten, werden deze argumenten tegen de doodstraf ingebracht, maar gevoelens van wraak en vergelding overheersten.

Vooral na de Franse tijd groeide in Nederland, evenals in andere westerse landen, de gevoelsmatige weerzin tegen het openbaar ter dood brengen van misdadigers. In Nederland kreeg de doodstraf al gauw een politieke lading. De bedreigde conservatieve regenten-aristocratie verzette zich tegen de afschaffing, terwijl de progressieve liberale burgerij er juist voor was. Toen Willem II in 1848 zo schrok van de revolutionaire gebeurtenissen in Frankrijk, dat hij de toch al zo machtige Nederlandse burgerij per decreet de politieke macht in de schoot wierp, ging het dan ook snel.

Op liberaal-burgerlijk iniatief verdwenen in 1854 eerst de op afschrik berustende schavotstraffen als geselen en brandmerken. De doodstraf werd steeds vaker via gratie omgezet in gevangenisstraf en uiteindelijk afgeschaft.

In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw overheerste het geloof in een gunstige ontwikkeling van de misdadigheid. Het grote publiek leed, afgaande op toenmalige kranten en geschriften, veel minder onder gevoelens van onveiligheid dan later in de eeuw en in onze tijd. In de nieuwe politieke verhoudingen groeide het hebben van weerzin tegen openbare strafvoltrekkingen uit tot een vorm van beschaafd gedrag, waaraan ook conservatieve voorstanders van de straf hadden te voldoen, wilden zij niet voor barbaren worden uitgemaakt door de liberale nieuwlichters.

In 1859 schreef het Weekblad van het Regt dat 'brave, stille ingezeten' van de doodstraf gruwden. De 'bloedige voorstelling' zou alleen bijgewoond worden 'door lieden, die in een kwaden reuk staan, en weinig deugen; er wordt gevochten, getwist, gemoord en gestolen'. Het 'akelige schouwspel' van de een na laatste executie (juni 1860 in Gouda) van P. Pijnacker wegens doodslag en diefstal, trok nog steeds enorm veel kijkers, vooral van het platteland, maar volgens een plaatselijke courant werd de jeugd op school 'van dit droevig tooneel' verwijderd gehouden.

Van de laatste executie in Amsterdam (1854) van de drievoudige moordenaar Heinrich Kemper gaf de Amsterdamsche Courant op de voorpagina een zeer uitvoerig verslag. Het deftige Algemeen Handelsblad strafte deze volkse sensatiezucht van de hoofdstedelijke concurrent fijntjes af: “Wij zijn te zeer overtuigd van het gezond verstand van onze lezers, dan dat zij van ons zouden verwachten uitvoerige mededeelingen omtrent de laatste oogenblikken, de gemoedsstemming, de woorden, den doodsnik van den diep gevallen mensch. Aan de menschelijke geregtigheid is voldaan. De ongelukkige staat thans voor den regterstoel van God!”.

Tussen 1850 en 1860 werden er van de 79 uitgesproken doodstraffen nog 8 voltrokken. Maar de weerstand er tegen was zo groot dat Minister van Justitie Boot in 1859 voorstelde de doodstraf uit te voeren 'op eene plaats, door de muren der gevangenis of op andere wijze voor het algemeen ontoegankelijk en onzigtbaar'. Zolang de uitvoering duurde, zouden er klokken geluid moeten worden. De minister wees er op dat beschaafde mensen thuis bleven tijdens een executie, maar dat 'lieden uit de lagere klassen der bevolking' zich lang te voren op het strafplein verdrongen. Hij trok het wetsvoorstel snel weer in omdat een geheime voltrekking in Nederland als een ondemocratische vorm van 'mollen' of afmaken gezien werd. Het zou de indruk wekken dat men iets deed dat het daglicht niet kon velen. Dat men in de ons omringende landen wel overging tot executies zonder publiek (op afgelegen plekken vroeg in de ochtend, binnen gevangenismuren) verklaart voor een belangrijk deel dat de doodstraf daar niet werd afgeschaft. De straf verdween uit het oog en daarmee uit het hart. Daarmee werd de angel uit het verzet tegen de straf getrokken.

Nadat op 31 oktober 1860 aan Johan Nathan in Maastricht de twijfelachtig eer te beurt viel als laatste misdadiger op het schavot te sterven, werd elk verzoek tot gratie ingewilligd. Gezien de sfeer rond deze laatste executie was dat niet verwonderlijk. De terechtstelling had veel weg van een verboden handeling. Samen met een geestelijke, de beul en een beulsknecht liep hij, bewaakt door gendarmes, door verlaten straten. De gordijnen waren gesloten en kinderen werden binnengehouden. Voor het stadhuis waar het schavot stond opgesteld, viel een beklemmende stilte toen de stoet naderde. Om klokslag tien uur 's ochtends legde de beul een strop om zijn hals en even later liet hij het luik vallen. Nederland had een misdadiger minder.

De vaste gratieverlening na 1860 was een doorn in het oog van strafrechtsdeskundigen. Men eiste uit respect voor de wet afschaffing van de straf of tenuitvoerlegging. Het was een goed argument, maar steeds opnieuw werd duidelijk dat de doodstraf vooral verfoeid werd vanwege het gruwelijk en onbeschaafd gevonden karakter van de openbare uitvoering, wat overigens niet hetzelfde is als mededogen met misdadigers. Met dat mededogen viel het wel mee, gezien de gelijktijdig gedane voorstellen het toch al zo harde gevangenisleven nog verder te verzwaren. De heren maakten het zich bijzonder moeilijk door juist het 'gevoelsargument' terzijde te schuiven. Of, zoals Minister van Justitie Borret de kamerleden in 1867 voorhield: 'Dáár moeten rede en beginselen, niet het gevoel beslissen'. Maar de strafrechtsgeleerde Van Deinse schreef hoe moeilijk de gevoelens zich lieten wegdrukken door 'theoretische redeneringen' als men getuige was geweest van een executie 'met hare veelvuldige bijzonderheden en ijzingwekkende tooneelen'. Dominee Laurillard gaf tegenstanders van de afschaffing dringend het advies: 'Zien, moet gij, zien, zien!'.

En zo verging het velen. Zij wierpen zich in de discussie met lange, redelijke en wetenschappelijke betogen, maar tussen de regels door bleek steeds hoe zeer zij de straf uit het oogpunt van gevoel en beschaving verafschuwden. Inmiddels werden ook buiten het parlement en juristenkringen om initiatieven ontplooid ter afschaffing van de doodstraf. In 1863 pleitte het bestuur van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen voor afschaffing van de straf omdat zij 'kwalijk overeen te brengen is met juistere begrippen van regt, zedelijkheid en christelijke beschaving'. Het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen en het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen stuurden aan de koning een adres waarin op afschaffing werd aangedrongen.

De teksten ervan illustreren hoe optimistisch grote delen van de gegoede burgerij dachten en voelden met betrekking tot misdaad en straf. 'Andere tijden, andere zeden!', liet het Utrechts genootschap weten. “De doodstraf moge, even als de vroeger onmisbare lijfstraffen, een der steunpilaren van den Staat geacht zijn, een der wapenen om misdadigers in bedwang te houden, dank zij den voortgang der beschaving en den weldadigen invloed der godsdienst, worden de booze driften en hartstogten in onze dagen, - niet zozeer door afschrik en geweld, als door gezag der rede en van redelijke wetten beteugeld.”

Er kwamen handtekeningenacties en congressen. Eind 1869 gaf Minister van Justitie Van Lilaar toe aan de druk met wetsvoorstel tot afschaffing. Het Dagblad van Zuid-holland en 's Gravenhage, dat zich steeds fel tegen de afschaffing had opgesteld, zag de ontwikkelingen knarsetandend aan: “Groot is het geklank en geschal van degenen die partij trekken vóór de moordenaars tegen de vermoorden, vóór de wolven tegen de schapen, vóór de vossen tegen de hoenders”. Honderden leden van de gereformeerde kerken en kerkbesturen stuurden brieven aan de Kamer om de afschaffing op bijbelse gronden te voorkomen. Maar de strijd was gestreden. De liberale minister Van Lilaar concludeerde dat de straf 'zonder eenige gevaar voor de openbare rust en orde kan verdwijnen en dus verdwijnen moet'.

In zijn Memorie van Toelichting kwamen alle verlichte denkbeelden over het strafrecht aan de orde: de zedelijke verbetering van misdadigers, het verlaten van het afschrikbeginsel en de stelling dat niet de wreedheid van de straf misdaden voorkomt, maar de zekerheid dat straf op het kwaad volgt. Van Lilaar meende dat naarmate de wreedheid verminderde, de openbare veiligheid was toegenomen: “Heeft men in Nederland niet jaren lang het geeselen en brandmerken verdedigd, op grond dat de rust en orde in de maatschappij deze barbaarsche strafoefeningen zouden vorderen? Zijn ook deze niet onder de kracht der openbare meening bezweken, lang vóórdat de wet er het doodvonnis over uitsprak? Wie wenscht ze nu terug?”.

De beraadslagingen in de Tweede Kamer duurden een volle week. Nog één keer werden de stellingen betrokken en wezen de voorstanders van de afschaffing tussen alle rationele argumentaties en statistische gegevens door op de voortgang der beschaving, op de veredeling van gevoelens, op de barbaarsheid van de zedeloze strafvoltrekkingen en op de omstandigheid dat een executie nu 'eene rilling door het land zou doen gaan'.

De tegenstanders betichtten hun opponenten van 'ziekelijke philantropie', trokken de cijfers in twijfel, waarschuwden voor chaos en deden nog eens het voorstel de straf in het geheim te voltrekken. Maar de wettelijke afschaffing viel niet meer tegen te houden en lang daarvoor was de straf al uit het hart van vele Nederlanders gebannen. En niet alleen uit het hart van het beschaafde deel der natie, zoals Van Lilaar in zijn antwoord op de discussies beweerde. Volgens hem had men bij de laatste executie in Maastricht slechts met veel moeite een schipper bereid gevonden het schavot vanuit Amsterdam te vervoeren. En de schipper die uiteindelijk toestemde vroeg meer geld voor het klusje dan zijn hele schip waard was.

Op 20 mei 1870 werd de doodstraf met 48 tegen 30 stemmen afgeschaft. Op 15 september volgde de Eerste Kamer met 20 tegen 18 stemmen. Daarmee liep Nederland strafrechtelijk voorop in de wereld. Het Weekblad van het Regt meldde dat het verafschuwde en besmette schavot een week eerder al 'voor brandhout' was verkocht 'voor de aanzienlijke som van f43,60'. Bij Koninklijk Besluit werden de beul en zijn assistenten op wachtgeld gesteld. Het Algemeen Handelsblad schreef over de ontknoping van de doodstrafdiscussie: 'Het schavot is in Nederland thans door de wet afgeschaft. Moge het nimmer weder verrijzen'.

Op misdaden waarop voorheen de doodstraf stond, had de afschaffing geen meetbaar negatief effect. Toch zouden nog heel lang opzienbarende of elkaar snel opvolgende moorden tot pleidooien en acties voor herinvoering van de doodstraf leiden. Het feit dat de dubbele moordenaar Hendrik Jut in 1876 niet meer gehangen kon worden, leidde tot een kermisattractie waarbij het volk hem tot op de dag van vandaag een kopje kleiner kan maken. Bij de beraadslagingen over het Wetboek van Strafrecht werd in 1880 naar aanleiding van de moord op een 13-jarig jongetje een amendement ter herinvoering van de doodstraf ingediend, dat onder andere door De Savornin Lohman emotioneel werd verdedigd: “Het volk eischt terecht dat de geregtigheid gewroken worde, en wij moeten het volk sterken in dat besef, want het is door geregtigheid dat een volk verhoogd wordt”.

Andere kamerleden voerden op soortgelijke wijze het woord. De liberale Minister van Justitie Modderman weersprak hen op hautaine wijze. Van opgeklopte verwijzingen naar de volkswil moest hij niets hebben. Hij meende dat hervorming van het strafrecht slechts mogelijk was 'wanneer denkers en wetgevers de moed hebben iets wijzer te zijn dan het volk'. Het amendement werd met 41 tegen 21 stemmen verworpen. In 1981 werd de doodstraf ook uit het militaire strafrecht geschrapt door in de grondwet een bepaling op te nemen die de doodstraf onder alle omstandigheden uitsluit. Dit staat weer buiten de doodstraf voor de tientallen personen - onder wie Mussert - die na de tweede wereldoorlog in het kader van de bijzonder strafrechtspleging werden geëxecuteerd.

Het percentage Nederlanders dat voor de doodstraf zegt te zijn, schommelt nogal. In 1950 was 36 procent van de ondervraagden voor herinvoering, in 1975 was dat 47 procent en in 1992 opnieuw nog maar 36 procent. Nu is dat percentage weer opgelopen tot 43 procent. De jongeren vinden zelfs in meerderheid dat de doodstraf terugmoet. Deze percentages zeggen niet zoveel. Ik denk dat heel veel jongeren van de nix-generatie zo vaak naar MTV, Amerikaanse politieseries en zichzelf staren dat de enqueteur ze eerst moest vertellen dat wij geen doodstraf kennen. Met iets meer informatie en wat discussie draait de mening gauw om.

De treurige percentages wijzen meer op een algemeen gevoel van onveiligheid en twijfel aan de slagkracht van het justitiële apparaat. Aan die twijfel hebben ook journalistieke opinieleiders bijgedragen die Nederland voortdurend als een paradijs voor criminelen afschilderen en die nu in hun columns verschrikt vaststellen dat de jeugd zo hard over misdaadbestrijding denkt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden