Zieltjes winnen en geld verdienen De propagandafilms van de omroepen

'Radio in beeld, Nederlandse omroepfilms 1931-1955' door Bert Hogenkamp en Edward J. Borsboom, Stichting Film en Wetenschap. Prijs: 20 gulden. Fragmenten uit omroepfilms zijn ook te zien op de koopvideo 'Radio in beeld' (39,50 gulden), verkrijgbaar bij het Omroepmuseum: 035-885858.

Twee acteurs en een actrice in mantelpak staan voor de microfoon, terwijl de regisseur achter het glas contact houdt met 'de man in de geluidenkamer'. “Geef mij even wat regen”, hoor je Kleijn roepen, waarop je in de studio ernaast een man in de weer ziet met een microfoon bij een badkuip waarin douchekoppen zijn gemonteerd. Storm en regen uit de badkuip, onweer en paardehoeven van de grammofoonplaat. Voor veel radioluisteraars zullen deze beelden een openbaring zijn geweest. Vertrouwde stemmen als die van Karel Prior en voetbalverslaggever Han Hollander kregen ineens een gezicht in wat we nu de 'omroepfilms' noemen.

In de jaren dertig tot en met vijftig zijn er in totaal zo'n 32 van deze films in opdracht van de omroepen gemaakt. Rolprenten met klinkende titels als 'Uw onbekende huisgenoot', 'In vol bedrijf' en 'Avro's glorie', die de luisteraar nader lieten kennismaken met zijn of haar omroepvereniging. Met een reizende bioscoop trokken de films door het hele land. De voorstellingen werden, à la 'De Bonte Dinsdagavondtrein', opgeluisterd met persoonlijke optredens van omroepcoryfeeën, komische acts als Snip en Snap of een live-optreden van The Ramblers.

Toch waren de films niet alleen bedoeld als algemeen vermaak. “De omroepen hadden daar wel degelijk een bedoeling mee”, vertelt Bert Hogenkamp, filmhistoricus en medewerker bij de Stichting Film en Wetenschap, die in het kader van het 75-jarig jubileum van de omroep een boek schreef over de geschiedenis van omroepfilms. Hogenkamp: “Toen er nog geen televisie bestond bepaalden deze films het gezicht van de omroepen. Vóór de oorlog waren het vooral educatief en informatief getinte films, waarin het medium radio als 'nieuw technologisch wonder' werd gepresenteerd. Na de oorlog, toen de radio al was ingeburgerd, speelden ze vooral een grote rol bij het uitdragen van de eigen identiteit. Ze gaven een beeld van hoe de omroepverenigingen zichzelf graag zagen.”

Laait de discussie over de legitimatie van het publieke bestel tegenwoordig af en toe hoog op, eind jaren veertig zaten de omroepen volgens Hogenkamp korte tijd in een vergelijkbare identiteitscrisis. Door het soms dubieuze gedrag in de oorlogsjaren (tijdens de bezetting draaiden de omroepen aanvankelijk onder Duitse leiding gewoon door en werden joodse medewerkers ontslagen; in '42 hieven de omroepen zichzelf op) rees na de bevrijding de vraag of de Nederlandse omroep nog wel op dezelfde voet door moest gaan. Hogenkamp: “Voor de omroepverenigingen was een verantwoording tegenover de eigen achterban van levensbelang. Die achterban zou wel eens minder stabiel kunnen zijn dan men altijd had gedacht. De omroepfilms moesten daarbij helpen.” Direct nadat de eerste omroepgidsen in '47 weer verschenen, kwamen ook de eerste omroepfilms terug. Eerst bij de NCRV, kort daarna gevolgd door de VPRO en de Avro. Hogenkamp: “Uit de naoorlogse films moest vooral blijken waar de omroepverenigingen voor stonden, een soort Selbstdarstellung. Vandaar ook dat de Avro-films er heel anders uitzagen dan die van de NCRV.”

Bij de NCRV lag het medium film als propagandamiddel van het begin af aan moeilijk. Hogenkamp; “Vooral in de meer orthodox protestants-christelijke kringen werd film gezien als een 'werelds' en 'verderfelijk' medium.” Met name de bioscoop was 'een poel des verderfs'. De Rotterdamse predikant N. Buffinga waarschuwde er in de jaren dertig nog voor om daar geen stap binnen te wagen, omdat “de sfeer daar zo door en door bedorven (is), dat, ook al worden er eens goede films gedraaid, geen eerbaar en Godvrezend mensch daar komen kan”. Sterker nog, ouders die hun kinderen er heen laten gaan, pleegden volgens Buffinga “een zedelijke moord op hun kroost”.

Voor de NCRV was het dus van groot belang om elke associatie met de bioscoop te vermijden. Hogenkamp: “NCRV-propagandaleider J. Pereboom had dat goed begrepen. Hij zorgde ervoor dat de filmvoorstellingen werden ingebed in voor de NCRV-aanhang herkenbare rituelen. De films werden nooit in de bioscoop, maar altijd in anonieme zalen, buurthuizen en zelfs in kerkelijke ruimtes vertoond. Tussen het wisselen van de rollen door werden psalmen gezongen en de avond werd in- en uitgeluid door een dominee. Dat was natuurlijk een slimme zet. Als de dominee zelf aanwezig was betekende dat, dat het was goedgekeurd.”

Vooral de praktische kant van het fenomeen radio werd in de NCRV-films belicht. Er werd getoond hoe een boer via de radio kon horen dat er storm op komst was, zodat hij bijtijds zijn oogst kon binnenhalen. In 'De klokken luiden', de eerste NCRV-film uit 1931, zien we hoe een weduwe die slecht ter been is dank zij de radio toch de wekelijkse kerkdienst kan bijwonen. Hogenkamp: “Zeker in de plattelandsgebieden zal het voor veel luisteraars de eerste kennismaking met het medium film zijn geweest. Het woord 'vermaak' mocht daar in geen geval bij genoemd worden. De filmvertoningen werden aangeduid als 'Woord en beeld-avonden'. Pas in de jaren vijftig mocht er gesproken worden van 'ontspanningsavonden'.”

In de Avro-films was de sfeer heel anders. Daar werd het wekelijkse mode-uurtje van Ida de Leeuw-van Rees afgewisseld met optredens van het Avro-dansorkest. Hogenkamp: “De verschillen zaten niet alleen in de presentatie en de onderwerpen, maar ook in de stijl waarin de films waren opgenomen. Kurt Gerron, regisseur van de Avro-films, kwam bij de speelfilm vandaan. Misschien dat ze er daarom in hun geheel iets meer glossy uitzagen, de dingen net even vlotter in beeld werden gebracht dan bij de NCRV. Ook werd er bij de Avro gemakkelijker met acteurs gewerkt. Bij de NCRV waren professionele acteurs uit den boze.” Bij de eerste gedramatiseerde NCRV-film, 'In Stormgetij' uit 1937, werd dan ook bewust met amateurs gewerkt en waren er naast gedramatiseerde scènes ook documentaire gedeeltes. Hogenkamp: “Ook de aftiteling ontbrak. Ik denk dat ze er duidelijk voor kozen om geen Hollywoodje te spelen. Alles moest zo sober mogelijk.”

Ondanks de ingebouwde afkeer van film was de NCRV een van de grootste producenten van omroepfilms. Hogenkamp: “Niet alleen in aantal, ook op technisch gebied liepen ze vaak voorop. Toen eind jaren veertig de geluidsfilm haar intrede deed, en later de kleurenfilm, was de NCRV een van de eerste die daarmee experimenteerde.” Vermoedelijk speelde Pereboom daarbij een niet onbelangrijke rol. Hogenkamp: “Het is jammer dat we zo weinig over hem weten. Wel is duidelijk dat hij, behalve een goed christen, ook zeker een knappe zakenman moet zijn geweest, die precies aanvoelde waar zijn publiek behoefte aan had. Langzamerhand kwam er steeds meer amusement in de NCRV-films. Er zullen in de directiekamers vaak felle discussies zijn gevoerd over wat de dominees wilden en wat Pereboom voorstelde. Soms plaatste hij ze voor een voldongen feit. Het is al gebeurd, zei hij dan.” Opvallend is ook dat Pereboom, als een van de weinigen in Hilversum, zeer succesvol was in de exploitatie van zijn films. Hogenkamp: “De NCRV-films werden niet alleen gemaakt om zieltjes te winnen, ook financieel gezien was het een aantrekkelijke activiteit. 'De klokken luiden' was een overweldigend succes en bracht een winst op van zo'n 20.000 gulden. In een tijd waarin er nog geen omroepbijdrage bestond was dat natuurlijk een welkome aanvulling op de omroepkas.”

In die tijd was er bij de omroepen nog echt sprake van een verenigingsleven. Op landdagen kwamen tienduizenden mensen met omroepvlaggen van heinde en verre. Er werden collectes gehouden voor het nieuwe NCRV-orgel. Hogenkamp: “Vroeger hield zeker een kwart van het personeel bij de omroep zich met verenigingszaken bezig. Nu is het al veel als dat één procent is. De goed geoefende kijker kan misschien nog iets van de vereniging terugherkennen in zijn omroep, maar de meesten zullen niet weten of ze 'Cheers' nou bij de Vara of bij de NCRV hebben gezien. Het laatste restje van die cultuur, dat zijn de omroepbladen.”

Aan de andere kant zijn er ook hele aardige paralellen te ontdekken, aldus Hogenkamp. “De huidige crisis bij de publieke omroep doet sterk denken aan de naoorlogse jaren. Eind jaren veertig riepen de omroepen ook al dat hun financiële toekomst niet veilig was gesteld. Ook toen speelde de identiteitskwestie een belangrijke rol. Blijkbaar komen in tijden van crisis de oude karaktertrekken weer boven. Een VPRO die ondanks alles wars is van een massapubliek en daar weinig concessies aan wil doen, tegenover een Avro die daar geen enkele moeite mee heeft. Maar ook bij de Vara en de NCRV blijken de socialisten en de dominees uiteindelijk minder moeite te hebben om met zakenmannen om de tafel te gaan zitten als het gaat om het eigen voortbestaan. Die angst voor legitimatie en de financiële consequenties die daaraan verbonden zijn is er altijd geweest. Die is er, zeg maar, met de paplepel ingegoten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden