Ziekte alszegen

Dementie en waanzin: ze lijken verschrikkelijk. Maar filosofen als Foucault zetten deze 'onaangepasten' graag neer als rebellen: niet zij zijn ziek, maar de samenleving. Een gevaarlijke gedachte, betoogt Sebastien Valkenberg.

SEBASTIEN VALKENBERG

De ogen van de oude vrouw staan dof. Haar kinderen herkent ze niet meer en ze heeft geen idee wat ze aan moet met een simpel werktuig als een vork. Dementie een schrikbeeld? Niet als het aan theoloog, geestelijk verzorger en Trouw-columnist Jean-Jacques Suurmond ligt. Onlangs schreef hij op deze pagina's: 'Eindelijk ben je verlost van al die hardnekkige denk- en gedragspatronen.'

Zijn betoog - dementie is iets waardevols - staat niet op zichzelf. En dan doel ik er niet op dat Suurmond de overgang eerder al aanprees als 'spirituele kans' voor vrouwen. Zijn verheerlijkende toon maakt deel uit van een breder gedeeld idee. Lichamelijke en geestelijke ongemakken moet je niet alleen accepteren, maar ook waarderen. Soms gaat het nog een stap verder: ziekte is welbeschouwd een zegen.

Volgens een vergelijkbare redenering verdient ook geestesziekte een herwaardering. Recent verscheen 'Over de grenzen van de rede' (2015) van André Klukhuhn. De waanzinnigen zouden ons helpen 'buiten de schutting van onze eigen georganiseerde samenleving' te kijken. Wouter Kusters won met zijn 'Filosofie van de waanzin' (2014) zelfs de Socrates Wisselbeker, de jaarlijkse prijs voor het meest prikkelende filosofieboek. Een paar jaar daarvoor was hem dat ook al gelukt met 'Pure waanzin' (2004).

Behalve filosoof is Kusters ook ervaringsdeskundige. Hij heeft twee psychoses gehad. "Ik wil laten zien dat wat ik tijdens mijn psychoses zag erg lijkt op wat bejubelde filosofen als Plotinus, Sartre of Schelling gepubliceerd hebben", vertelde hij eind vorig jaar in een interview met Vrij Nederland. "Dat een psychose betekenisvol kan zijn. Waar houdt de filosoof op filosoof te zijn en wordt hij waanzinnig?" De waanzin zou thuishoren in dezelfde categorie als de mystieke ervaring, en niet in het domein van suikerziekte en gebroken benen.

undefined

Geniale gekte

Dat de grens tussen gekte en genialiteit flinterdun kan zijn, is een idee dat ook al opkwam in de Romantiek. Als reactie op het tijdperk van de Verlichting kwam er nu waardering voor de minder 'redelijke', hypergevoelige geest, omdat die toegang zou hebben tot een domein dat onder normale omstandigheden afgesloten blijft. Het echte probleem zou zijn dat de samenleving geniale gekte nauwelijks accepteert, laat staan dat ze er de meerwaarde van inziet.

In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw kreeg die gedachte opvallend veel bijval. Breed leefde de gedachte dat we waanzinnigen - en zieken in het algemeen - dankbaar moeten zijn. Zij wijzen op de systeemfouten en blinde vlekken die anders onzichtbaar blijven. Het gevolg was dat de poorten van de inrichtingen soms wagenwijd opengingen: patiënten moesten het in de samenleving zien te redden. Dat zou niet alleen voor hen goed zijn, maar ook voor de samenleving.

Eén van inspiratiebronnen van dat denken is Michel Foucault. Geen filosoof heeft zich zo intensief met ziekte beziggehouden als hij, waarbij hij de gewoonte heeft bestaande veronderstellingen op hun kop te zetten. Altijd gedacht dat burgers in het Westen vrij zijn? In een vraaggesprek met schrijver Baqir Parham betoogde Foucault dat we leven in "de weerzinwekkendste, meest barbaarse, meest egoïstische, oneerlijkste en meest onderdrukkende samenleving die men maar kan bedenken."

Dezelfde 'omkering aller waarden' gebruikt Foucault als het over ziekte gaat. Wie is er nu patiënt? De zieke of de samenleving die hem als zieke bestempelt? De laatste, aldus Foucault. Zijn bekendste publicaties - 'De geschiedenis van de waanzin' (1961) en 'De geboorte van een kliniek' (1963) - ogen als geschiedenisboeken, maar zijn vermomde aanklachten tegen de rede, die in de achttiende eeuw aan een opmars begon: ze zou vooroordelen opruimen en volkeren met elkaar verbinden. Maar volgens Foucault is de tolerantie jegens ziekte sindsdien afgenomen. Hulpverlening werd onderdeel van een 'normaliseringsmacht'.

undefined

Dorpsidioot

Dat idee is inmiddels weerlegd, onder meer in 'The Killing of History' (1996) van de historicus Kevin Wildschuttle. Geesteszieken waren volgens hem zeker niet beter af toen er nog geen instellingen waren om ze in onder te brengen. 'Aangezien werd aangenomen dat het ze ontbrak aan verstand en het vermogen om te lijden als een volwaardig mens, konden waanzinnigen worden bespot, achternagezeten door kinderen en tentoongesteld. De status van de dorpsidioot was weinig hoger dan die van huisdieren.' Ook de latere, twintigste-eeuwse mode om geesteszieken 'vrij te laten' geldt allang als achterhaald. Niemand werd er beter van.

Toch blijft de overtuiging populair: de (geestes)zieke houdt de samenleving een spiegel voor. Romantisering als maatschappijkritiek.

Die gedachte zie je ook terug bij Suurmond. Alleen al omdat we bewoners van een verpleeg-huis niet langer beoordelen op hun economisch nut, kunnen ze dienen als instantie van kritiek. Ongewild relativeren ze de prestatiemaatschappij waarin we zouden zitten. Via hun onmacht maken ze duidelijk dat 'autonomie in onze cultuur zwaar wordt overschat'.

undefined

Verdorven maatschappij

Suurmond begeeft zich hier in dezelfde gevarenzone als Foucault en zijn volgelingen: de zieke of geesteszieke wordt ingezet als argument in een discussie waar die zelf weinig baat bij heeft en waarin hij helemaal niet kan meepraten. Óf de psychiatrische patiënt zo blij was om op straat gezet te worden, werd hem niet voorgelegd. Of de demente bejaarde het verschrikkelijk vindt dat zij niet meer weet wat een vork is, kan haar meestal niet meer worden gevraagd. Dan gaat het ver om hun 'nieuwe zelf' als iets mooiers te beschouwen. Zou Suurmond ook vinden dat de autonomie van de vrouw toen ze nog niet dement was 'zwaar werd overschat'?

De dementiepatiënt van Suurmond doet denken aan de 'goede wilde' van Jean-Jacques Rousseau, die andere maatschappijcriticus die op zoek was naar een 'alternatief' voor een in zijn ogen verdorven maatschappij. Zowel de wilde van Rousseau als de demente bejaarde zijn zo voortreffelijk omdat ze geen last (meer) hebben van sociale conventies. Maar de 'echte' wilden bleken er bij nader inzien vaak sociale conventies op na te houden die nog veel verstikkender waren dan de conventies die Rousseau kende. Alleen waren daarvan nog niet zoveel getuigenissen. De romantische projectie van Suurmond kan meteen al rekenen op kritiek die uit eigen ervaring put: van artsen en van familie en vrienden van de verpleeghuisbewoner. Misschien zijn er bejaarden die vrolijker worden als ze niet alles meer onthouden, maar het is onwaarschijnlijk dat ze blij zijn hun autonomie verloren te hebben. Zoals het ook onwaarschijnlijk is dat psychiatrische patiënten blij zijn met hun wanen.

Zieken als de heimelijke rebellen die de status quo uitdagen. Zulk heldendom spat uiteen op de realiteit.

Sebastien Valkenberg (1978) is filosoof en publicist. Onlangs verscheen van hem 'Op denkles' (Ambo|Anthos).

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden