Ziek van de patiënt

De arts dreigt het slachtoffer te worden van het 'verdwijnen van de tussentijd'. Alles moet snel. Nu, nu nu. En de patient gedraagt zich als een verwend kind, weet hoe hij zijn zin moet krijgen. Vandaar dat de fut eruit is bij huisartsen. Uitputting, overbelasting, overspannenheid, kortom burnout, komt steeds vaker voor. Een inventarisatie.

'Als u niet komt, dokter, dan bel ik de politie.' De drammers, de claimers, de verongelijkten: ze zijn in de minderheid. Maar deze patiënten zetten de toon en ze groeien in getal. Steeds meer huisartsen bezwijken eronder, de idealisten voorop. De psycholoog: ,,Wanneer je echt goed wilt doen maar je patiënten misdragen zich, dan komt dat dubbel hard aan.''

Hij is een dokter van het 'idealistische soort', zegt hij zelf, maar hij kan er niet veel meer bij hebben. Wiebe Veenema, 56 jaar, met baard en sigaar en vriendelijke blik, is al bijna dertig jaar huisarts in het Friese Joure. De laatste tijd wordt hij er weleens kregel van.

Een paar zondagen geleden. ,,Ik word gebeld door een patiënt. Hij zegt: 'Dokter, ik heb van die vreemde plekken onder mijn voeten. U moet even langskomen.' Ik vraag hem om maandag op het spreekuur te komen. Nee, door de week heeft hij geen tijd. Ik weet dat de man last heeft van zwemmersexceem en maak hem dus duidelijk dat dit geen spoedeisend geval is. 'Dan dien ik een klacht tegen u in', zegt hij. 'Moet u doen, meneer', antwoord ik. Hij heeft het helaas niet gedaan.''

De patiënt van tegenwoordig - als die iets wil, wil hij het nú. ,,Nu, nu, nu, en niet morgen'', zegt psycholoog en publicist Peter Bügel. Hij bestudeert arts-patiënt relaties, en doceert aan de huisartsenopleiding in Groningen. 'Als u niet komt, dokter, dan bel ik de politie.' Die dreigementen komen voor, verzekert Bügel. ,,Regelmatig. Of men biedt aan het huis van de dokter even te komen 'verbouwen'.'' Veenema knikt. ,,Er is een hoop onvrede onder huisartsen'', zegt hij.

Op verschillende plaatsen in het land geven zijn collega's te kennen niet langer avond-, nacht- en weekenddiensten te willen draaien. Want vooral die diensten - bovenop hun normale werklast - vallen zwaar. Juist dan worden artsen geconfronteerd met ongeduldige en dwingende patiënten.

'De fut is eruit bij de Nederlandse huisarts', berichtte Trouw onlangs al. Burnout onder artsen en anderen in de zorgsector blijkt onrustbarende vormen aan te nemen. Zij die ervoor kozen anderen te genezen, te verzorgen, worden soms letterlijk ziek van de patiënt. Van de Nederlandse huisartsen blijkt nu al ruim één op de drie gedurende langere tijd uit de running te zijn door uitputting, overbelasting, overspannenheid - kortom burnout.

,,Een collega van mij die tien jaar huisarts is'', zegt Veenema, ,,vertelde me dat hij steeds slechter slaapt als hij dienst heeft. Níet nadat hij uit bed is gebeld voor een patiënt met een hartinfarct. Maar hij ligt uren wakker nadat iemand hem heeft gebeld vanwege een snotneus. Uit ergernis.'' En de 'snotneuzen' nemen toe, weet Veenema uit ervaring. ,,De tolerantie van mensen die ergens last van hebben, neemt af. Het moet meteen over zijn. Ze reageren vol onbegrip als je zegt dat je ligt te slapen en hun kwaal wel even kan wachten.''

De chronische klagers, de drammers, de verongelijkten, de mensen die zich al te graag 'assertief' opstellen - ze zijn ver in de minderheid. Veenema benadrukt: ,,Aardige patiënten overheersen, mensen met wie je kunt praten en lachen. Maar de probleemgevallen bepalen je stemming.'' Misschien vijf procent van zijn patiënten valt in die categorie, denkt hij. In grote steden veel meer, weet Bügel. ,,Daar heeft men ook de grootst mogelijke moeite om nog huisartsen te vinden.'' De lastige patiënten trekken met hun claimend gedrag een zware wissel op de dokter. Naast al die andere factoren die het beroep van huisarts zwaar maken.

Neem de grote huisartsenpraktijken: ,,Veel te veel patiënten'', vindt Veenema. Zo'n 2500 heeft de gemiddelde Nederlandse huisarts er. In België zijn dat er 800, Noorwegen probeert een maximum van 1500 patiënten per praktijk aan te houden. En dan zijn er de vele verwachtingen van die 2500 zielen. Die niet meer naar de pastoor gaan met hun problemen en familieruzies, maar naar de dokter.

,,Wij huisartsen zijn veel bezig pastorale zorg te verlenen'', zegt Veenema. De drempel tot de dokter is laag. En hoewel de huisarts de autoritaire witte jas allang aan de kapstok heeft gehangen, zijn er mensen die aan zijn gezag blíjven knagen. ,,Dat is de lastigste groep patiënten'', zegt Veenema. ,,Die voortdurend in twijfel trekt wat je zegt; nooit wil aannemen dat iets vanzelf weer overgaat.''

Dit alles maakt het vak steeds zwaarder, vindt Veenema. En hij ziet het om zich heen: veel collega's bezwijken eronder. Bügel ziet het ook gebeuren: ,,Burnout wordt zo langzamerhand een ware epidemie onder artsen, verplegers en verzorgers.'' Verzekeraar Movir ging vorig jaar zelfs failliet aan de vele uitkeringen aan arbeidsongeschikte artsen. Veenema ervaart het aan den lijve. ,,De premie van mijn arbeidsongeschiktheidsverzekering is zojuist verhoogd van 14 000 naar 24 000 gulden'', zegt hij.

,,Je ziet burnout vooral in beroepen van mensen die met andere mensen te maken hebben'', zegt Bügel. ,,Zoals ook in het onderwijs. Boeren hebben er nauwelijks last van: dieren zijn nogal aardig.'' En mensen zijn onmensen? Nee, maar ze worden wel veeleisender, ongeduldiger, claimender, zeggen Bügel en Veenema. Als huisarts gaat Veenema daaronder gebukt. Als psycholoog maakt Bügel zich daar zorgen over. ,,Artsen die eenmaal zijn opgebrand, blijven vaak levenslang arbeidsongeschikt.''

Bügel ziet de twijfel al toeslaan onder de studenten aan de huisartsenopleiding. ,,De epidemie is zelfs daar doorgedrongen. Studenten haken af, praten al heel snel cynisch over patiënten, of zeggen: zo hard werken als mijn opleider - dat wil ik nooit.''

Huisartsen werken verschrikkelijk hard, vindt Bügel. ,,Ze zijn helemaal gek.'' De idealistische huisarts werkt al helemaal hard, en loopt ook het meeste risico op te branden. ,,Wanneer je echt goed wilt doen maar je patiënten misdragen zich, dan komt dat dubbel hard aan. Uit Amerikaans onderzoek in de verslavingszorg bleken hulpverleners die echt probeerden om junkies van de drugs af te helpen, het eerst af te knappen. De meeste junkies wíllen namelijk niet van de drugs af.''

Een arts, psychologiseert Bügel, verwacht liefde te krijgen als hij zich uit de naad werkt. ,,Als hij dan stank krijgt in plaats van dank, ligt burnout op de loer. Dan kan hij zelfs een fysieke afkeer van zijn patiënten krijgen. Denken: 'Gatver, wat stinkt die man.' Of: 'Wat een randdebiel'.''

Waarom patiënten zo lastig zijn? Angst, weten Bügel en Veenema. Vroeger waren mensen bang voor oorlog. In dit tijdperk van ongebreidelde gezondheidsvoorlichting zijn ze beducht voor kanker en andere enge ziektes. Die angst zit vaak diep verscholen in hun onderbewustzijn, maar hij ís er wel. Driekwart van de patiënten blijkt naar de huisarts te gaan om gerustgesteld te worden. Bügel: ,,We hebben gesprekken tussen huisartsen en patiënten op video opgenomen. Dan zie je dat patiënten heel goed opletten of hun huisarts verontrust reageert op hun verhaal. Ik noem dat het stewardessensyndroom. Als je bang bent in het vliegtuig, hou je in de gaten of de stewardess er benauwd uitziet.''

Wonderlijk maar waar: patiënten móeten ook bang worden. Voorkómen is immers beter dan genezen? En dus wordt de dokter geacht aan preventie te doen. Te werken aan gedragsverandering: het heropvoeden van de rokers en de veelvraten. Want wie verstandig leeft, blijft jong en fit en gezond. ,,En de beste motor voor gedragsverandering is angst'', zegt huisarts Veenema. Het wordt ons van alle kanten ingepeperd. We moeten gezond eten, genoeg sporten, ons cholesterol in de gaten houden, ons laten screenen op baarmoederhals- en borstkanker, oppassen voor een te hoge bloeddruk, ons bloedsuiker laten controleren.

Veenema steekt er een sigaartje bij op. Op hetzelfde moment klinkt er, seconden lang, een doordringend bliepje. Een mobiele telefoon? Nee, een aansteker met ingebouwd alarmsignaal. ,,Gekregen van een patiënt die verbijsterd was omdat ik nog rook'', grinnikt hij. Inderdaad, de gezonde boodschap komt aan bij de patiënt. Hij wil zich nu regelmatig laten nakijken, net als zijn auto.

Veenema is daar geen voorstander van. Hij voelt zich, naast pastoor, zolangzamerhand ook politieagent. Bügel heeft al evenzeer zijn bedenkingen: ,,Zodra mensen weten dat hun bloeddruk te hoog is, blijkt hun ziekteverzuim te verdubbelen. Hebben ze hoofdpijn, dan denken ze onmiddellijk: o jee, daar zul je 't hebben. Gauw de dokter bellen.''

Meer angst leidt tot meer doktersbezoek. Dat tonen ook de cijfers aan. Tien jaar geleden gingen mensen gemiddeld twee of drie keer per jaar naar de huisarts. Sindsdien is het doktersbezoek verdubbeld. En waar eindigt het? 'Dagboekonderzoek' heeft aangetoond dat, op elk willekeurig tijdstip, één op de drie mensen wel ergens last van heeft. Er is dus nog een enorm reservoir aan klachten. Als patiënten maar bang genoeg worden gemaakt, worden al die klachten reden voor een bezoekje aan de huisarts. ,,Hoe meer aandacht er is voor preventie, hoe angstiger mensen worden, hoe vaker zij naar de dokter gaan, en hoe meer overspannen artsen je krijgt'', luidt de sombere toekomstvisie van Bügel.

Er is meer aan de hand. We mogen, nee, móeten 'mondig' zijn. Geen weldenkend mens laat zich nog met een kluitje in het riet sturen, de dokter dient met een gezond wantrouwen te worden bezien. Bügel en Veenema benadrukken dat er niets mis is met de mondige patiënt. Die is niet lastig, die is gewoon goed geinformeerd en weet goed zijn verhaal te doen. Lastig wordt het als iemand de klok heeft horen luiden en onmiddellijk naar de dokter rent om uitgelegd te krijgen waar de klepel hangt. Keer op keer. ,,Zij hebben een heel scala aan gedragingen om hun zin te krijgen. Als verwende kinderen'', zegt Bügel.

De huisarts heeft de tijdgeest ook al niet mee. Hij is slachtoffer van wat Kees van Kooten noemde het 'verdwijnen van de tussentijd', deze zomer in een lezing. Een brief is een tijdje onderweg, een e-mail kent geen reis. Vroeger bracht vader het fotorolletje na de vakantie weg en volgden er twee weken van verwachtingsvolle spanning. Nu is die tussentijd verdwenen - dat klusje is in 27 minuten geklaard.

We zijn de kunst van het wachten verleerd, dulden geen uitstel meer. We willen alles en wel nu, nu, nu. Eigenlijk geen wonder dat de patiënt in zo'n maatschappelijk klimaat 's nachts of in het weekeinde direct de dokter belt. Hij is immers dezelfde persoon als de klant die in een bijkans 24 uur per dag doordraaiende consumptiemaatschappij stante pede zijn noden kan lenigen.

Huisarts Veenema had onlangs een bijeenkomst van een groep huisartsen die met elkaar over hun werk praten. Hij schrok van de manier waarop huisartsen, een stuk jonger dan hijzelf, over het vak praatten. Zich zelfs in gemoede afvroegen of ze er nog wel mee door willen gaan. ,,Maar wat moeten ze dan'', vraagt Bügel zich af. ,,Als huisarts zit je in een fuik. Vroeger kon je in het verpleeghuis gaan werken. Maar daar is tegenwoordig een aparte opleiding voor. Als je afbrandt, rest eigenlijk alleen de arbeidsongeschiktheidsverzekering.''

Daarom wil hij het probleem bij de wortel aanpakken: bij de 1 200 dokters die de nieuwe generatie huisartsen in hun praktijk opleiden. Hij werkt aan een onderwijsprogramma, speciaal voor deze groep. Herkennen en voorkómen van burnout is het doel. Aan maatschappelijke ontwikkelingen als de terreur van de 24-uurseconomie kan hij weinig veranderen, realiseert Bügel zich. ,,Maar huisartsen kunnen zich er wel tegen wapenen.''

De psycholoog gaat ze uitleggen dat ze best cynische grappen over hun patiënten mogen maken, maar dat het een veeg teken is als ze dat vaak doen. En dat juist de dokters die dreigen af te branden, extra veel lastige patiënten hebben. Want als de dokter zich ergert, zetten zijn patiënten hun stekels alleen maar meer op. En Bügel gaat proberen zijn cursisten begrip bij te brengen voor de lastige klanten die bij nacht en ontij bellen. Die zich overdag bij hun eigen huisarts nog inhouden, maar alle remmingen verliezen bij die onbekende, dienstdoende dokter. Bügel: ,,Veel boze nachtelijke bellers zijn eigenlijk bang. Je kunt artsen leren dat het beter is op die angst in te gaan, in plaats van hun klachten te bagatelliseren.''

Soms mag de huisarts daar best een beetje bij overdrijven. Zeggen dat hij helemaal begrijpt hoe vréselijk moeilijk de patiënt het heeft. Meelevend te kennen geven dat hij hóórt hoezeer de beller in paniek is. Dan willen, eindelijk, die verlossende woorden nog weleens komen: 'Nou dokter, zó erg is het nu ook weer niet'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden