Zestig jaar rebelse helden

’Titaantjes, opgroeien in de letteren’: onder die noemer gaat woensdag aanstaande de 75ste Boekenweek van start. ’Boeken’ zet u alvast aan het denken over proza en puberen. Met artikelen over rebellen als Frits van Egters en Joe Speedboot, over de kameleontische Joost Zwagerman, over boeken voor bakvissen en over de vraag hoe je vijftienjarigen aan het lezen krijg. Wie zijn trouwens de jonge schrijftalenten van vandaag, wat beweegt de Titaantjes van 2010?

Nescio’s Titaantjes waren allesbehalve ’aardig’, en hun opvolgers evenmin. Dat verklaart hun succes, want taboedoorbrekende helden doen het vaak goed.

’Jongens waren we – maar aardige jongens.” Misschien is dit begin van Nescio’s ’Titaantjes’ wel de beroemdste zin uit de Nederlandse literatuur. Eigenlijk gek want waarom zou je aardig willen zijn? Opstandige, onaardige jongens zijn immers veel interessanter. Mijn moeder noemde me in mijn puberteit een angry young man, en daarin klonk eerder een dwars soort tevredenheid door dan frustratie. Ik was tenminste in haar ogen niet wat je tegenwoordig een nerd zou noemen, en toen, in de jaren zestig, een brave Hendrik.

De term angry young men stamt uit de jaren vijftig en werd gebruikt voor een stel jonge Engelse schrijvers, afkomstig uit de middenklasse, met iets anarchistisch in hun kop en onderwerpen als sociale vervreemding op hun programma. Namen? John Osborne, Kingsley Amis, zij vooral. In zekere zin voorlopers van de provo’s bij ons.

Het is typisch een naoorlogs verschijnsel, wat niet wil zeggen dat er voor de oorlog of zelfs ver daarvoor geen boze, opstandige jongens rondliepen. Denk alleen maar aan de negentiende-eeuwse dichter Arthur Rimbaud, een soort angry young man avant la lettre. Maar iets van een collectieve stroom werd het toch vooral na de Tweede Wereldoorlog; bij ons kun je bijvoorbeeld aan de Vijftigers denken met hun verzet tegen de geest van ’nette lettervrouwen en –meneren’.

Dat ze zich in de letteren roerden is natuurlijk geen toeval, literatuur is bij uitstek het genre waarin je van je kunt doen horen. Maar vervolgens is de angry young man ook zelf het onderwerp van de letteren geworden. Ook in de Nederlandse literatuur kun je ze aanwijzen, in overvloed zelfs, al heten ze inmiddels misschien niet meer zo. Ze fungeren soms als rolmodellen en in elk geval belichamen ze vaak een geest van verzet tegen heersende zeden en praktijken.

Opstandige jeugd is een factor van belang in de literatuur en je kunt zien dat boeken die het ’maken’ tegelijkertijd ook vaak taboes doorbreken; denk alleen maar aan Robert Vuijsje’s recente publiekssucces ’Alleen maar nette mensen’, waarin een jongen uit een keurig nest zich verslingert aan dikke zwarte vrouwen aan de onderkant van de maatschappij.

Nescio’s fameuze openingszin suggereert dat jongens gewoonlijk niet alleen maar aardig zijn, en dat is het wezen van veel mannelijke hoofdpersonen, ze verzetten zich tegen hun omgeving, mentaal en/of verbaal. Ook Nescio’s Titaantjes zijn bij nader inzien niet zozeer aardig alswel eigenaardig, kunstenaars, dissidenten.

In de loop van de literatuurgeschiedenis ontwikkelde zich, naast de talloze positieve helden die op een of andere manier de draak bevochten en jonkvrouwen ontzetten, de antiheld. Cervantes’ Don Quichot, moreel sterk maar intellectueel zwak, en Gontsjarovs Oblomov, een luiaard die tot niets komt, zijn er sprekende voorbeelden van. Ook een schelm als Tijl Uilenspiegel heeft anti-heroïsche trekjes. Maar vooral sinds de psychologie het met ingang van de twintigste eeuw voor het zeggen kreeg, bloeide de antiheld op. De ontdekking van de veelgelaagdheid van de menselijke geest bracht ook juist aandacht voor de negatieve, versluierde kanten van ons denken en handelen.

Tegelijk werd duidelijk dat veel lezers, met een eigen stormachtige puberteit op zak, zich makkelijker zullen identificeren met personages die falen of weglopen dan met stralende helden. Daarin ligt denk ik ook de reden dat de hoofdpersoon van onze beroemdste roman, Max Havelaar, het nooit tot rolmodel schopte: te nobel, te veel voorvechter van de goede zaak, te feilloos.

Evenzo konden in onze tijd literaire oorlogs- of verzetshelden van de onversneden soort hun lezers niet meeslepen. Integendeel, Henri Osewoudt, uit W.F. Hermans’ ’De donkere kamer van Damocles’, die graag oorlogsheld was geweest, fascineert ons omdat hij een tragische mislukking is, een kneus.

In zekere zin wordt ieder personage van wie je de geest beter leert kennen, vanzelf ook tot antiheld. Dat is bijvoorbeeld het geval met Anton Wachter, het literaire alter ego van de jonge Simon Vestdijk. Je volgt hem in al zijn gangen, kleine succesjes maar vooral ook in de blauwtjes die hij loopt en zijn kleinzielige opportunismen. Hij is eigenlijk een brave Hendrik, een matig personage zonder heroïsche uitschieters.

Zijn biotoop is die van de vroeg-twintigste eeuw en dat merk je. Maatschappelijk, mentaal en moreel verzet zit er bij hem nog niet in; hij loopt in de pas met wat de wereld van hem verwacht; zijn kleur krijgt hij door de diepte en intelligentie waarmee Vestdijk hem beschrijft, niet door zijn daden of niet-daden; een rolmodel is hij bij mijn weten nooit geweest, misschien op z’n hoogst een geestverwant van tobbende individualisten.

Pas na de Tweede Wereldoorlog groeit de soms bozige, altijd zoekende jongeman uit tot een soort standaardtype. De eerste en misschien wel belangrijkste is natuurlijk Frits van Egters uit Gerard Reve’s ’De avonden’ (1947). Binnensmonds foeterend op zijn benauwde milieu brengt hij zijn dagen door. Zijn negatieve gevoelens richten zich vooral op zijn ouders, en op zijn vrienden. Het is nog geen echt maatschappelijke onrust, zoals die anderhalf decennium later in de vorm van provo in Nederland zal uitbreken. Frits van Egters doet denken aan Holden Caulfield, de beroemdste antiheld uit de recente literaire geschiedenis, in Salingers ’The Catcher in the Rye’. Zijn strijd is eenzaam en vindt plaats in het hoofd.

En alleen maar opstandig blijft Frits van Egters toch ook niet. In het sublieme gebed aan het slot, waarin hij zijn ouders gedenkt, spreekt een groot mededogen met hun modale, miezerige gesteldheid.

Het is denk ik vooral Van Egters’ taalgebruik, variërend van ironie tot cynisme, dat bij lezers bleef hangen. In feite is zijn geestigheid zijn reddingsboei. Ik ken nogal wat mensen, opgegroeid in de jaren vijftig, die ’hoeiboei’ roepend over straat liepen of bij willekeurig welk evenement wisten te melden: ’Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’

Een ander lijfboek uit de jaren vijftig was ’Philip en de anderen’ (1955) van Cees Nooteboom. Volstrekt het tegendeel van ’De avonden’. Hier geen cynische antiheld maar een romantische zwerver, op zoek naar wijsheid en verlichting. Philip zwerft door heel Europa en ontmoet ’de anderen’: chauffeurs, meisjes, schurken – hij doet wat ook de Vijftigers deden, weg uit Nederland, naar Parijs, Spanje. De flaptekst van mijn editie noemt ’Philip en de anderen’ ’onbeschaamd romantisch in de dorre jaren vijftig’ en vergelijkt de roman met de gedichten van Hans Lodeizen.

De hoofdpersonen uit ’De avonden’ en ’Philip en de anderen’ belichamen twee wegen voor de ontevreden jongens van hun tijd. Je blijft thuis en gromt, of je gaat op zoek en beleeft.

De jonge Reve en de jonge Nooteboom schreven in zekere zin brave boeken, zonder al te veel hormonale lasten of onmaatschappelijk gedrag. Dat werd in de jaren zestig radicaal anders. De helden uit de schelmenroman ’Ik Jan Cremer’ (1964) en ’Turks fruit’ (1969) van Jan Wolkers zijn seksbeesten en rauwe klanten die het opnemen tegen een wereld vol burgers en gezagsdragers.

Maar hoe nieuw ook, en hoe anders dan hun voorgangers, ik geloof niet dat ze echte inspiratiebronnen waren voor de toenmalige jongeren. Ik was er zelf een, en ik herinner me dat de ware helden popmuzikanten waren, vooral de zangers en de gitaristen onder hen. De boodschap was overgenomen door The Stones en door Jim Morrison: ’Riders on the storm’.

Je groeide in de jaren zestig niet met literaire helden op. Dat komt ook omdat op de middelbare scholen in die tijd Cremer en Wolkers min of meer werden geboycot; voor je gevoel bestond échte literatuur voornamelijk uit oudere schrijvers en gedateerde protagonisten. Over popmuziek daarentegen had niemand zeggenschap, ouders noch docenten.

Als de woelige jaren zestig zijn gaan liggen, komen de letteren weer in beeld, met een coming of age-roman die eruitspringt: ’Opwaaiende zomerjurken’ (1979) van Oek de Jong. Hoofdpersoon Edo Mesch is een gevoelig jongetje, krijgen we direct al te horen: „Dagenlang had zijn moeder al het mogelijke gedaan om hem in evenwicht te houden. Steeds had ze op kritieke momenten met een blik van verstandhouding, een fronsen van haar wenkbrauwen of met listig voetenwerk onder tafel zijn vader en zijn jongste broertje en zusje eraan herinnerd dat hij ontzien moest worden.” Aan het eind van het boek zeilt hij letterlijk het boek uit, met een krachtig credo op zijn lippen. „Ik wil. Ik wil. Ik. Wil.” In de tussentijd zoekt en zoekt hij maar, naar vervulling, naar evenwicht, naar zelfontplooiing.

De held van de jaren zeventig is een romantische zwerver, in de trant van Nootebooms Philip maar veel ontwortelder en desolater. Je herkent er het nakomertje van de jaren zestig in, dat geroken heeft aan een andere wereld die er niet kwam en dat nu teruggeworpen is op zijn individualiteit. In Amerika schreef cultuurfilosoof Christopher Lasch in datzelfde jaar 1979 ’The Culture of Narcissism: American Life in an Age of Diminishing Expectations’. Dat is het helemaal: narcisme, intellectuele navelstaarderij bij gebrek aan maatschappelijk engagement.

Zo sterk was de uitstraling van De Jongs dolende, introverte hoofdpersoon dat zelfs de academische wereld ervan opkeek. Literatuurwetenschapper Ton Anbeek verzocht in een spraakmakend artikel om meer ’straatrumoer’ in de letteren en alsjeblieft wat minder introverte helden.

Hij werd op z’n wenken bediend. De helden van de volgende literaire generatie stonden midden in de wereld en namen onbevangen deel aan haar genotzuchtige kanten. In Joost Zwagermans roman ’Gimmick’ (1989), dat een cultboek van de toenmalige jongste generatie werd, kwam onverbiddelijk een Amerikaanse geest de Nederlandse letteren binnenvaren. Het groepje postmoderne kunstenaars dat hij beschrijft stort zich in een wereld van seks, drugs, rock-’n-roll en moderne media.

Toch is ook hier het oude romantische gedachtengoed niet helemaal verloren gegaan. Hoofdpersoon Raam probeert vergeefs zijn ex-vriendin te heroveren en stuitert vervolgens zijn ondergang tegemoet. Dat is wel een heel andere boodschap dan die van Oek de Jong, bij wie de individuele zoektocht juist een geestelijke loutering opleverde.

Geen wonder dat in de romans van een volgende cultschrijver, Ronald Giphart, het sarcasme overheerst. In zijn debuutroman ’Giph’ (1995) en alles wat erop volgde, zijn de hoofdpersonen humoristische en zwartgallige nihilisten, die nog maar weinig serieus lijken te nemen. Toch overheerst in dit soort literatuur, anders dan bij Gerard Reve, de dynamiek en de energie. Als je één ding kunt zeggen over de ontwikkeling van de literaire jongeman sinds Frits van Egters is het wel dat hij tot waarlijk leven is gekomen. Over het verbond tussen literatuur en leven zei Giphart ooit: „Jammer genoeg en hoe fuck het ook is: literatuur vereist een zekere kennis van het leven.” De betrekkelijke wereldvreemdheid van Nootebooms Philip en De Jongs Edo lijkt van de baan.

Ook in de romans van wonderkind Arnon Grunberg, die sinds zijn debuut ’Blauwe maandagen’ uit 1994 met een heel kabinet aan gekneusde en zoekende personages de markt overspoelde, overheerst vaak een sarcastisch standpunt, maar nihilistisch zijn ze allerminst. Integendeel, de jonge hoofdpersonen uit zijn romans putten hun vitaliteit juist uit de beroerde staat van moraal en maatschappij. Bij Grunberg vertegenwoordigen zelfs zaken als oorlog, Holocaust en morele ondergang een soort kosmische energie. De mens is maar een speldenknopje in een geheel van veel grotere krachten. Dit besef maakt dat zijn romans een heel nieuw soort mens aan de wereld lijken voor te stellen, die worstelt met zijn burgerlijke en veilige verleden maar zich opmaakt voor een volgende stap in de maatschappelijke evolutie.

Grunbergs angry young men, nestvlieders bij uitstek, zijn daarmee in wezen positief. Dat is al helemaal het geval met de laatste helden uit het rijtje, de hoofdpersonen uit ’Joe Speedboot’ (2005) van Tommy Wieringa. Zowel de ongelooflijke Joe Speedboot zelf, met zijn wonderbaarlijke projecten, als de verteller van het verhaal, de zwaar gehandicapte maar scherpziende observator Fransje die zijn hele omgeving in de gaten houdt en ten slotte ondanks zijn handicap ook zelf op odyssee gaat, zijn echte avonturiers, maar ze verdwalen niet.

„Je voelt je toch niet alleen Joe?”, vraagt de interviewer zuigend.

„Zolang je niet verdwaalt ben je nooit alleen.”

Dat is dan toch wel het opmerkelijke aan de ontwikkeling van het naoorlogse Titaantje. Uit de passieve angry young man in ’De avonden’ groeit in de loop van zestig jaar – langs een wisselend pad van cynisme en ’inwijding in de werkelijkheid’ – ten slotte toch een jongeman die is wat hij in mythen en jongensboeken altijd al was: een soort Odysseus annex Huckleberry Finn van onze tijd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden