Zelfs voor de Tour gaat deze uitputtingsslag te ver

VAL D'ISERE - Een diep gebronsde familie loopt in Val d'Isère een verhuurbedrijf van ski's uit. Lange latten op de schouders, op weg naar de gletsjers. Niemand kijkt haar na als een soort verlate carnavalvierders. Het is stervenskoud en nat in de Savoie. Het is trouwens overal waar de Tour de France komt, stervenskoud en nat.

De weersverwachting voor de klimrijdrit van gisteren viel tegen die achtergrond niet eens tegen. Bij de aankomst vier tot zes graden, en kans op onweersbuien. In ieder geval boven nul; dat is mooi meegenomen op zo'n zinderende julizondag. Bij het standje in de perszaal waar journalisten een relatiegeschenk kunnen ophalen, wordt op vertoon van de perskaart een plastic zak overhandigd. De inhoud: de onvermijdelijke brochure en . . . een korte broek. Gevoel voor humor en optimisme kan men de tijdelijke afgezantes van de lokale VVV niet ontzeggen.

Het peloton in de Ronde van Frankrijk zucht en kreunt onder de barre weersomstandigheden. De herinneringen van de oudere volgers gaan terug naar 1980, toen het in de lange, bijna twee weken durende aanloop van Frankfurt naar de Pyreneëen onophoudelijk bleef regenen, en de temperatuur zelden boven de twintig graden uitkwam. Bernard Hinault draaide in dat slechte weer zijn knie in de vernieling, viel uit voordat in de bergen en de Provence de zon eindelijk doorbrak en gaf - indirect - de wel fit gebleven Joop Zoetemelk een vrijgeleide naar diens enige Tourzege.

Het apocalyptische decor waarlangs de 83e editie van La grande boucle zich voltrekt, is de rijke inspiratiebron van soortgelijke angstvisioenen. In overdrachtelijke zin is Parijs nog erg ver en worden op de diverse werkplekken in Nederland complete Tourtoto's geruïneerd. In 1957, het jaar dat Jacques Anquetil zijn eerste van vijf rondes won, haalde voor het laatst minder dan de helft van het deelnemersveld (56 op 120 renners) de Franse hoofdstad. Gezien het percentage uitvallers in de eerste week zou dat record dit jaar wel eens bijgesteld kunnen worden. Nog voor de eerste serieuze berg aan de einder opdoemde, waren reeds 32 hotelbedden vrij gekomen. Vorig jaar moesten in de overeenkomstige 'warming up'-fase achttien coureurs de Tour verlaten; ook dat was al tamelijk veel. Zaterdag verdwenen nog eens zeven broodfietsers uit de ronde, waaronder de gele (Heulot) en de bolletjestrui (Van Bon), en gisteren nog twee. Vier ploegen (Saeco, Panaria, Brescialat en Aubervilliers) zijn na ruim een week al praktisch gehalveerd.

De Tour de France hoort, anders dan een EK voetbal, niet een aaneenschakeling van rustdagen te zijn, maar een heroïsche uitputtingsslag. Dit jaar schiet het door. Dat ligt aan de onvoorziene meteorologische grillen, maar ook aan de Tourdirectie zelf. Vanuit de wereld van de sponsors en de rechtenhouders kwam een steeds grotere aandrang om de finish rond half acht, op prime time in televisieland, te programmeren. Tourdirecteur Jean-Marie Leblanc, zelf oud-renner, heeft zich jaren tegen dat onzalige plan verzet, maar deed vorig jaar toch een concessie. Hij plande de proloog in Saint-Brieuc in de avonduren - door een plotselinge onweersbui met alle rampzalige gevolgen van dien - en verschoof de finish op de andere dagen met een uur naar half zes. In zijn optiek bleef er voor de renners, het personeel en de professionele volgers net voldoende tijd over om hun werk naar behoren te doen, en indirect de Tour in al zijn grootsheid te laten gloriëren. De renners genoten voldoende rust, de soigneurs en mecaniciens zouden op een redelijk tijdstip hun bed zien, de journalisten konden kwalitatief goede verhalen schrijven.

De renners hielden zich echter niet aan het zorgvuldig opgestelde spoorboekje en kwamen meer dan eens ruim binnen het snelste tijdschema over de finish. Met die wetenschap in het achterhoofd, stelde Leblanc het rooster bij. Het slechte weer, de harde wind op kop en een wat geringere motivatie bij het morrende werkvolk ondergroeven dat plan dit jaar in negatieve zin. Een uur over tijd was niet abnormaal in de eerste week, met als gevolg dat het gekanker nu helemaal niet van de lucht was. De meeste ploegauto's moesten zich na de per definitie chaotische finish door een kolkende mensenzee zien te wurmen en kwamen niet zelden pas een uur later in hun zeker veertig kilometer verderop gelegen hotel. Masseurs waren eerst tegen middernacht klaar met het verzorgen van de laatste renner.

Een ongeluk kwam ook in dit geval niet alleen. Verzorgers, die naast het kneden van de spieren ook de ravitaillering van de volgende dag moeten voorbereiden (broodjes smeren, taartjes inpakken, drinkbussen klaar maken), kwamen nauwelijks aan nachtrust toe. Het slechte weer trok eveneens een zware wissel op het materiaal. Waar onder normale omstandigheden een rennersfiets eens in de drie, vier dagen toe kan met een wasbeurt, moesten de mecaniciens de peperdure tweewielers nu elke avond afboenen. Bovendien zorgden de door de regen sneller opspattende steentjes voor meer lekke banden en mechanische pech. Wasmachines draaiden intussen op volle toeren.

Hun enige 'troost' is dat steeds minder renners een volgnummertje trekken. De medische dienst maakt daarentegen overuren. In de wachtkamer van de Service medical is het met twintig patiënten per dag dringen geblazen. De klachten zijn in grote trekken dezelfde: ontsteking in de knieën en andere gewrichten en maag- en buikpijn. De grens van de fysieke weerstand is bij de doorgaans fragiele en lichte renners snel bereikt. Door de lage temperatuur is de kans op natuurlijk herstel nihil. De doorsnee coureur zit gevangen in een neerwaartse spiraal. Door de late aankomst mist hij ook nog eens twee kostbare uren van zijn 'recuperatietijd'. En dat, roepen doktoren, fysiotherapeuten en soigneurs in koor, terwijl er op het vlakke maar korte tijd voluit werd gereden. Normaal gesproken hadden de reservoirs voor de Alpen niet uitgeput mogen zijn.

Het slechte werkklimaat heeft nog een ander merkwaardig gevolg. Zij die zich kansrijk achten in de Olympische wegwedstrijd op 31 juli - de sprinters met name - gaven aan 's werelds zwaarste wielerwedstrijd een geheel nieuwe dimensie: die van trainingskoers. Mario Cipollini hield het na zijn traditionele ritzege al snel voor gezien, terwijl Lance Armstrong, die nog dapper had verkondigd in de tweede week van de Tour de France zijn ware gezicht te laten zien, niet het risico wilde lopen met een verkoudheid onder de leden naar de Verenigde Staten te vertrekken. De Amerikaan gaf vrijdag plotseling de geest. Andere gouddelvers in Atlanta volgden reeds zijn voorbeeld of zullen dat de komende dagen doen. De Tour dreigt zodoende in een klassieker, de Ronde van Nederland of iets dergelijks, te ontaarden. Wie kansloos is, geen kopman meer heeft waarvoor hij hoeft te werken of het vliegtuig moet halen, stapt af. Werd er tot voor kort nogal geringschattend over de Olympische Spelen gepraat, plotseling zijn die ook voor menig profrenner één van de hoogtepunten in zijn loopbaan geworden.

Niemand heeft Jean-Marie Leblanc daarover tot nu toe horen klagen; wetende dat hij behoorlijk in het krijt staat bij de mensen die hem zo dierbaar zijn. Wat de late aankomsten betreft, heeft hij plechtig beterschap beloofd. Door het gemiddelde van dit en vorig jaar te hanteren, denkt hij dat de coureurs in de Tour de France van 1997 geen klaagmuur zullen optrekken. Althans niet om die reden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden