Zelfs drinken helpt niet meer

ALBI, MONTPELLIER - Het is heet in de Midi. De hitte slaat op de maag en tast het 'moraal' van de uitgemergelde wielrenners aan. 's Avonds ga je nog gezond naar bed, 's ochtends sta je kotsend op en loopt het je dun door de broek. Een journalist legt zijn verhitte computer in de koelbox. C'est le Tour, zoals de Fransen zeggen.

JOHAN WOLDENDORP

Het is in juli altijd heet in de Midi, zoals vandaag in de Provence het kwik ook weer tot ver boven de dertig graden gaat stijgen. Het zijn, onder deze omstandigheden, de sterke geesten en lichamen die Parijs zullen halen. Waarbij niemand overigens Pierre Brambilla als evenbeeld zal kiezen. De Fransman droeg, naar zijn aard en postuur, de bijnaam 'de geblokte boeman'. Ook in 1947 wisten de renners niet waar ze het van de warmte moesten zoeken. Brambilla weigerde onderweg veel te drinken. Iedereen verklaarde hem voor gek. Niemand was ook geneigd een ander standpunt in te nemen, toen men Brambilla op een weggetje zonder enige beschutting in de schroeiende hitte tegen zichzelf hoorde zeggen: “Vooruit jij, oud karkas. Wat? Wil je niet? Dan zul je ook niet drinken!” En hij smeet de inhoud van zijn bidon leeg op de gloeiend hete straatstenen. Dat was vooral toen een onbezonnen actie, omdat het pas sinds 1968 is toegestaan renners op elk gewenst moment van drinkbussen te voorzien. Maar de geest van de verdoemde was sterk, zo leert de anecdote. Hij haalde Parijs, en eindigde achter Robic en Vietto als derde.

Zotten als Brambilla zijn er anno 1994 niet in het peloton, renners die onoordeelkundig met hun krachten omspringen kennelijk legio. Van de 189 in Lille gestarte renners zijn er ruim twee weken later nog maar 139 over. Dit weekeinde gooiden 21 coureurs de handdoek in de ring, gesloopt als ze waren door twee moordende Pyreneeën-etappes, en werd er één op last van de jury van zijn verplichtingen ontheven. Rominger, Bugno, Durand, Tonkov en Armstrong zijn de bekendsten onder de opgevers. De Nederlandse delegatie kwam evenmin zonder kleerscheuren het overgangsweekeinde tussen Pyreneeën en Alpen door. Voskamp (buikloop), Jonker (te veel gegeven) Vermey (ziek, zwak en misselijk) zullen vanochtend de presentatielijst niet meer tekenen. Rob Harmeling (hangen aan de auto) en zijn ploegleider Cees Priem (die hem daartoe aanzette) werden door de jury uit de koers gezet. Wat twee dagen vol geslaagde hersteloperaties hadden moeten worden, ontaardde in een rigoureuze slachting. “Er komen er niet meer dan honderd in Parijs,” sprak Priem, toen hij zich nog in functie waande. “En dan druk ik me optimistisch uit.”

In 1983 draaiden voor het laatst minder dan honderd renners op de slotdag de Champs-Elysées op. Echt verwonderlijk was het niet. In het jaar dat Fignon zijn eerste Tourzege haalde, waren er maar 140 renners gestart. Een beter mikpunt is 1992, toen 130 van de 198 de ronde uitreden. Het afvalpercentage bedraagt, met nog een slopende slotweek (Mont Ventoux, drie Alpenetappes met twee aankomsten bergop en een klimtijdrit) voor de boeg, inmiddels 26. De zwaarste Tour uit de recente geschiedenis is die van 1977, toen 47 van de honderd renners afhaakten. Zeven Nederlanders zitten nog in koers: Breukink, Nijboer, Van Poppel, Dekker, De Vries, Mulders en Talen. Breukink is de hoogst geklasseerde (32ste), de laatste twee staan op de plaatsen 138 en 139. Banesto, GB-MG en Festina zijn nog compleet, GAN en TVM zijn inmiddels meer dan gehalveerd.

Tony Rominger was zaterdag de personificatie van alle afstappers. Tot het vertreksignaal van zaterdag had de Zwitser zijn omgeving nog bezworen van opgeven niet te willen weten. Maar bij kilometerpaal 183, bij het dorpje Saint-Gérard in het departement Tarn, toen hij voor de zoveelste keer achterop was geraakt, blokkeerden geest èn lichaam definitief de weg naar Parijs. “Ik heb niet gehuild, maar mijn hart deed wel pijn,” zo nam hij stijlvol afscheid van de Tour de France . “Bij de start was ik nog optimistisch,” vertelde Rominger. “Ik ging er vanuit dat ik in de vlakke etappes mijn maagklachten zou kunnen onderdrukken. Ik had mijn zinnen op één of twee Alpenetappes gezet. Maar het ging steeds slechter. Ik moest telkens ploeggenoten vragen mij terug te brengen naar het peloton. Het was niet verantwoord nog meer offers te vragen. Afstappen is het makkelijkste dat een renner kan doen, zeg ik altijd. Het makkelijkste is mij heel moeilijk gevallen.”

Waarna hij een waslijst van klachten opsomde: de maag, de pollen (die in het verleden presteren in de zomer in de weg stonden) en de psychische gesteldheid. “Het is moeilijk te accepteren dat ik ondanks een perfecte voorbereiding ver van mijn doelstelling blijf. Lichamelijk en geestelijk ben ik kapot. Het doet me, letterlijk en figuurlijk, aan alle kanten zeer.” Dat Rominger dit jaar in een favorietenrol zat, speelde volgens hem geen rol. “Die stress heb ik nooit gehad, omdat alle druk op de schouders van Indurain ligt. Ik was maar een outsider, een uitdager.”

Rominger lijkt het slachtoffer te zijn geworden van de eenzame positie, waarin hij na de totstandkoning van de fusieploeg Mapei-Clas verzeild was geraakt. Als een volstrekte eenzaat zwoer hij bij de medische en wetenschappelijke adviezen van zijn goeroe, de Italiaanse arts Michele Ferrari. De in opspraak geraakte medicus (door zijn uitlatingen over de 'ongevaarlijke' werking van de synthetische bloeddoping EPO) is als een hogere macht voor de introverte Zwitser. Rominger is niet zijn profeet, maar nog erger, zijn robot. Ferrari heeft het schakelbord op schoot en Rominger reageert op de impulsen. Hij verwerd tot een laboratoriumrenner, die uitermate vatbaar is gebleken voor onbeheersbare invloeden. Zoals het weer. En niemand in de botsing van (Spaanse en Italiaanse) stijlen die zijn ploeg nu is, die durfde in te grijpen.

“De meeste toppers zijn tobbers geworden,” vindt Priem. “Je moet goed kunnen fietsen om hoog in het klassement te staan, maar je moet vooral een sterke persoonlijkheid zijn. En die tref je niet veel in het peloton. Ik kan er maar drie opnoemen: Museeuw, Abdoesjaparov en Indurain.” Terzijde: Poelnikov komt nadrukkelijk niet in dat rijtje voor. Op zoek naar een klassementsrenner had Priem het ja-woord van de Rus gekregen, maar toen Telekom hem 25 mille meer bood en inging op het verzoek de eigen soigneur mee te nemen, trok Poelnikov zijn mondelinge toezegging schielijk in.

“De eerste twee weken is er gereden alsof de Tour maar een week duurde,” slaat de Zeeuwse ploegleider de spijker goed op zijn kop. Drinken helpt niet meer. Het lichaam is als de Sahel, uitgemergeld tot het bot. “Er hoeft maar dit (maakt gebaar met knippende vingers - red.) te gebeuren, of je ligt er uit,” zegt Erik Dekker. “Van Hooydonck was zaterdag super (de Belg trachtte Riis van de dagzege af te houden - red.), maar werd 's avonds ziek en is nu gezien. Ikzelf heb bij iedere inspanning last van een droge keel. Het is om een beetje bang van te worden.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden