Zelfs Belgen hielden van Oranje

Het 'Oranje-gevoel' heeft een lange geschiedenis en iets dubbels: het volk gebruikt de Oranjes, en zij gebruiken het volk

Bij WK's en EK's voetbal hoort een zo langzamerhand rituele verbazing over versierde straten en populaire prullaria. In beschouwingen en opiniebijdragen zoeken scribenten naar verklaringen voor fenomenen als het vervuilen van de openbare ruimte met een schreeuwerige kleur en de aanschaf van spuuglelijke juichpakken van 'stylist' Roy Donders. Dikwijls gaat het dan over door media aangewakkerde massahysterie en een seculiere en geïndividualiseerde samenleving die bij gelegenheid nog zoekt naar wat gemeenschappelijks.

Zelden staan auteurs van dit soort artikelen fatsoenlijk stil bij de historische wortels van de elke twee jaar terugkerende gekte. De versierdrift dateert van ver voor de populariteit als volkssport nummer een.

Lees dit fragment uit de officiële feestgids bij de viering van de zeventigste verjaardag van koning Willem III in 1887: "In den boezem der burgerij, in alle kringen en standen der maatschappij, is als 't ware een edele wedstrijd ontstaan om door straat- en buurtversieringen te toonen dat men den grijzen Koning vereert, dat men zijne bevallige Koningin lief heeft, en dat men zijn bekoorlijk Prinsesje, de hoop, de toekomst der Nederlanden, vergoodt."

Liefde voor de monarchie was niet de enige drijfveer. Straten en sociale groepen wilden zich ook bewijzen. Onvrede over de beoordeling en het mogelijk voortrekken van sommige deelnemers leidde zelfs tot spanningen.

Deze geschiedenis wordt naar boven gehaald in de bundel 'Oranje onder. Populair orangisme van Willem van Oranje tot nu'. Onder redactie van Henk te Velde en Donald Haks, respectievelijk hoogleraar en docent vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden, buigt een groot aantal wetenschappers zich over de trouw en ontrouw aan Oranje door de eeuwen heen. De nadruk ligt nu eens niet op de ontwikkeling van aanhankelijkheidsgevoelens onder de elite maar onder het volk. Dat levert verrassende visies op, bijvoorbeeld over de historische verering van Willem van Oranje, die aanvankelijk nauwelijks bestond en pas een grote vlucht nam door de triomfen van zijn zonen Maurits en Frederik Hendrik.

Na die eerste 'heiligverklaring' waren behalve oprechte gevoelens, ook opportunisme en pragmatisme constanten in de verhouding tussen het volk en de Oranjes. Soms zagen oproerige Nederlanders in deze familie een mooi symbool van hun verzet en probeerden zij hen aan hun zijde te krijgen. Dat lukte lang niet altijd. Halverwege de achttiende eeuw vingen ze bijvoorbeeld bot. De stadhouder wilde geen 'prince of the mob' zijn. Dat belette hem niet om de ontstane situatie in zijn voordeel te gebruiken. Achteraf werd over Willem V gezegd: "Hij heeft de regering naar syn sin verandert, en niets voor ons gedaan."

Ook een bespiegeling over de huidige verhouding tussen de Oranjes en het volk ontbreekt niet in 'Oranje onder'. Etnoloog en historicus Peter Jan Margy ziet in de rituelen van Koninginnedag en Koningsdag iets dubbels: de milde spot wedijvert met het eerbetoon aan de jarigen. De Oranjes worden op hun plaats gezet, soms zelfs te kakken gezet (toiletpotwerpen). De koninklijke familie laat het zich welgevallen. Dit is kennelijk de manier waarop de irrationaliteit van een monarchie in moderne tijden kan worden afgekocht.

De bundel lijdt niet noemenswaardig onder de diverse stijlen en manieren van aanpak van de contribuanten. Wat helpt, is de consequente focus op de onderkant van de samenleving en de gevolgde chronologie.

Een bijdrage is van emeritus hoogleraar politieke geschiedenis Els Witte, over de Oranjecultus in België tussen 1815 en 1850, het onderwerp van haar onlangs verschenen studie 'Het verloren koninkrijk'. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie 1828-1850'. Dat boek vult een lacune in de geschiedschrijving, die steevast weinig aandacht heeft voor verliezers. Als de Belgische Oranjeaanhangers al worden beschreven, dan bestaat de neiging hun rol als relatief onbetekenend af te doen. Witte corrigeert dat beeld.

De orangisten vormden wel degelijk een factor waar de in 1830 in België aangetreden nieuwe machthebbers rekening mee hadden te houden. De schrijfster rekent ook af met andere misverstanden. De beweging steunde niet alleen op Vlaanderen maar ook op Wallonië. En het meeste draagvlak bestond dan wel in de grote steden, dat betekende niet dat de Oranjes op het platteland helemaal geen steun kregen.

'Het verloren koninkrijk' maakt duidelijk waarom het de Belgische orangisten toch niet lukte om hun doelen te verwezenlijken. Ze waren duidelijk overvallen door de gebeurtenissen van 1830, ook door het geweld waarmee de opstand gepaard ging.

Het eigen optreden bleef dikwijls timide en weifelachtig. De politieke overtuigingen in eigen geledingen liepen nogal uiteen: de conservatieve adel dacht fundamenteel anders over de wereld dan betrekkelijk moderne liberalen.

In het begin ontbrak het bovendien aan coördinatie tussen de diverse orangistische centra. Duidelijkheid over het uiteindelijke doel bestond er evenmin. Men was tegen de Belgische Opstand en het nieuwe 'regime', maar hoe moest de herstelde orde er uit zien? Terugkeer naar de oude situatie was onbestaanbaar.

Omdat er voor 1830 vrijwel geen banden waren tussen de Zuid- en de Noord-Nederlandse elite, kon er na de Opstand ook niet op worden teruggevallen. De orangisten fixeerden zich daarom vrijwel volledig op de Nederlandse koning. Die verleende weliswaar financiële steun, maar was door internationale druk beperkt in zijn verdere mogelijkheden. Hij veranderde bovendien nog wel eens van tactiek.

De ijver en nauwgezetheid waarmee Witte de beweging en het bijbehorende tijdperk heeft onderzocht dwingt bewondering af. Weinig aan de beweging voor, tijdens en na de Belgische opstand ontsnapte aan haar aandacht. Ze heeft gemeend het ook allemaal op te moeten schrijven. Die mateloosheid wordt het boek fataal: het had gemakkelijk met de helft van het aantal pagina's toegekund.

Dat Witte af en toe nodeloos moeilijke formuleringen gebruikt komt de leesbaarheid evenmin ten goede. Wat te denken van een zin als "Legitimiteit en usurpatie zijn corrolaria: zolang een vorst geen legitimiteit heeft, blijft hij een usurpator"?

Henk te Velde en Donald Haks (red.): Oranje onder. Populair orangisme van Willem van Oranje tot nu. Prometheus/Bert Bakker, Amsterdam; 304 blz. euro 29,95

Els Witte: Het verloren koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie 1828-1850.

De Bezige Bij, Antwerpen; 496 blz. euro 39,99

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden