Review

Zelfs Bachs heilige passies zijn tegenwoordig bruikbaar voor modern ballet

In deze eeuw is Bach voor alles bruikbaar verklaard. Dus ook voor ballet, al heeft de man geen noot van zijn hele 'Werkverzeichnis' voor deze podiumkunst bestemd.

Johann Sebastian Bach was er de man niet naar zich voor dat gekunstelde vertoon van het lichaam te interesseren. In hun studie 'Dance and the music of Johann Sebastian Bach' (Indiana University, 1991) bevestigen Meredith Little en Nathalie Jenne dat Bach zich niet bezighield met de fysieke gedragscode die tijdens zijn levensdagen door een handjevol dansmeesters aan de West-Europese hoven tot een zelfstandige podiumkunst werd verheven.

De vele danssuites met de sarabandes, chaconnes en gavottes bestemde Bach uitsluitend om beluisterd te worden, niet om op te dansen. Deze bewegingscode was een typisch Italiaans-Franse uitvinding geweest, die zich vanaf de vijftiende eeuw als een olievlek over de West-Europese hofcultuur verspreidde.

In de levensjaren van Bach was bedrevenheid in ballet weliswaar een teken van welgemanierdheid maar dan wel voor zich vervelende kwasten in de directe omgeving van de vorst. De enige overeenkomst met de danssuites van Bach was dat zowel Bach als de eerste balletmeesters zich van gestandaardiseerde dansritmes en bestaande gezelschapsdansen bedienden.

De koppeling liet lang op zich wachten. Tot de jaren dertig van de twintigste eeuw was het nog heiligschennis voor balletmeesters om een Bach-partituur voor hun voorstellingen in aanmerking te laten komen. De eerste choreografen die dit taboe doorbraken, kwamen dan ook niet uit oude balletcentra als de Parijse, Berlijnse, Milanese of Weense Opera. De Europese balletkunst had Russische ballethervormers als Bronislava Nyinska, Michael Fokine en Georges Balanchine nodig om Bach bij het openbreken van verstarde bewegingsesthetiek te betrekken. In feite waren deze Russen daarin voorgegaan door Amerikaanse danseressen die een vrije danskunst nastreefden en daartoe hun corsetten, baleinen en schoenen met verharde teenpunten of hoge hakken aflegden.

Vreemd genoeg wordt in de meeste literatuur over het twintigste eeuwse ballet weinig aandacht besteed aan de dansmuzikale rebellie, maar wel aan de fysieke bevrijding die het moderne ballet met zich meebracht. Omdat het moderne ballet zich rond de Eerste Wereldoorlog van zijn verhalende taak ontsloeg en zich vooral op de schone zeggingskracht van het lichaam concentreerde, werd met de annexatie van het hele muzikale universum een mijlpaal gepasseerd.

Leonid Massine behoort tot de eersten die zelfs tot het choreograferen van hele symfonieën, zoals van Beethoven, overging. Hij brak daarmee met de gewoonte onder choreografen in het Westen om bestaande balletmuziek te nemen of componisten te verzoeken nieuwe 'dansbare' muziek te schrijven. Ook onder impresario Serge Diaghilev was dat nog de gebruikelijke gang van zaken geweest. Maar de choreografen van Diaghilev zagen in hoezeer zij zich hiermee beperkten.

Voor zover bekend waagde Bronislava Nyinska (zuster van de danser Vaslav) zich voor het eerst aan Bach voor een verhaalloos ballet in zes mouvementen. Haar 'Holy Etudes' ging in 1925 in het Engelse Margate in première. Pas zes jaar later vond een uitgewerkte versie hiervan ook in de Parijse Opera plaats, met Nyinska en Lifar in de hoofdrollen. De Pools-Russische choreografe haalde daarmee een hek van de dam en ontsloot muzikaal terrein dat balletdansers en hun choreografen natuurlijk zeer vertrouwd was, maar dat de facto al eeuwen braak lag. Met de komst van abstract ballet bleek zelfs Bachs heilige muziek binnen hun oefenpraktijk gekomen.

De grote doorbraak in de ballet-Bach connectie vond overigens niet in Europa maar in New York plaats, in 1941 met de première van George Balanchines Concerto Barocco, op het dubbelvioolconcert in D mineur. Kortom, de Europese boycot van Bach werd zowel vanuit het Oosten als het Westen ondermijnd.

Bachs bruikbaarheid voor het ballet ligt niet alleen in de logische, inzichtelijke constructie van zijn compositie. Iedereen die wel eens kleuters op een Brandenburgsconcert laat bewegen zal het beamen: de strenge Bach swingt en laat swingen, want hij levert alle bewegers, dus ook doortrainde balletters een ritmisch houvast. Balanchine zei het al: ritme is de bodem van alle dans. Hoewel deze eeuw niet alleen Bach, maar alle geluid dansbaar werd verklaard, is Bach in die doorbraak een soort Baedeker geworden.

Inmiddels kunnen dagen op internet doorgebracht worden om ons ervan te overtuigen dat en hoe Bach honderden choreografen tot een danskunstige verbeelding van zijn seculiere en kerkelijke muziek dwong. Zelfs zijn 'passies' moesten eraan geloven, sinds de Amerikaan John Neumeier zowel de 'Johannes' als de 'Mattheüs Passie' in balletten transformeerde. Het is met Bach zoals Kylian ooit zei: ,,Een choreograaf kan zijn dansers zelfs houtjes laten hakken op Bach, maar Bach wint het altijd.''

En dat is misschien ook de hoofdreden waarom elke zichzelf respecterende choreograaf zich uitgedaagd voelt om zich vroeger of later aan dat hakken te wagen. Wie wil niet uit dat strakke keurslijf van de Barok breken of zich juist naar die logische systematiek en rechtlijnigheid richten? Kylian deed het in 1988 zelfs heel letterlijk door zijn 'Sarabande' van Bach met synthesizergeweld te doorsnijden en zes dansers onder dat muzikale geweld met hun fysieke nietigheid te confronteren. Bach bewijst: er is niets geringer dan een mens.

Beperken we ons tot de laatste drie maanden van dit Nederlandse dansseizoen dan is opmerkelijk hoe vaak Bach als klankbord fungeert. Hij blijkt zelfs favoriet te zijn, al haasten de meeste choreografen te benadrukken dat het aanstaande Bachjaar daar niets mee te maken heeft. Ton Simons koos voor zijn eerste ballet als artistiek leider van de Rotterdamse Dansgroep voor de 'Goldberg Variaties' en Hans Tuerlings van de Tilburgse dansgroep Raz koos voor het duet 'Go with me' voor een adagio uit het 'Italiaans Concert'. Ook Piet Rogie bediende zich in zijn 'Panorama' van Bach-flarden. Het Nederlands Dans Theater opende dit seizoen met Kylians voornoemde 'Sarabande' en Het Nationale Ballet met 'Forsythe's Artifact'.

Bach moest gedogen dat hij zelfs op het balletpodium onmisbaar werd. Naast Tsjaikovski en Stravinsky, de twee belangrijkste balletcomponisten van de laaatste 150 jaar staat Bach op eenzame hoogte in deze kunstdiscipline. Bach is niet meer onbereikbaar of ontoegankelijk, maar hij bleef de onoverwinnelijke uitdager. Dansers bewezen ruimschoots dat hij ook voor andere zaken dan houtjes hakken dient.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden