Zelfkwelling op de ringweg van IJsland

Een trip over de ringweg van IJsland is een reis langs natuur in alle denkbare varianten. Met kloven, geisers, gletsjers, canyons en pikzwarte lavavelden.

Halverwege het puinpad naar de Hverfjall ben ik bang dat de diepe kuilen vol bruin water toch te veel zijn voor mijn Volkswagen Golf. Een tegemoetkomende automobilist ziet blijkbaar de twijfel in mijn ogen en draait zijn raampje open: "Je hebt het ergste gehad, vanaf hier wordt het beter." Dat sterkt de mens en de terugweg is van later zorg.

Aan de voet van de voormalige vulkaan, naast een informatiegebouw in aanbouw, tel ik het geruststellende aantal van veertien auto's. Hoog tegen de lavahelling lopen een paar mensen langzaam naar boven, op de kraterrand zie ik nog een paar gestalten. Na een steile klim kijk ik even later 140 meter zwarte diepte in. Groots en stil is dit landschap. Groots was ook Dimmuborgir, een landschap van grillige vulkanische zuilen en grotten.

Toen ik een paar uur eerder aankwam, was het verre van stil. Vlak voor me kwamen net twee bussen met Koreanen aan. Tijdens deze trip door IJsland zie ik niet vulkaan Katla uitbarsten waarvoor gewaarschuwd werd, maar vooral een eruptie van toeristen. De parkeerplaatsen bij de trekpleisters staan vol, twee rijen dik richten toeristen hun camera's op watervallen, geisers en ijsbergen. Het gros van de bezoekers komt gelukkig niet verder dan honderd passen van de bus, maakt de zoveelste foto en gaat snel verder - hoeveel natuurwonderen kunnen we vandaag nog doen? Zo loop ik toch bijna alleen door het bizarre rotslandschap van Dimmuborgir, naar de formatie aan het eind waar de lava in de vorm van een reusachtige kerk is gestold.

IJsland is immens populair. In 2010 ontving het land 488.000 bezoekers, de prognose voor 2016 staat op 1,7 miljoen. De meesten komen aan op het vliegveld bij Reykjavik en trekken het land in per huurauto. Ik begon mijn roadtrip via de achterdeur van het land, het artistieke dorp Seydisfjördur waar de ferry uit Denemarken aankomt. Voordelen: eigen auto mee, uitgebreid de tijd om tips van medepassagiers tot je te nemen, een tussenstop op de Faerøer en vanuit een hottub op het bovendek de Shetlands aan je voorbij zien glijden. De Noormannen deden het met minder toen ze duizend jaar geleden naar IJsland voeren.

Over IJslands ringweg rijden is wel een uitermate geschikte oefening in zelfkwelling, las ik thuis in mijn reisgids. Ik ben nog maar een paar uur van de boot en heb nog geen kratermeer, gletsjer of vulkaan gezien en toch voel ik al ten volle wat de reisgidsschrijver bedoelt: ik wil de auto uit, ik wil dit landschap ruiken, proeven, ik móet dit fotograferen. Ik zie diepe fjorden waar de weg soms angstig dicht boven hangt, pikzwarte lavavelden, onafzienbare puinvlaktes met snelle waterstromen, tafelbergen die uit het niets opduiken, fluorescerend groene mossen op vlaktes zo hobbelig dat het lijkt of er ballonnen onder het mos zitten.

Hoe kan een land zo leeg en toch zo mooi en elke kilometer weer anders zijn? En waarom kan ik nergens stoppen? Vluchtstroken heeft de ringweg niet, parkeerplaatsen zijn alleen bij de officieel erkende 'highlights der natuur' en op stilstaan staan stevige boetes - ook al zie je een kwartier niemand voorbijkomen. Hoewel ik me wel afvraag wie dat komt controleren. Een enkele keer ligt er een smal strookje gravel naast de weg waarop net twee auto's passen, maar meestal ben ik er al voorbij voor ik het überhaupt zie en duurt het minstens dertig kilometer voor zich weer zo'n mogelijkheid voordoet.

In het dorpje Höfn aan de zuidkust pik ik een lifter op. Justin werkt in een cafetaria bij Jökulsárlón, het beroemde gletsjermeer

met de ijsbergen: afgebroken stukken ijs van Vatnajökull, de gletsjer die me urenlang aan de rechterkant vergezelt. Justin moet even naar de supermarkt in Höfn, een ritje van tachtig kilometer heen en weer terug. Hij is blij met de lift. "En jij hebt ook geluk vandaag. De wind is west, de ijsbergen worden naar de goede kant van het meer geduwd, je kunt ze straks bijna aanraken." De parking bij Jökulsárlón is afgeladen vol. Maar draai je de bussen, auto's en happy campers de rug toe, is er niets dan een onwaarschijnlijk palet in blauw en wit. Met dank aan het trio lucht, ijs en water.

Skogafoss, Thingvellir, Geysir, Myvatn, Asbyrgi. Watervallen, kloven, geisers, heetwaterbronnen, gletsjers, canyons, pruttelende en stomende zwavelbronnen: dit land heeft natuur in elke denkbare variant. De dynamiek van kou en hitte, ijs en vuur dankt het land aan zijn ligging op twee aardplaten die jaarlijks enkele centimeters uit elkaar drijven. Tot welk geweld de elementen in staat zijn, voel ik in het winkelcentrum in Hveragerdi. Dertig seconden lang word ik met een kracht van 6,6 op de schaal van Richter, dezelfde als van de aardbeving die Zuid-IJsland in 2008 trof, door elkaar geschud. Met moeite blijf ik op de been in de simulator.

In het kleine bezoekerscentrum Iceland Erupts praat ik met Gundy. Zij woont met haar man Olafur aan de voet van de vulkaan die in 2010 half Europa platlegde. De Eyjafjallajökull dwong het boerenechtpaar drie keer op de vlucht: meteen na de uitbarsting, daarna voor het smeltwater dat van de gletsjer kwam en tot slot voor de asregens. De film die in het centrum draait, is spectaculair.

Spectaculair slim is de backpacker die later langs de weg staat. Niet 'Reykjavik' of 'next campsite' staat er op het bord dat hij in zijn hand houdt, maar 'I have chocolate'. Dat komt van pas bij mijn uitstapje over de 85, de weg door het noordoosten. Meer dan tweehonderd kilometer rijden backpacker Brent en ik door een grillig groenbruin land van bergen, vlaktes en razende rivieren. De Noord-Atlantische Oceaan ligt erbij als het Sneekermeer op een stille dag, verder is er totale verlatenheid met een weg erdoor. Het aantal bezoekers zal zeker nog verder groeien, de weg vol gaten naar de Hverfjall is volgend jaar vast geasfalteerd, maar zijn grootste kracht zal dit land niet snel verliezen. IJsland is en blijft een verbluffende symfonie van leegte en natuur.

Met de eigen auto naar IJsland

Vanuit het Deense Hirtshals vaart rederij Smyril Line, via Tórshavn op de Faerøer, naar IJsland, smyrilline.nl. De eenbaans ringweg (1350 km lang) of op z'n IJslands hringvegur omspant het ontoegankelijke binnenland. Houd er rekening mee dat de weg ook van de schapen is, dat delen (nog) niet geasfalteerd zijn en dat veel bruggen maar één rijstrook hebben. Op road.is staan regels, tips en de actuele verkeers- en weersinformatie. Wie het binnenland in wil - wat maar een paar maanden per jaar mogelijk is - heeft minimaal een fourwheeldrive nodig. Informatie: visiticeland.com. Met dank aan trolltravel.com en fjallraven.nl.

Verder struinen

Eind oktober verscheen het boek 'Verder struinen op IJsland' van Ruud Schaafsma. Dit wandel- en natuurboek bevat reiservaringen van de schrijver en historische verhalen.

(Uitgave in eigen beheer, euro25, ruud-schaafsma.nl)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden