Zelfcensuur

Zelfcensuur, wen er maar aan,' stond zaterdag pontificaal op de titelpagina van Letter&Geest. Binnenin stond die kop ook nog eens boven een buitengewoon verstandige beschouwing van de antropologe Annette Jansen. Zij riep op tot een kritischer houding tegenover het verbale geweld dat in het publieke debat bon ton is geworden. Voor sommigen is het 'recht op beledigen' zelfs het onmisbare zegel geworden van de vrije democratie.

Dat recht bestaat niet. Je kunt het zelfs niet afleiden uit het grondbeginsel van de vrijheid van meningsuiting. 'Recht op belediging' was ooit een ideetje van Ayaan Hirsi Ali, terloops geuit na afloop van een lezing. Zoals wel vaker was het niet zo'n heel goed idee.

De verwarring ontstaat wanneer de uitingsvrijheid het terrein betreedt van de gevoeligheden van anderen. Ze botst dan op het recht gevrijwaard te zijn van schoffering, eerroof en smaad, waar we over het algemeen eveneens aan hechten. Je zou haar de verbale pendant kunnen noemen van de regel dat de bewegingsvrijheid van mijn vuisten ophoudt waar jouw neus begint.

Beide regels hebben uitzonderingen, in het ene geval noodweer, in het andere het belang van een mening die andermans lichtgeraaktheid overtreft. Maar daarmee wordt schoffering nog geen zelfstandig recht, zoals ook ik niet zomaar het recht heb jou te slaan.

Wie dat wél denkt, verwart juridische precisie met ons nogal ongerichte dagelijkse taalgebruik. Van de weeromstuit krijgen dan allerlei vaagheden de status van 'recht' en wordt de verwarring uitzichtloos. Taal is niet onschuldig.

En daarom stoort mij in de kop van het artikel van Annette Jansen het woord 'zelfcensuur'. Ik weet: met krantenkoppen moet je oppassen. Ik heb er zelf wel eens slechte ervaringen mee gehad. Maar Jansen gebruikt dat woord ook zelf, en daar gaat het mij om.

Censuur is een juridische term, met een lange geschiedenis: het waren allereerst de machthebbers die erdoor beschermd moesten worden. Inclusief de godsdienst, want die vormde de legitimatie van de staat. Wanneer de censuur wordt afgeschaft, dan is dat omdat de macht democratisch is geworden en de burger daar dus in vrijheid mee in discussie moet kunnen gaan.

Vrijheid van meningsuiting betreft dus allereerst de verhouding tussen de burger en de staatsmacht. De eerste moet tegen de tweede worden beschermd - daarom hebben we een grondwet. En daarom ook is er in die laatste ook een bepaling opgenomen die het de staat verbiedt willekeurig onderscheid te maken tussen zijn onderdanen.

Soms wordt dat non-discriminatiebeginsel eveneens van toepassing verklaard op het verkeer tussen burgers, net als de vrijheid van meningsuiting. Dat is een heilloze zaak. Want in het dagelijks verkeer maken wij voortdurend onderscheid tussen de een en de ander. Hoe lief u mij als lezer ook bent, ik zal u niet uitnodigen voor mijn verjaardagsfeest - en bij de rechter maakt u dan weinig kans met een discriminatie-aanklacht. Al was het maar om Haren-achtige toestanden te vermijden.

Ík mag onderscheid maken, maar de staat mag dat niet. Zo is ook de censuur die de staat kan uitoefenen (censuur-achteraf bestaat nog steeds) iets anders dan wat burgers van elkaar mogen verwachten. Dat laatste noemen we goede omgangsvormen en Annette Jansen heeft ze mooi beschreven. Maar ze zijn van een andere orde dan censuur - en moeten dat ook blijven. Het gebruik van dat woord is een retorische truc om het toch al zo gesmade 'fatsoen' nog eens extra verdacht te maken. Daar moeten we niet aan beginnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden