Essay

Zelfcensuur, wen er maar aan

"Door massaal de straat op te gaan, eisen Nederlanders 'hun' territorium op met een dogmatisch idee van vrijheid." Beeld Evert Elzinga / ANP

Naast woede klonk na de aanslagen op Van Gogh en Charlie Hebdo ook de roep om zelfcensuur. Terecht, meent antropologe Annette Jansen: dát is de basis van beschaving.

In het Nederlandse publieke debat over de aanslagen in Parijs is het vrije woord tot hoogste goed verheven en zelfcensuur tot taboe. Maar het vrije woord verdeelt, merkte filosoof Ger Groot op. Ik pleit voor zelfcensuur, want dat vormt de basis van elke menselijke samenleving.

We leggen onszelf continu beperkingen op om geaccepteerd te worden. Dat is de kern van opvoeding en socialisatie.

Je stuurt een kind bij, corrigeert diens uitingen en gedragingen. Als ik een afspraak met een diplomaat heb, kleed ik me netter en stem ik mijn taalgebruik af op de binnen de diplomatie gangbare codes. Idem als ik naar een feestje van vrienden ga of naar een familiereünie. Zo passen we telkens onze taal en kleding aan aan degene bij wie we aansluiting zoeken.

Met wat we zeggen en hoe we ons kleden geven we ook uitdrukking aan onze identiteit en waarden. Als levende culturele symbolen betreden en belichamen we de publieke ruimte. Dat gaat goed zolang in die ruimte het motto 'leven en laten leven' geldt en men zich in bepaalde ruimten - kerk, bibliotheek, ambassade - aanpast aan daar geldende omgangsregels. Het wordt problematisch wanneer de een de ander het recht ontzegt in de publieke ruimte uitdrukking te geven aan zijn of haar identiteit. Dan wordt zelfcensuur het angstvallig jezelf verstoppen. Dan besluit je om maar niet langer een hoofddoek, minirok, of roze T-shirt te dragen om een scheldkanonnade of erger te voorkomen. De boodschap is dan niet 'ik laat jou in je waarde', maar 'jij hoort hier niet' of 'jij mag hier niet zijn'.

Absolute maatstaf
Iets van die boodschap weerklonk na de aanslag op Charlie Hebdo. Het vrije woord kreeg op tv en in de krant de lauwerkrans omgehangen en werd verheven tot absolute maatstaf. Wie niet kan leven met spotprenten over Mohammed, hoort hier niet thuis. Die prenten moesten we zien als humor. Tegelijk gaven vele sprekers toe dat ze er zelf maar nauwelijks om konden lachen, dat ze de prenten zelfs wat smakeloos vonden. Toch werden de Charlie-prenten gloedvol verdedigd en in zevenmiljoenvoud verspreid.

In het Verenigd Koninkrijk sprongen media veel omzichtiger om met de satirische afbeeldingen van Mohammed. Waarom hechten veel Nederlanders zo aan 'het recht om te beledigen'? Volgens antropoloog Peter van der Veer komt dat door de ontzuiling. Sinds Nederlanders zich in de jaren zestig bevrijdden van de ketens van religieuze moraal en gezaghebbers, zijn ze wars geworden van autoriteit, en dat laten ze maar wát graag zien. Of het nu gaat om Rutte, Jezus, Willem-Alexander of Mohammed, ze moeten actief worden beschimpt en bespot. Dat is een erfenis van de Verlichting en onderschrijft het liberaal-humanistisch ideaal van de mens als autonoom individu.

Een romantisch beeld van de Franse revolutie versterkt deze seculiere kritiek. Daarom zijn stemverheffing en schoffering daarbij zo belangrijk. Het vrije woord móet je in het publieke domein opeisen en er luid je stem laten horen: zo vier je steeds opnieuw de revolutionaire bevrijding van kerk en feodale structuren.

Beeld anp

Wat seculieren kenmerkt, schrijft de New Yorkse antropoloog Talal Asad, is dat ze kritiek zien als middel in de strijd tegen onderdrukking. Dat verklaart het in veelvoud afdrukken van de Charlie-prenten. Door massaal de straat op te gaan en via tal van media de symbolen van pen, spotprent en het 'Je suis Charlie' te verspreiden, eisen Nederlanders 'hun' territorium op voor een exclusief begrip van vrijheid.

Heel begrijpelijk, maar het vermindert de spanningen tussen culturen niet.

Miljarden anders-denkenden
We hebben de plicht te snappen waaróm Mohammedcartoons hele bevolkingsgroepen diep kwetsen. Het getuigt namelijk van moreel dogmatisme wanneer we in reactie op de moord op de makers van Charlie Hebdo alleen maar harder roepen dat de vrijheid van meningsuiting boven alles gaat en we de spotprenten enkel met seculiere normen beoordelen. We leven nu eenmaal niet in totale afzondering van mensen met andere overtuigingen.

We delen de aardbol met miljarden anders-denkenden - door de globalisering zien we dat scherper dan ooit. De onlangs overleden Duitse socioloog Ulrich Beck voerde de laatste jaren een vurig pleidooi voor een andere aanpak van problemen door globalisering en migratie. We bestuderen die nog steeds vanuit het idee dat de wereld uit natie-staten bestaat, elk met hun eigen culturele identiteit. Maar de 'ander' bevindt zich al jaren niet meer buiten onze grenzen, hij is in ons midden. Door mondialisering ontstaan nieuwe relaties en verbanden tussen 'ons en hen'.

We kunnen niet doen alsof we niets te maken hebben met de gevoeligheden van moslims en simpelweg luider roepen dat binnen onze landgrenzen de vrijheid van meningsuiting alles bepaalt. Zo'n positie richt schade aan in de samenleving, en is bovendien onhoudbaar, want vrijheid is geen individueel maar een gemeenschappelijk goed. Die vrijheid ontstaat door het voortdurend zoeken naar consensus en compromis zodat de vrijheid van de één de ander zo min mogelijk schaadt.

Nu de grenzen tussen 'ons' en 'hen' vervagen, verkeren we in een afhankelijke en kwetsbare relatie met miljarden moslims over de wereld en in ons midden - of we dat nu willen of niet. Het lijkt mij, schrijft de progressieve filosofe Judith Butler, "dat er zelfs in situaties van vijandig of ongewenst samenleven, bepaalde ethische verplichtingen gelden. Aangezien we niet kunnen kiezen met wie we de aardbol willen bewonen, dienen we het leven te beschermen van hen van wie we niet houden, nooit van zullen houden, die we niet kennen en niet uitkozen. We zijn veroordeeld tot elkaar in een even hartstochtelijke als angstaanjagende verbintenis."

Nationaal zelfbeeld
Hoe bevorder je de harmonie met de ander-die-jij-niet-kiest? In Nederland deden we dat met de bekende tolerantie en pluriformiteit. Als er iets is wat ons nationaal zelfbeeld gevormd heeft (waar ook niet-Nederlanders bewonderend naar keken en over spraken), dan is het wel 'Nederland-tolerant'. 'Wij' boden al in de vijftiende eeuw onderdak aan door de katholieken vervolgde Spaanse en Portugese Joden, 'wij' maakten met de Vrede van Utrecht (1713) een eind aan twee eeuwen van godsdienstoorlogen.

Tolerantie was toen het gedogen van religieuze verscheidenheid, van katholieken, lutheranen en Joden in de calvinistische gebieden 'boven de rivieren'. Tolerantie was een houding van 'je er niet mee bemoeien'. In het Nederland van de multiculturele samenleving kreeg ze een andere lading: het aangaan van relaties met anderen, het zoeken van culturele uitwisseling en kruisbestuiving.

Sinds de moorden op Fortuyn en Van Gogh wordt tolerantie steeds vaker opgevat als exclusieve waarde van seculier Nederland, en als het tegendeel van de islam. Terwijl religies net zo goed tolerante tradities kennen, en seculiere ideologieën (zoals communisme) grossieren in onderdrukking. Vreemd genoeg heeft tolerantie het imago gekregen van een seculiere deugd, die gelovigen vreemd is. Ze floreert door de onbeperkte vrijheid van meningsuiting die geen beknotting verdraagt door wetten tegen haatzaaien, discriminatie en blasfemie.

Hierdoor zijn we het zicht kwijtgeraakt op de oorspronkelijke betekenis van tolerantie: gedogen, ruimte geven aan wie anders is of denkt. Deze tolerantie vereist enige zelfcensuur. Die ontstaat als je de onlosmakelijke relatie tussen jezelf en de ander-die-je-niet-kiest erkent. Je houdt rekening met de ander, doet aan zelfcensuur, als je de ander in de buurt wil hebben of haar nabuurschap tenminste accepteert en de ander echt ziet. En dat is nu net het probleem.

'Oprotten'
Pim Fortuyn en Paul Scheffer wezen erop dat we in de multiculturele samenleving in ontkenning leefden, we ontkenden het probleem van de lelijke en schurende kanten van leven met andere culturen. Sindsdien zijn we vooral goed geworden in het benoemen van de problemen en hoofdschuldigen. 'Ik zeg wat ik denk' werd de nieuwe norm, 'kutmarokkaan', 'doe eens normaal' en 'oprotten' kwam in het ABN terecht. Maar veel verder zijn we niet gekomen.

We hebben de angel niet uit het conflict gehaald. Tien jaar na de moord op Van Gogh ontkennen we de schaduwkanten van absolute vrijheid van meningsuiting. Maar veel belangrijker nog: we ontkennen dat we inmiddels in een postseculiere samenleving zijn beland.

We verabsoluteren de vrijheid van meningsuiting en negeren dat geloof voor veel (islamitische) Nederlanders weer belangrijk is. Vóór de ontkerkelijking hielden we rekening met de gevoeligheden van gelovigen. Nu een nieuwe groep godsdienst weer van belang vindt, staat ons dat weer te doen.

Hebben we daarbij een strenge wet op godslastering nodig? Nee, maar wel een scherper gevoel voor de toon en vorm van religiekritiek. "De vrijheid van meningsuiting moet niet verworden tot het recht om te beledigen," riep dj Giel Beelen geëmotioneerd in 'De Wereld Draait Door'. Iets dergelijks hoorde ik de laatste dagen vaker op radio en tv. Laten we van 'ik zeg wat ik denk' opschuiven naar 'je mag het zeggen, maar het hoeft niet'. Of: je mag het zeggen, maar kun je misschien even nadenken over hoe je dat wilt doen?

Niet laten verzieken
Hebben we een moraalpolitie nodig? Nee, maar wel meer bemoeienis. Niet van Bromsnor maar van onszelf. De participatiemaatschappij gaat niet alleen over bijdragen aan de ouderenzorg, maar ook aan de sfeer op straat. Dat we te bang zijn om iemand op gedrag aan te spreken, is de keerzijde van het almaar oprekken van de vrijheid van meningsuiting. Als alles 'moet kunnen', dan durft niemand meer in te grijpen bij grof gedrag en gescheld. 'Een minderheid verziekt het altijd weer voor de meerderheid,' klagen we vaak. Maar die meerderheid moet het ook niet laten verzieken.

Hebben we strengere wetgeving nodig? Nee, maar wel striktere toepassing van de wet op haatzaaien. Met geweld van je mening kond doen of tot geweld oproepen is een andere ondergrens. De jurisprudentie is altijd een afspiegeling van wat burgers (on)toelaatbaar vinden. Ten tijde van de nationalistische Janmaat (Centrumpartij) kon 'vol is vol' roepen leiden tot een veroordeling, mede omdat de herinnering aan oorlog en fascisme nog verser was. Als we als samenleving vragen om sneller ingrijpen bij haatzaaien (of het nu gaat om oproepen tot de heilige oorlog of 'minder, minder, minder Marokkanen') zal de rechtspraak daarop reageren.

Het is tijd om het verbaal geweld in het politieke en publieke debat kritisch onder de loep te nemen. Want we kunnen niet hardnekkig blijven ontkennen dat we in een postseculiere samenleving leven en dat geloof in Nederland weer een factor van betekenis is.

Annette Jansen (1977) is als sociaal-antropoloog verbonden aan de VU Amsterdam. Daarnaast adviseert ze bij conflicten in onder meer Afghanistan, Pakistan en Indonesië.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden