Zelf postmodernistje spelen

Voor de lezer ligt het misschien anders, maar ik heb me geweldig vermaakt met de reacties van Hoogland, Van der Tuin en Joosten op mijn ' Pleidooi voor de westerse canon'. Het verwijt dat ik een karikatuur heb gemaakt van het postmodernisme klinkt fraai uit de mond van mensen die onbekommerd termen gebruiken als ' vertrokkenheid', ' gesitueerd denken', ' een van tevoren gegeven oppositioneel kader', ' verzwegen claims' en ' witheid' . Karikaturaler kan ik het zelf niet maken.

Joosten schrijft dat mijn kritiek niet geldt voor de Nederlandse letterkunde, want daar zou het nog erg traditioneel toegaan. Nu heb ik geen pleidooi gehouden voor een canon van de Nederlandse literatuur maar voor een canon van de westerse filosofie en literatuur. Ik had meer het oog op Homerus, Plato, Dante, Shakespeare en Goethe. Maar toch is het gek dat Joosten zich afvraagt waar ik op doel als het gaat om de literatuurwetenschap. Lees het artikel hiernaast van Hoogland en Van der Tuin nog eens zorgvuldig na en je weet precies waar ik op doel.

Het kan zijn dat Joosten de ontwikkelingen in zijn eigen vakgebied wat uit het oog heeft verloren, maar zijn eigen stukken had Joosten toch wel wat beter mogen kennen. Wat leren we als we zijn postmoderne voortbrengselen lezen? In ' De draaideur van Esther Gerritsen' (Parmentier, 2004/13) schrijft Joosten dat een postmodernist gedwongen is uit te leggen waarom de teksten van André Hazes niet ' minder cultureel zouden zijn dan Gorters Verzen van 1890'. Of waarom ' de uit een principieel existentialistisch solipsisme voortkomende vergaande onverstaanbaarheid van Kees Ouwens van een vergelijkbare orde is als die uit een nooit helemaal verholpen Nijmeegs accent voortkomende onverstaanbaarheid van Frank Boeijen'. Volgens Joosten zelf is een smartlappentekst van André Hazes geenszins ' minderwaardig' aan een gedicht van Herman Gorter.

Volgens Hoogland en Van der Tuin heeft de gelijkstelling van hogere en lagere cultuur weinig met de ' postmoderne theorievorming' te maken. Maar Jos Joosten dan? Moeten we hem soms rekenen tot de ' populaire receptie' van het postmodernisme? En als Hazes even hoogstaand is als Gorter, wie zijn Hoogland en Van der Tuin dan om te suggereren dat de populaire receptie van het postmodernisme lager staat dan de postmoderne theorievorming? Is dat geen voorbeeld van het verdoemde hiërarchische denken, dat voortkomt uit ' een meer algemene angst voor machtsverbrokkeling en maatschappelijke verwarring'?

Ik zou eigenlijk ' renée c. hoogland' moeten schrijven, want ' hoogland' wil het liefst ' hoofdletterloos' door het leven, ' een voorkeur die haar niet in dank wordt afgenomen door de pietje-preciezen van het Nederlandse publicatiewezen' (' De Terreur van de Kapitaal', in: Lover, 2005/2). Zijn dit soms de ' uitdagingen' die door de huidige letterenstudies ' serieus opgepakt' dienen te worden? Je naam in kleine letters schrijven -- is dat de eerste stap naar een ' zeer zelfbewust perspectief' dat ' de dialoog met de (gevestigde) geschiedenis aangaat'?

Jos Joosten kan zich niets voorstellen bij ' modieuze, politiek-correcte exercities' aan Nederlandse universiteiten. O nee? In een recensie van het internettijdschrift Kiez21 is hij ' vooral benieuwd naar de grenzen tussen tekst en uitvoering' op websites. Joosten doet dan enkele suggesties: ' Mogen kleine Besnorde Adolfjes een tekst larderen over de kunstopvattingen van Geert Wilders? Of zien we pornostills bij een tekst over de nieuwe kuisheid?' Poeh, poeh, die Jos heeft lef. Wilders in verband brengen met Hitler, de nieuwe kuisheid larderen met porno. Dat zijn de prangende problemen van Joosten, die als literatuurwetenschapper ' alweer een paar jaar gemiddeld zo'n twee keer per week kort maar heel concreet nadenkt over de prangende problematiek van tekst en werkelijkheid'.

De arme Joosten is balling in eigen land. Hij heeft er moeite mee Nederlander te zijn, omdat hij dan ' inwoner is van een land dat als laatste de slavernij afschafte', en dat is niet het enige, het is ook ' een land dat in de jaren zeventig nog schietbevelen gaf tegen treinkapers'. Het lijkt erop alsof Joosten al jaren niet meer buiten is geweest. Misschien moet hij eens een weekendje naar Londen. Sightseeing.

Hij is twintig jaar na het einde van de oorlog geboren, maar bij het wijwater waarmee hij katholiek gedoopt is, denkt hij: ' Mijn doopwater is hetzelfde water waarmee de wapens voor het Oostfront werden gezegend'. Je bedoelt toch niet, Jos, dat je, door als weerloze baby te zijn gedoopt, medeplichtig bent gemaakt aan de gruwelen van het Oostfront?

Het spreekt vanzelf dat Joosten, onmodieus, geen enkel begrip kan opbrengen voor Willem Jan Ottens Het wonder van de losse olifanten (1999), waarin de schrijver zijn bekering tot het katholicisme schetst. Joosten heeft immers een eigen ' perspectivische visie' op het christendom, waarin de gelovige niet gelovig is, maar optreedt ' als een geweldloze anarchist, als een ironische deconstructeur van aanspraken van de historische ordeningssystemen'. Arme studenten die zo'n zin moeten aanhoren.

Op zijn werkkamer aan de Utrechtse letterenfaculteit luistert Joosten naar André Hazes en componeert zinnen als ' Ik denk dat je heel dicht bij de waarheid komt, als je je realiseert dat tekst ons onvermijdelijke intermediair is'. Dagelijks loopt hij door de draaideur van Hoog Catharijne en bedenkt dat die, ook al zou hij hem aan ons laten zien, ' niet minder tekstig' wordt, maar ' alleen maar iets meer ons aller tekst'. Je gelooft het niet als je het niet zelf gelezen hebt.

' Het inzicht dat taal niet verwijst naar een werkelijkheid die buiten de taal ligt', betekent volgens Hoogland en Van der Tuin helemaal niet ' dat er geen werkelijkheid bestaat'. We halen weer opgelucht adem. Totdat ik bij Joosten lees dat de provincie Gelderland ' een totaal fictioneel papieren verzinsel is', ja zelfs ' dat Gelderland niet bestaat' (in:

' Een chronisch gebrek aan identiteit', 2003).

Aan het eind van zijn reactie op mijn artikel komt Joosten met zijn vulgair-marxistische geloofsbrieven: ' De canon is geen onwrikbaar gegeven, maar de afspiegeling van de maatschappelijke verhoudingen van een bepaald moment, met alle complexe maatschappelijke, economische en sociologische aspecten van dien. Dat kun je leuk vinden of postmodern, maar het is een feit.' Ik begrijp heel goed dat een bloemlezing van 19de-eeuwse poëzie van Gerrit Komrij er anders uitziet dan een bloemlezing van renée c. hoogland (Dat is de Mevrouw Die Hoofdletters Haat). Maar ik noemde Plato en de hele bups. Daarmee bedoel ik dat we de bronnen van onze beschaving moeten kennen, de klassieke oudheid, het christendom, de renaissance, en zo verder. Hoogland en Van der Tuin schrijven dat ' de door Spits bewonderde auteurs en filosofen gewoon moeten meeconcurreren om de aandacht; en dat zijn de witte Europese dode mannen nu eenmaal niet gewend'. Nee, dat klopt, Socrates als ' witte Europese dode man' kreeg de gifbeker, maar hij was inderdaad niet gewend aan de concurrentie van André Hazes. (Is dat niet ook een ' witte Europese dode man'?)

Waar is Vestdijk gebleven, vraagt Joosten zich af. Dat is een mooie vraag, maar kun je die beantwoorden met de meetlat van Joosten, die ' afspiegeling van de maatschappelijke verhoudingen van een bepaald moment, met alle complexe maatschappelijke, economische en sociologische aspecten van dien'? Ik ben met name benieuwd naar de complexe economische aspecten in verband met Vestdijks roman ' Ivoren wachters'.

Niet alleen de werkelijkheid bestaat niet, volgens Joosten, maar er bestaat ook geen enkel inhoudelijk criterium om de kwaliteit van literatuur te meten. Wie antieken als Plato, Aristoteles en Cicero en modernen als Rousseau en Nietzsche als belangrijke auteurs uit de westerse filosofie en literatuur beschouwt, stelt ' nu ineens', plotseling en uit het niets, ' een fictieve canonieke Waarheid' op. Maar als we willen weten waarvoor onze beschaving staat en wie wij zijn, moeten we de boeken van deze grote auteurs lezen. Wie wil weten wat een juist begrepen mondigheid is, leze Kant. Wie zijn mond open wil doen over het recht op vrije meningsuiting, doet er goed aan eerst Voltaire te raadplegen. Je moet als literatuurwetenschapper toch wel erg ver zijn afgedwaald als je een oproep om deze belangrijke werken te lezen afdoet als ' heel erg anno nu'. Hoogland, Van der Tuin en Joosten: dat is een cursus zelf postmodernistje spelen aan de universiteit.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden