Zeg toch, Minne, wanneer weer

Als weinigen sinds het Hooglied verwoordde de middeleeuwse Hadewijch haar mystieke beleving ongeremd in erotische metaforen. Mocht dit nog wel 'mystische liefde' heten?, vroeg men zich in de 19de eeuw af. In haar poëzie toont Hadewijch dat ook de mystiek net als andere liefde weet heeft van de droefte na de daad.

In de Amsterdamse 'Brakke Grond' werd in 1985 het stuk 'Hadewijch' opgevoerd, een bloemlezing van teksten door toneelgroep Proloog. De Vlaamse actrice Frieda Pittoors schreeuwde het liefdesverlangen uit van de mystica. Dat ze dat in haar blootje deed voegde niet weinig toe aan de opwinding.

Na de voorstelling volgde een saaie toelichting van een Vlaamse geleerde -het Hadewijch-onderzoek is bijna exclusief het terrein van Vlaamse paters en filologen- die zijn twijfel uitsprak over de interpretatie van de regisseur. Opnieuw beroering in de zaal, en de componist Louis Andriessen, die toen ook bezig was met een muziekstuk over Hadewijch ('De materie', 1988), moest eraan te pas komen om met sussende woorden vlees en geest te verzoenen.

Behalve dat zij uit de zuidelijke Nederlanden komt, en in de dertiende eeuw leefde, is over Hadewijch weinig bekend. Ze wordt wel als begijn beschouwd, maar meer dan dat zij te eniger tijd een 'kring' om zich heen had, weten we eigenlijk niet. Vast staat slechts dat zij 16 vrije, en 45 gedichten in coupletvorm naliet, en in proza 14 visoenen en 31 brieven.

De visoenen bevatten de meest 'expliciete passages', en de gedichten in coupletvorm, die in Hadewijchs geval altijd 'strofische gedichten' worden genoemd, bezingen vooral een verloren liefde. In het begin van de negentiende eeuw brachten de herontdekkers van Hadewijch haar gedichten onder bij de minnezangen van de troubadours, waarmee de strofische gedichten veel vormovereenkomsten vertonen. In 1854 vroeg de katholieke literator J.A. Alberdinck Thijm zich bezorgd af of ze wel over een 'mystische liefde' gingen.

In zijn 'Liefde en avondland' (1939) opperde de Franse cultuurfilosoof Denis de Rougemont de veronderstelling dat waar, zoals in de Indiase mystiek, sprake is van vereenzelviging met de godheid, nauwelijks erotische beeldspraak gebezigd wordt. In het Westen is zo'n 'godwording' eigenlijk alleen bij Meester Eckhart te vinden, en in diens werk treft men geen romances aan. ,,Maar als de ziel zich niet totaal met God kan vereenzelvigen, zoals de orthodox-christelijke leer poneert, vloeit daaruit voort dat de liefde van de ziel tot God zeer bepaald een wederzijdse ongelukkige liefde is.''

Van Jan van Ruusbroec (1293-1381), ook een mysticus uit de zuidelijke Nederlanden, en bovendien een bewonderaar van Hadewijch, zegt De Rougemont vervolgens: ,,Het vlammende proza van Ruusbroec vloeit over van de metaforen van de passie: onderdompeling in de liefde, bezwijmingen, omhelzingen, stormen van ongeduld, ruisende verrukkingen, dronkenschap, verwondingen door de liefde...''

Die karakterisering geldt des te sterker voor Hadewijch. Haar visioenen zijn allegorische tableaus, maar soms ontmoet zij in die landschappen 'mijn lief ': ,,Op die machtige plaats zat degene die ik zocht en met wie ik in opperste verrukking verenigd wilde worden. Zijn uiterlijk was in geen enkele taal te beschrijven. Zijn hoofd was groot en breed en gekroond met een kroon die gemaakt leek van een steen die sardonyx heet en drie kleuren heeft: wit, zwart en rood. Zijn ogen waren wonderlijk om te zien, onbeschrijfelijk, ze trokken alles naar zich toe in liefde. Daar kan ik niets van onder woorden brengen. Want de onnoemelijke schoonheid, en de meer dan zoete zoetheid van dat waardige, wonderbaarlijke gezicht maakten het mij onmogelijk hem met iets te vergelijken' (Visioenen, I, vertaling uit het Middelnederlands van Imme Dros, 1996).

Byzantijnse luister, de Alheerser in de mozaïeken van Ravenna, zeker. Maar niet te vergeten ook bakvisachtig in haar verliefdheid: met geen pen te beschrijven, en ondertussen maar opgeven van de kwaliteiten van 'mijn lief'! Die toewijding loont, want in het tiende visioen zegt haar lief: 'Kijk, bruid en moeder, alleen jij hebt mij als God en mens nageleefd'. 100 jaar later noemde Ruusbroec die beloning 'Gheestelike Brulocht'.

Vóór de bruiloft tussen Hadewijch en Christus vond in het zevende visioen al een vereniging plaats die weinig geestelijks om het lijf had: ,,Daarna kwam hij zelf bij me en hij nam me helemaal in zijn armen en trok me tegen zich aan. En al mijn leden voelden zijn leden op een volmaakt bevredigende manier, zoals mijn hart begeerde, zoals ik als mens nodig had. Toen werd de honger van mijn lichaam gestild tot ik totaal verzadigd was''.

Niet voor niks heeft Andriessen dít visioen op muziek gezet. Maar ook elders in de Visioenen dwaalt een vervoerde Hadewijch rond als een geile Alice in Wonderland. Nog niet zo lang geleden heeft zo'n Vlaamse geleerde,

J. Reynaert, proberen uit te leggen dat het allemaal heel erotisch klinkt, maar dat het zevende visioen eigenlijk geen visioen in strikte zin is, maar een aanloop, hoogstens een 'vertroosting' (De beeldspraak van Hadewijch, 1981).

Een waarschuwing voor seks vóór het huwelijk dus. Overigens is ook het tiende visioen voor bóven de achttien: ,,Ik viel in hem neer en verloor het vermogen te zien en te horen. En ik lag een half uur lang in de gelukzaligheid van die omhelzing. Maar toen was de nacht voorbij, en ik kwam terug, jammerlijk klagend over mijn ellende, zoals ik de hele winter heb gedaan''.

In de Visioenen volgt deze koude douche op de vereniging van Hadewijch met haar lief, maar in de Strofische gedichten ontbreekt de jeu en de fleur geheel. Het mag lente zijn, de vogels mogen zingen, over alles ligt de floers van ongelukkige liefde.

Zeg mij, Minne, toch wanneer

Zult gij mij het licht weer geven u

Komt aan duisternis ooit een keer,

Mag ik in de zon weer leven u

Lange verzen over een ellendig leven zonder haar lief, over de pijn van het zijn, en andere onthoudingsverschijnselen. De Rougemont heeft gelijk dat voor de benadering van God Hadewijch erotiek inzet als wapen. Die verleiding in de geest heeft zijn prijs. In de Visioenen is de dolor post coïtum, droefte na de daad, aanwijsbaar. Ontmoetingen eindigen op klagelijke toon, want voor verliefden is het nooit genoeg. Verlangen geeft de Visioenen die koortsige hitte.

Maar de Visioenen zijn zeker niet onverdeeld 'ongelukkig' zoals De Rougemont wil. Voor Hadewijchs ogen ontvouwen zich tuinen en steden, worden haar mededelingen gedaan over de ordening van de deugden en lijst van rechtvaardigen op aarde. Ook over haar eigen plaats tussen de beoefenaars van de mystieke min. Wonderlijke bomen, geheimzinnige stenen en de sprekende arend maken het lezen van de Visioenen voor ons tot een genot van romaanse verbeelding.

Die gezichten en inzichten werden opgeroepen in het minnespel met hem. Zij worden God of Christus ontfutseld. Reynaert en Andriessen geloven dat die seksualiteit in Hadewijchs beeldspraak is geraakt, omdat de middeleeuwers de lichamelijke liefde licht opvatten. ,,Volgens mij had de gelofte van kuisheid meer te maken met een soort belofte van trouw dan met seksuele onthouding'' (L. Andriessen: 'Gestolen tijd', 2002).

Het tegendeel is waar. Hadewijch en de haren richtten hun liefde op het onbereikbare omdat zij wist dat de vlammen hoger oplaaien als ze het hout alleen lekken en niet verteren. Hadewijch deed 'het' niet dan in haar verbeelding, en het was juist de 'kuisheid' die de verbeelding verhitte. 'Overschatting van het object' is volgens Freud de prijs van alle verliefdheid, maar voor Hadewijch de enige weg: het ging om niet minder dan God.

Verliefdheid, des te sterker vanwege de onthouding, baande haar een weg naar de zevende hemel. Helaas, zoals alle minnaars moeten vaststellen, is ook verliefdheid onderhevig aan 'de wet van de verminderde meeropbrengst'. Steeds hoger moet het vuur gestookt worden om dezelfde verrukkingen te smaken, en vanaf een zeker ogenblik bedreigt gewenning ook de verbeelding van de mystica. Van die frustratie getuigen de Strofische Gedichten. Uit het vijfde visioen blijkt dat de kerk meer in haar maag zat met de vereenzelviging, dan met de hitsige praatjes.

Hadewijch zegt tegen God: ,,Ik erkende je volmaakte gerechtigheid nog niet. Daarom viel ik en werd ik Lucifer. Het was de reden waarom ik in ongenade viel bij de mensen, zodat ik hun vreemd bleef en zij mij wreed bejegenden. Ik wilde met louter liefde levende en dode mensen redden uit het dal van wanhoop, van zonde, en ik liet hun pijn lichter maken, doden uit de hel naar het vagevuur sturen, en levenden uit de hel in de hemel voeren.''

God overschatten is onmogelijk, en als de erotiek de hoogste loftuitingen losmaakt, moet men wat door de vingers zien. Maar hier overschatte Hadewijch haar verliefde zelf. God is liefde, maar liefde geen God.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden