Zeg Adam, zet jij de vuilniszakken even buiten?

Zouden Adam en Eva in het Paradijs met elkaar hebben gesproken? Beheersten ze enige taal, hadden ze elkaar iets te melden? Waarover spreek je, als je het Paradijs bewoont? Zeg Adam, zet jij de vuilniszakken even buiten? Het lijkt me niet waarschijnlijk. Gloria in Excelsis Deo is aannemelijker, maar ook dat zal eens gaan vervelen.

MAYA ZIELINSKI RASKER

Praat je in het Paradijs over haaruitval, het sterrenstelsel, over seks? Over lommerrijk geboomte en de Lieve Heer? Misschien doe je er liever het zwijgen toe, temidden van de Volmaaktheid. De Bijbel is hierover niet erg uitgesproken. Volgens de tekst (Genesis 2; 8-25) peinst God wat voor zich uit: “Het is niet goed dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past”, en aldus gehandeld vervolgt de Bijbel: “Toen zeide de mens: Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees (...)”. Er wordt dus wel degelijk gesproken, maar tot wie en in welke hoedanigheid blijft ongewis. Voorlopig, zo lijkt het, spreekt de God slechts in zichzelf tot de mens, en ook de mens mompelt maar wat ins Blauwe hinein. Van een tweegesprek tussen hen is in elk geval geen sprake, en tussen de twee bewoners van het Paradijs al helemaal niet.

Zelfs op het moment suprême, wanneer de appel wordt geconsumeerd, doen Adam en Eva er het zwijgen toe: “en zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at.” Gezien de omstandigheden zou je aannemen dat Adam op dat moment toch enige tegenwerping zou maken, maar niks van dit alles. Het is en blijft stil in het Paradijs.

Het eerste paradijselijk tweegesprek waarvan de Bijbel melding maakt is dat tussen de vrouw en de slang. De slang spreekt Eva rechtstreeks aan en zij op haar beurt antwoordt hem. Overigens heeft God ook een poging ondernomen om de dialoog met de mens te openen, maar hij heeft dat minder slim aangepakt. Want wat doet hij: hij legt de mens een gebod op, het gebod om niet van de boom der kennis van goed en kwaad te eten. De moderne communicatieleer had hem kunnen vertellen dat een gebod zelden de dialoog opent, maar zo ver waren we toen nog niet. De slang daarentegen, immers 'de listigste van alle dieren des velds', stelt zich empathischer op en brengt wel een gesprek op gang, zoals bekend met verstrekkende gevolgen.

Een vergelijkbare ervaring hebben wij, gewone stervelingen, met Adam en Eva gemeen. Wij allen rolden met een geweldige klap de wereld in, nadat het eerste gesprekje op gang was gekomen: namelijk toen we leerden dat een stoel een object is om op te zitten, en niet om vroemmm vroemmm mee door het huis te rijden.

Zo rond het tweede levensjaar leert het kind de nodige woorden, al dan niet in eigen verbastering. Het is een feestelijke tijd, want het kind strooit lukraak wat kreten in het rond en de blijde ouders reageren op iedere kraai met groot applaus. Of paps en mams werkelijk weten waarover hij het heeft is maar de vraag - en die vraag hoeft het kind niet te stellen. De communicatie verloopt immers nog niet verbaal, de woorden zijn slechts Spielerei.

Maar dan komt het moment waarop woord en betekenis, kreet en reactie in het kleine kinderbrein een connectie maken. Het gekraai krijgt een communicatieve functie: om een wens uit te drukken, om een object te benoemen, en om aldus ook begrepen te worden. En daar begint het probleem, want geen ouder begrijpt de wartaal van zijn kleine feilloos (al zijn er velen die beweren dit wel te kunnen) en het kind loopt, rood van frustratie, met zijn kleine koppetje tegen de harde muur van de realiteit.

Wie goed kijkt, ziet dat het kind in deze periode verdreven wordt uit het Paradijs van de vroege kindertijd, die staat van Volmaaktheid toen alles nog één was en ondeelbaar. Het woord, of beter: het woord dat begrepen wil worden, vormt de eerste waterscheiding tussen het zojuist verworven Ik en de rest van de wereld. Het Paradijs, waarin een woordeloos zijn volstaat om de eenheid te ervaren, wordt ingeruild voor een voortdurende spraakverwarring, waarin we dat gevoel van eenheid nog wel eens zullen benaderen (in bed), maar nooit meer volledig zullen beleven. Het kind leert over het Ik en de Ander - en alles wat daartussen mis kan gaan. Het kind ervaart schaamte - en plukt zijn eerste vijgeblad. Het kind is langzaam mens aan het worden.

God heeft in deze prille fase overigens nog een denkfout gemaakt, één die je wel vaker ziet bij jonge ouders. Het gebod dat hij uitvaardigde ging ervan uit dat de ontvanger, zo deze al luisterde, een zeker besef had van de implicaties van dit gebod. “Van alle bomen in het hof moogt gij vrij eten. Maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten.” Maar ... wat wisten Adam en Eva van goed en kwaad? Wat zou er mis zijn met die boom?

Je kunt tegen een kind wel zeggen dat het niet de straat op mag, maar wat weet het van het verband tussen voorbijsnellende auto's en uitéénspattende kinderhoofdjes? Niets. Nooit meegemaakt. Nooit van gehoord ook. Dus, zo leert de ervaring, een kind dat al razend wordt wanneer het zich onbegrepen voelt, ontplóft bij een gebod dat het niet kan doorgronden. Een gebod heeft derhalve geen enkele zin voor de onbevlekte geest. Daarop moet eerst een zeker reliëf aangebracht worden, en daarvoor moeten we het volle leven in.

(Toen ik een jaar of zeven was stond Jan Wolkers' Turks Fruit met stip op één. Iedereen scheen het te lezen, alle grote mensen om mij heen spraken erover, het intrigeerde me mateloos. Met oprechte belangstelling ben ik - heimelijk - het boek gaan lezen om teleurgesteld vast te stellen dat niets erin aanleiding gaf tot enige opwinding: het was een sloom verhaal van grote mensen die de hele dag praatten. Bij herlezing, zo rond mijn veertiende, steeg pas een blosje naar mijn wangen; het was toch wel spannend, al werd er nog steeds te veel gepraat.)

“Om te overleven moet men in de leer gaan bij de realiteit”, schrijft Peter Sloterdijk in zijn 'Kritiek van de cynische rede' (1984) “De taal van goedbedoelende mensen noemt dat 'volwassen worden' en daar zit een kern van waarheid in. Maar dat is niet alles. Het meegaande bewustzijn kijkt steeds ietwat onrustig en prikkelbaar om zich heen naar verloren naïviteiten waarheen het niet terugkan, omdat bewustzijn niet teruggedraaid kan worden.”

Hoewel het verdrietig is dat ons, de mensheid, als gevolg van de woorden van de slang de toegang tot het Paradijs verder is ontzegd, moeten we hem in zekere zin dankbaar zijn. Uiteindelijk immers hebben we aan deze zijde van de cherubs het volle leven gevonden. Wellicht niet zo volmaakt als aan gene zijde, maar in ieder geval een stuk spannender. Waarvoor heeft God ons trachten te behoeden met dat strenge gebod? Zo erg is het leven nu toch ook weer niet?

Hij heeft ons dan ook niet behoed. Hij heeft ons het leven ingejaagd en ons licht en duisternis meegegeven. Vermoedelijk had God toch een zeker vertrouwen in de door hem geschapen mensheid, anders had hij ons zeker alsnog omgebracht en een nieuwe poging ondernomen (niemand wenst de risé te worden van zijn eigen schepping). Hij heeft, kortom, gemeend dat het ondanks alles wel goed zou komen met die mens.

Zo niet de mens zelf, althans een enkeling onder ons, die meent dat we geneigd zijn tot alle kwaad, dat de mens van nature niet deugt, dat zelfs de zuigeling is behept met aangeboren kwade aandriften. Zou deze mens boven de godheid staan met zijn inzichten omtrent de menselijke natuur? Ik waag het te betwijfelen. Om Stefan Themerson te parafraseren (“De bewering 'sneeuw is wit' is waar als sneeuw wit is”): de mens die meent dat de mens tot alle kwaad geneigd is, vindt in de wereld afdoende ondersteuning voor zijn visie, mits hij met die visie de wereld aanschouwt.

Wat is er mis met Hovaardigheid, Nijd, Gulzigheid of Gramschap? Het zijn heerlijke woorden, en om taalkundige redenen ben ik het met Kinneging eens dat ze nooit verloren mogen gaan. Maar ook om andere redenen zijn de zeven hoofdzonden (het kwade in het algemeen) iets wat we zouden moeten koesteren. De zonde is immers de lakmoesproef van onze menselijkheid - niet de deugd. Deugdelijk zijn we uit eigenbelang, zoals de kat zich wast om vrij van ziekten te blijven; deugdelijkheid is een vorm van geestelijke hygiëne. De zonden daarentegen, die prachtige woorden als hoogmoed en wellust, zijn de jus van ons bestaan, zijn de motoren van het leven, van onze creaties. Hoe zou de mens het anders met zichzelf en met dit leven hebben kunnen uithouden, wanneer hij zich een permanent zondebesef zou aanmeten, boete zou doen en het deugdzame zou ontwikkelen? Wij zouden vele wetenschappers (zelfingenomen), kunstenaars (wellustig), filosofen (traag), echtgenoten/-es (afgunstig) en tycoons (hebzuchtig) hebben misgelopen - en daarmee de ontwikkeling van onszelf als mens. Nee, in dat licht zie ik slechts twee opties: of de mens verveelt zich dood van deugdzaamheid (en had evengoed plankton kunnen zijn), of hij had collectief zelfmoord moeten plegen.

De essentie van het mens-zijn is dat wij het goede en het kwade in ons dragen, en geneigd zijn het leven te consumeren. Dat betekent dat we alle aspecten ervan goed, kwaad en indifferent, moeten aftasten om ons standpunt te bepalen. Sommigen hebben meer 'zonde' nodig dan 'deugd' om hun talenten te ontwikkelen. Het zij zo. De samenleving zou niet gediend zijn met een overdaad aan dominee's en huisartsen. Bovendien: het ontwikkelen van talenten, zelfs dubieuze, voegt meer toe aan de wereld dan een angstig pogen deugdzaam te zijn.

In de strijd tussen het goede en het kwade, de zonde en de deugd, tekent zich onze menselijkheid af: het brein leert en calculeert, maakt afwegingen en ten slotte keuzes. Zonder het scherp is er ook geen snede, al worden we wel eens onrustig en prikkelbaar van dit voortdurende 'volwassen' bewustzijn; al komen we vaak pas langs de weg van 'chaos, dissonantie en ontbinding' tot enige constructieve bijdrage aan ons bestaan.

God was tamelijk zwijgzaam toen hij zijn creaties aan het volle leven prijsgaf - er zijn nu eenmaal momenten waarop woorden tekort schieten. (In de film 'Choice and Destiny' (1994) komt een scène voor waarin de hoofdpersoon, een overlevende van de Duitse vernietigingskampen, een ommetje wil maken nadat hij een hoogst gruwelijk verslag heeft gedaan van zijn redding voor de poort van de gaskamer. Zijn vrouw, ook een survivor, staat bij de voordeur en zegt: “Blijf je wel op de stoep lopen.”) Wat hij wel deed, was dat hij ons bekleedde: 'God maakte voor de mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmede'.

Toen wij kennis kregen van het goede en het kwade, kregen we ook een gereedschap mee om het te hanteren: de schaamte. Het woord, dat de slang zo kundig wist te hanteren, blijkt de banvloek van het leven: we denken te communiceren, maar ervaren meestal onbegrip. We denken een realiteit te benoemen, maar stuiten op ons onvermogen dit te doen. We denken dat woorden deugden kunnen bewaren, maar bemerken dat het slechts woorden zijn. De slang toonde ons de verleidelijkheid van het woord; God gaf een schamel vijgeblad om onze tekortkomingen te bedekken: “The attempt to admit only those aspects of our lives that can be put into (...) verbal form, impoverishes reality and diminishes our being. Not everything can be said in loud voices. The loss is our vulnerability; without that we are less human.” (Carl Schneider, 'Shame, Exposure and Privacy (1977)(De neiging om alleen die aspecten van ons leven te erkennen, die zich met woorden laten omschrijven, verarmt onze realiteit en doet afbreuk aan ons wezen. Niet alles kan met luide stem worden gezegd. We verliezen daarmee onze kwetsbaarheid, en zonder dat zijn we minder menselijk). Eigenlijk weet ik zeker, dat in het Paradijs niet gesproken wordt. Evenmin trouwens in de hel. En het zou mooi zijn als we in het ondermaanse ook wat minder waarde zouden toekennen aan het woord.

Niemand van ons weet welke strijd een ander voert - in stilte - om met zichzelf in het reine te komen; om de eigen zonden en deugden in evenwicht te krijgen. Maar we moeten ervan uitgaan dat zelfs de meest verdorvene in principe geneigd is tot het goede. Als dat niet het geval zou zijn, heeft God met ons een geweldige blunder begaan, en dat zou ik hem niet willen aanwrijven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden