ZEEUWSE TRAGEDIE ACHTER WILLEM VAN HANEGEM

Zij worstelen en komen boven, sportief zijn ze wel, maar voetbal is nooit echt hun fort geweest. Bewijs: slechts negen Zeeuwen hebben tot nu toe in het Nederlands elftal gespeeld. Dat negental is geportretteerd in een boek dat komende week verschijnt. Vandaag een voorpublikatie uit het hoofdstuk over Willem van Hanegem door Matty Verkamman, voetbalverslaggever van Trouw. Matty Verkamman, Chris van Nijnatten, Henri van der Steen: 'Negen Zeeuwen van Oranje'. Uitg. De Koperen Tuin, Goes. ISBN:90.72138.22.8. 184 blz. f 34,50

De Van Hanegems behoren op 11 september 1944 tot de zwaarst getroffen families als Britse en Nederlandse bommenwerpers hun dodelijke lading op Breskens lossen. De opzet van de geallieerden is het naar Vlissingen overstekende vijftiende leger te ontregelen en op die manier een hergroepering van de vijand te voorkomen. In de praktijk leiden de twee helse aanvallen binnen enkele minuten ook tot de dood van 199 Bressiaanders. In de weken nadien stijgt bij nieuwe aanvallen het aantal slachtoffers in het vissersdorp tot 225; bijna tien procent van de bevolking. Velen van hen liggen op het kerkhof van Breskens in een massagraf begraven.

Onder de slachtoffers van het eerste bombardement bevinden zich acht Van Hanegems: Willems tienjarige broertje Izaak, zijn vader Lo, diens zussen Piete en Dientje en broer Piet, voorts opa Hendrik, wiens broer Bram, een schipper, op 13 oktober 1944 bij Duits mitrailleurvuur in de buurt van OudBeijerland ook nog om het leven komt. De twee andere Van Hanegems die het bombardement niet overleven zijn Hendrik Willem en Elisabeth, een achterneef en -nicht van de tak van Willem. Ook in de familie van Willems moeder zijn veel doden te betreuren.

Een oom van Willems vader, Ko van Hanegem, heeft de gruwelijke gebeurtenissen in de herfst van 1944 in een dagboek beschreven.

De tragedie voltrekt zich in een tijdsbestek van enkele minuten. Vanaf half vier in de middag zaaien de vliegtuigen van de Royal Air Force dood en verderf in Breskens.

"Wanneer ik als laatste de schuilkelder in ga, vallen de stukken van het dak al op mij: de eerste bommen zijn gevallen. Nu volgen er verschrikkelijke ogenblikken. Ongeveer zestig bommenwerpers storten hun vernietigende ladingen over ons dorp uit. De aarde beeft, zelfs de wanden van de schuilkelder gaan heen en weer en het dak wordt opgelicht. Angstige ogenblikken! Muren en daken storten in, geweldige bominslagen, veraf en dichtbij. Het is of alle helse machten zijn losgebroken. Waar is Elsje? Waar is Corrie? Waar is Bram? O God, bewaar hen en ons! Gelukkig dat we bidden geleerd hebben. God zegt: 'Roep mij aan in de dag der benauwdheid en Ik zal u helpen!' Dat hebben wij gedaan en God heeft Zijn Woord waar gemaakt. Na een minuut of vijf is de eerste golf voorbij. Het is een vreselijke aanblik als we uit de schuilkelder komen. Alles is vernield. Ons huis staat nog recht, maar de garage is verwoest, alle vensters en deuren zijn vernield. Schreeuwende mensen zoeken hun kinderen. Een vrouw komt met loshangend haar en verwilderd gezicht door de garage gelopen, waanzinnig van schrik. Kinderen huilen, mannen roepen. Daar, ineens, komt Elsje binnen gelopen, ze is bij buurman geweest. 'Daar komen de vliegtuigen, ze komen terug!' Ik heb juist een koffer met waardepapieren uit de slaapkamer gehaald als de tweede golf aankomt. Weer naar de schuilkelder. Een man van omstreeks tachtig jaar zit voor de ingang. Hij wil er niet in en er ook niet uit. Met geweld moeten we ons toegang verschaffen en weer zitten we te wachten wat de Heer over ons beschikken zal. We zijn nu met zijn vieren: moeder, Ad, Els en ik, dan die oude man en zijn dochter, Piet van Melle en een meisje. De kelder is nu een bidkapel. Allen roepen tot God. Het kleine kind, dat katholiek is, roept maar: 'Lieve Heer, we zijn allen braaf geweest. . .' Weer worden we allen gespaard, ofschoon er een bom neerkomt op tien meter van onze schuilplaats. (. . .)

Dikke rookwolken bedekken de lucht, zodat de zon lijkt op een maanschijf. Links en rechts zien we ingestorte huizen, vernielde voertuigen, verminkte lichamen van mensen en lijken van dieren. Zo gaan we de Dorpsstraat door. Bij het huis van Van Melle ligt een auto te branden, midden op de rijweg, zodat de straat bijna versperd is. Vlak langs de huizen kunnen we passeren. We struikelen over het bovenlichaam van een soldaat, het onderlichaam is weggescheurd."

Terwijl Ko van Hanegem en de zijnen in de schuilkelder zitten te bidden, komen Lo van Hanegem en diens zoon Izaak om het leven. De vader en broer van Willem worden op korte afstand van hun huis door de bommen verrast.

In tegenstelling tot de meeste Bressiaanders, hebben Lo en zijn vrouw Anna de waarschuwing dat het levensgevaarlijk is om in het dorp te blijven, wel serieus genomen. Het gezin vindt tijdelijk onderdak in een boerderij in een betrekkelijk veilig gebied. Op de dag van het bombardement besluit vader Lo nog enig huisraad in Breskens op te halen. Hij neemt de twaalf jaar oude Henk en de tienjarige Izaak mee.

In de Engelse plaats Brightlingsea (Essex) woont Willems oudste broer, Henk. Hij is zeeman in ruste. Hij weet zich de dramatische film te herinneren 'tot het moment waarop bij mij het licht uit ging'. Hij verliest het bewustzijn in de straat waar hij woont, Papendrecht. "Mijn vader, Izaak en ik, waren met een handkar naar het dorp gelopen. Ik meen dat er dekens opgehaald moesten worden. Net toen we in de straat waren aangekomen, begrepen we dat het mis ging. We hoorden de vliegtuigen komen. Het moment waarop het bombardement begon, waren we aan het begin van de straat, bij het hotel van Anton Roest. Daar ben ik met veel andere mensen de garage ingedoken. Mijn vader en Izaak waren er ook vlakbij. Het laatste beeld dat ik heb, was dat ze daar met die handkar liepen. Even later sprongen de deuren en de ramen uit het hotel. Dat is het laatste wat ik bewust heb meegemaakt. "

Volgens Willems zus Dien Spekman-Van Hanegem zijn het Duitsers geweest die Henk in bewusteloze toestand naar het ziekenhuis in Oostburg hebben vervoerd. "Zelf zagen we vanuit onze schuilplaats het dorp branden. Mijn moeder schoot op de weg iedereen aan en vroeg of men vader, Izaak en Henk had gezien." Henk was dus de enige van de drie die het er levend van af bracht. "Toen ik wakker werd, zat ik helemaal onder het bloed. Ik had gaten in een knie en in mijn rug. Mijn kin hing er half bij. Jaren later heb ik wel eens tegen me zelf gezegd dat bij sommige mensen het verstand heel laat doorbreekt, want in 1953 ben ik als vrijwilliger naar Korea gegaan. Daar is het bombarderen nog eens dunnetjes overgedaan. Maar laat ik daar verder maar over zwijgen."

Een speurtocht van vele weken in ZeeuwsVlaanderen en Brabant, leidt op 6 januari 1992 naar een vrouw die de dood van Lo van Hanegem van dichtbij heeft meegemaakt. Het is Ludwina de Pauw-Van Weijnsbergen, nu 72 jaar oud en wonend in het Oostbrabantse Deurne. Zij zegt zonder omwegen: "Lo van Hanegem heeft het leven van ons toen negen maanden oude zoontje Bennie gered."

Mevrouw De Pauw ziet de tragedie ook nu nog van moment tot moment voor zich: "Toen het bombardement begon was mijn man in Biervliet, ik was thuis met Bennie. Onze tuin grensde aan de tuin van de Van Hanegems. Met mijn man had ik afgesproken dat we in geval van een bombardement in de sloot zouden gaan liggen. Onder een bruggetje dat over die sloot lag, ben ik met Bennie gaan zitten. De eerste golf bommen was al gevallen, toen Lo van Hanegem kwam aanrennen. Hij zei dat het levensgevaarlijk was om onder dat bruggetje te blijven zitten. Hij pakte Bennie en zei dat ik onmiddellijk met hem mee moest gaan naar het pakhuis van Meijmel. Ik weet zeker dat Lo toen alleen was, zijn zoontje Izaak was er niet bij. In dat pakhuis heeft Lo mij gezegd dat ik achter hem moest gaan zitten. Voorovergebogen, met zijn ellebogen steunend op de grond, ging hij over Bennie liggen. Dat is de redding voor ons kind geweest. Na de tweede golf bommen hoorde ik Bennie huilen. Hij lag onder Lo, die door een bomscherf was geraakt, ernstig verminkt was en op slag dood moet zijn geweest. Dat beeld van zo'n dode over je kind, vergeet je als moeder je hele leven niet meer. In dat pakhuis lagen nog tien andere doden. Het was een wonder, maar toen Bennie onder Lo vandaan was gehaald, bleek hij niet meer dan enkele schrammetjes op zijn gezichtje te hebben."

Het bruggetje waaronder Ludwina de Pauw met haar baby aanvankelijk dekking zocht, werd door een voltreffer geraakt.

Bennie de Pauw is thans 48 jaar oud en als kankerspecialist aan het Radboud-ziekenhuis in Nijmegen verbonden. Van Izaak van Hanegem is nooit meer een spoor teruggevonden.

In de chaos van die dagen heeft de familie De Pauw nooit meer contact gehad met de Van Hanegems. Jan de Pauw vertrok als leraar naar Tubbergen en later naar Tilburg. Met zijn gezin keerde hij in de jaren vijftig nog eens voor enkele jaren terug naar Breskens, maar toen was Anna van HanegemVan Grol met haar kinderen al lang naar Utrecht vertrokken.

De traumatische ervaring die het bombardement op Breskens is geweest, staat ook bijna 48 jaar later anderen die het hebben meegemaakt nog op het netvlies. Een van hen is Bram Vergouwe. Op die elfde september 1944 is hij een jongen van dertien jaar. Hij is bevriend met de twee oudste broers van Willem, Henk 'Pink' en Izaak. Samen voetballen ze bij de v.v. Breskens.

"Enkele dingen zijn mij speciaal bijgebleven. Eenmaal weer buiten drukte iemand mij een pak van een kilo boter in handen. 'Neem dat voor mij mee. Vergouwetje', riep die man tegen mij. Het hele dorp staat in brand en iemand maakt zich druk om een kilo boter! Het vreemde is dat ik dat pak ook nog lang in mijn handen heb gehouden. Op een gegeven moment zag ik een Duitse auto op z'n kant liggen. Er lag een dode soldaat, zijn armen in de lucht, in te branden. In die auto heb ik toen dat pak boter gegooid. Even later heb ik gelukkig mijn ouders ongedeerd teruggevonden. Een zusje was ook niet thuis toen het bombardement begon. Van haar is nooit meer iets teruggevonden. Wat ik ook nooit zal vergeten is de paniek bij de dieren. In al die kleine straatjes achter de dijk renden op hol geslagen paarden, een heel onwezenlijk beeld."

Wim van Hanegem heeft maar twee jaar en drie maanden in Zeeland gewoond. Op 26 mei 1946, als Breskens weer enigszins is hersteld, vertrekt het gezin naar Utrecht. Gerrit Lubbers heeft als werknemer van het aannemingsbedrijf Panagro aan de opbouw van Breskens meegewerkt. In die eerste naoorlogse periode maakt hij kennis met Anna van Hanegem-Van Grol. Er ontstaat een relatie. Een huwelijk is altijd uitgebleven, maar dat neemt niet weg dat Gerrit Lubbers een echte tweede vader in het gezin is geworden. "Die man heeft zich voor ons een slag in de rondte gewerkt" , zegt Willem. Uit respect wordt de eerste zoon van Willem naar zijn tweede vader genoemd: Gert van Hanegem; hij heeft nog enige tijd bij FC Utrecht onder contract gestaan.

Willem van Hanegem heeft pas op latere leeftijd gehoord dat zijn werkelijke vader in het bombardement van Breskens is gebleven. "Ik weet niet waarom, maar over die tijd is in ons gezin niet veel gepraat. Ik denk dat ik al een jaar of twintig was toen ik van mijn moeder hoorde wat zich in 1944 heeft afgespeeld. Van mijn moeder ken ik ook het verhaal dat mijn vader eerst dat jongetje heeft gered voor hij zelf omkwam."

Eenmaal in Utrecht, in de volksbuurt Oudwijk, worden de banden met Breskens niet verbroken. Het is vooral met de familie Van Grol dat de contacten worden gehandhaafd. Willem: "Als kleine jongen vond ik het altijd prachtige reizen. Het staat mij bij dat we dan met een heleboel andere mensen met de trein naar Vlissingen reisden en vervolgens met de pont naar Breskens. Contact met de Van Hanegems hadden we daar niet echt. Wij gingen meestal naar oom Gerrit van Grol. Die Van Grols waren mooie mensen, vrolijk van aard. Het waren mensen, waar, laat ik zeggen, alles op en aan zat. Wat mij tijdens die vakanties in Breskens altijd weer opviel was de drinkgewoonte van die mensen. Ze zaten dan op dat dorpsplein allemaal bij elkaar. Wat konden die gasten bier drinken. Ze klitten ook allemaal aan elkaar. Wat dat betreft was het bij ons in Utrecht niet anders. Daar stond de deur ook altijd open. Als de politie achter iemand aan zat, gebeurde het wel dat soms drie mensen bij ons binnen renden en onder een bed kropen."

Het beeld van vergaande gezelligheid en een min of meer extreme goedgeefsheid, past volgens degenen die hem hebben gekend, ook bij Willems vader. Lo's broer Arjaan zegt: "Hij was een gezelligheidsmens. Lo lustte heel graag een biertje, iedereen bij ons trouwens. Als er een dubbeltje was verdiend, gaf Lo voor vijftien centen weg in het cafe." Bram Vergouwe vult aan: "Lo en die andere Van Hanegems waren handige jongens met kaarten. Als kinderen konden ze ook opvallend goed knikkeren. Ze hebben in kommervolle omstandigheden geleefd, maar de Van Hanegems waren toch opgewekte mensen. Ze gaven gemakkelijk iets weg. Hun gevoelens lieten ze niet gauw zien, maar het waren beslist gevoelige mensen."

Geconfronteerd met de karakterschetsen die van zijn vader worden gemaakt, schiet de Willem van Hanegem in de lach. "Dat gemakkelijke weggeven heb ik dan zeker van mijn vader. . ." De echtgenote van Arjaan van Hanegem, Cornelia Monje, heeft een andere opvallende eigenschap die zij met neef Willem deelt: bitter weinig sympathie voor Duitsers. Na de verloren WK-finale van 7 juli 1974 liep Willem in Munchen hartgrondig te kankeren op de winnaars van het goud, Franz Beckenbauer en de zijnen. Cornelia laat haar antipathie in de richting van de oosterburen op haar manier nog wel eens de vrije loop. Zij heeft jarenlang in de kantine van de visafslag in Breskens tussen het rauwe vissersvolkje gewerkt. Cornelia heeft derhalve een stem als een klok. Bovendien draagt zij het hart op de tong. Die eigenschappen doen 's zomers in de winkels van Breskens een toerist de wenkbrauwen wel eens fronsen, wanneer Cornelia na een Duitse klant binnen valt en op luide toon verkondigt: "Zo, nu ben ik aan de beurt, daarna het Herrenvolk."

Voor Willem van Hanegem heeft ook zijn Utrechtse accent nooit kunnen voorkomen dat hij 'iets' met Zeeland bleef houden. "Dat had ik als kind al. Bij de uitslagen van het wielrennen zocht ik altijd eerst naar Jo de Roo. Ik wist dat hij uit Zeeland kwam, daar was ik dan speciaal in geinteresseerd. Gelukkig won De Roo nogal eens een klassieker, daar was ik dan wel blij mee. Van Frans de Munck wist ik ook al heel vroeg dat hij een Zeeuw was."

Met AZ '67 voetbalt Willem op 22 juli 1978 op het veld van de v.v. Breskens. In het voorjaar van 1975 is hij in het dorp om het restaurant The Corner van zijn neef Henk van Hanegem te openen. Nog twee jaar eerder heeft Willem op het strand van Breskens een bizarre beslissing genomen. Met Feyenoord- en Oranje-collega Wim Jansen brengt hij de vakantie door in hotel De Milliano. In dat hotel wordt hij benaderd door Olympique Marseille. Bij deze Franse club kan hij een vermogen gaan verdienen. De journalist Dick van den Polder, dan werkzaam bij Het Parool, reist af naar Breskens en is getuige van de beslissing. Wel of niet naar Marseille, dat is de vraag. Van den Polder weet niet wat hem overkomt, als de knoop wordt doorgehakt. "Toen ik met de pont aankwam, zag ik de families Jansen en Van Hanegem al op het strand zitten. Ze waren aan het stemmen over een transfer naar Marseille. Ik weet niet meer wie voor of tegen was, maar de stemmen staakten. Toen zei Willem dat zijn hond dan maar de beslissing moest nemen. Ja of nee, dat hing af van het soort geblaf van dat beest. Er werd geblaft en het was 3-2 voor Feyenoord. Willem, waar ik toen een column voor Het Parool mee maakte, vroeg mij meteen erna of ik manager Guus Brox even wilde bellen om hem te zeggen dat hij bij Feyenoord zou blijven. Dat heb ik toen maar gedaan."

Zijn huidige woonplaats Haarlem verhindert Willem tegenwoordig de contacten met Zeeland te koesteren. "Mijn zus Dien heeft meer met Zeeuws-Vlaanderen. Met haar man woont zij nog altijd in Utrecht, maar ze schijnen nu van plan te zijn terug te keren naar Zeeland." Voor zichzelf en zijn tweede gezin zag Willem dat niet zitten, ook niet nadat Zeeland als laatste provincie een betaald voetbal organisatie kreeg. "Vlak voor Vlissingen in de eerste divisie begon, ben ik in Zierikzee nog eens uitgenodigd voor een symposium over betaald voetbal in Zeeland. Toen al was duidelijk dat het helemaal verkeerd werd aangepakt. Men begon met jongens als Harry van de Ham en Carlo van Tour. Die spelers kregen veel geld. Men had jaren tevoren al meoten werken aan een goede start met talenten uit de provincie. Die talenten meoten er toch zijn. Jan Poortvliet heeft het vervolgens wel op die manier geprobeerd, maar toen was het al te laat."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden