Zeeuws-Vlaanderen zoekt nieuwe vergezichten

De Westerscheldetunnel zou Zeeuws-Vlaanderen welvaart en werkgelegenheid brengen. Dat is mislukt. Nu probeert de leeglopende regio immigranten te lokken. De leegte is zo mooi.

Seije Slager

Zeeuws-Vlaanderen, dat is vooral: leegte. De troosteloze leegte van de Nieuwstraat in Terneuzen bijvoorbeeld, op een doordeweekse avond. Er waait een geur van oud frituurvet door de straat. Grieks restaurant Parthenon, café De Graanbeurs, grillbar Ankara, allemaal hebben ze hun menukaarten buiten gezet, in een strijd om klanten die toch niet komen. Obers klitten samen rond de bar en loeren naar de paar mensen die zich buiten wagen.

Of de terloopse leegte van bus 10, die overdag zonder passagiers het dorpje Vogelwaarde in- en weer uitrijdt, en in een polder verdwijnt. Daar, in die polders, openbaart zich dan de weidse leegte, die Zeeuws-Vlamingen roemen, als je ze naar hun streek vraagt. Je ziet er wel het een en ander: een rijtje populieren of knotwilgen, stapels pootaardappelen die onder een fladderend stuk landbouwplastic liggen te wachten naast een akker. Maar mensen kom je er nauwelijks tegen, je hebt overal de horizon in het vizier, en het opvallendste landschappelijke element is toch wel het enorme wolkendek dat het platte land haast lijkt te verpletteren.

Leegte is mooi, vindt ook George Sponselee. Het hoort bij Zeeuws-Vlaanderen. „Maar het is wel een beetje verontrustend dat de streek almaar leger wordt.” Sponselee, van oorsprong biologieleraar, maar regionaal vooral bekend door zijn publicaties over streekgeschiedenis, somt wat dorpen in de omgeving van zijn woonplaats Hulst op: „Ossenisse is leeg, Lamswaarde ook, Graauw nog net niet, maar ook daar verdwijnen de voorzieningen. Veel dorpen hebben zelfs geen café meer. Dan is het toch wel treurig gesteld met een gemeenschap.”

En nergens is het zo leeg als op het voormalige veerplein van Perkpolder. Tot vijf jaar geleden voeren hier de pontjes af en aan. Daaraan herinneren alleen nog een doelloze brede weg, en een betonnen constructie met ingegooide ramen, die nu overgeleverd is aan het verval. Het veer van Perkpolder werd overbodig toen de Westerscheldetunnel vijf jaar geleden open ging. Sindsdien is de omgeving in een negatieve spiraal beland. Veel bedrijvigheid is er weggetrokken, klagen de bewoners van nabijgelegen dorpen als Kloosterzande. Maar niet alleen de omgeving van Perkpolder heeft te lijden onder de Westerscheldetunnel. Ook de rest van Zeeuws Vlaanderen kwakkelt.

En dat hadden ze niet verwacht. Bijna tien jaar geleden schilderde de Gentse hoogleraar Georges Allaert in een rapport de prachtige economische vergezichten die zich zouden ontvouwen na de opening van de tunnel. Terneuzen zou het centrum worden van een bedrijvige economische regio die zich van Vlissingen tot Gent uitstrekte – ’Vlistergent’. De woningmarkt zou opleven, en er zouden duizenden banen bijkomen.

„Ach ja, die Allaert*”, verzucht Sponselee. Die is bepaald niet de eerste die Zeeuws-Vlaanderen een gouden industriële toekomst voorspiegelde. „Eigenlijk doen ze dat al vanaf 1911, maar het komt nooit echt van de grond.” En hij vertelt over die landkaart uit de jaren vijftig waarop Terneuzen alvast als een metropool met honderdduizend inwoners was ingetekend. En over de staalfabriek die ooit aan het kanaal van Terneuzen naar Gent werd gebouwd, en ook weer afgebroken, voor hij ooit in gebruik was genomen.

Inmiddels is de rekenkamercommissie van Terneuzen begonnen met een officieel onderzoek naar waar het toch precies misging met al die mooie vooruitzichten. Want dankzij de tunnel kun je niet alleen makkelijk naar Zeeuws-Vlaanderen toe, je kunt er ook net zo makkelijk weg. En dat is precies wat veel bedrijven en overheidsinstellingen hebben gedaan: ze verhuisden naar Middelburg of Breda. De economische opleving bleef uit, de huizenprijzen daalden. In alle stadjes en dorpjes zie je ’Te Koop’-bordjes.

Zeeuws-Vlaanderen stond al langer ambivalent tegenover de tunnel. Pol van de Vijver, gepensioneerd dierenarts te IJzendijke, vertelt over de enquête die hij er begin jaren tachtig over liet uitvoeren. Voor de meeste mensen hoefde het toen niet zo. Van oudsher zijn ze al meer op Vlaanderen dan op de rest van Zeeland georiënteerd. Bovendien hechtte iedereen in Zeeuws-Vlaanderen heel erg aan de veren.

Van de Vijver was voorzitter van het streekmuseum, over iedere straattegel in IJzendijke kan hij een verhaal vertellen. Ooit studeerde hij diergeneeskunde in Utrecht, en hij ging er kapot van de heimwee. Die heimwee vond zijn brandpunt vooral ook in de pontjes. „De overtocht om er te komen is voor mij altijd een essentieel onderdeel van Zeeuws-Vlaanderen geweest. Zo’n tunnel, die rij je in, en weer uit, daar is niets aan te zien. Natuurlijk, hij moest er een keer komen, we willen hem nou ook niet meer kwijt, hoor. Maar die veren, ik vind het nog steeds jammer dat ze die toen ook uit de vaart hebben gehaald.” Zeker, voegt hij eraan toe, nu Zeeuws-Vlaanderen zich tegenwoordig richt op recreatie en op het binnenhalen van nieuwe bewoners. Dan ben je toch stom om zo’n mooie attractie om zeep te helpen?

Want dat is de nieuwe strategie om de demografische neergang die de regio bedreigt te keren. „We verliezen per jaar een paar honderd inwoners”, zegt burgemeester Jaap Sala van Sluis. „Als we niks doen gaat het op den duur fout.” En dus prijst hij op de emigratiebeurs in Nieuwegein, ingeklemd tussen de standjes van Norra SmÃ¥land en Mullsjö Kommun, zijn regio aan bij Nederlanders die eigenlijk naar het buitenland willen. De apparatuur hapert een beetje, Sala’s enthousiasme niet. „Wat wij op een emigratiebeurs zoeken? Uit onderzoek blijkt dat dertig procent van de Nederlanders op zoek is naar rust, ruimte, en naar de nabijheid van Gent. Dat hebben wij allemaal!” Hij hoopt op gezinnen met kinderen, geen massale invasie, maar wel genoeg om de voorzieningen op peil te houden.

Jan Bruens zet een cassette van Chet Baker op, en nestelt zich tussen de verzameling oude radio’s in zijn woonkamer. Hij is zo’n immigrant, die eind jaren zestig de hectiek van de Amsterdamse provobeweging verwisselde voor de rust en ruimte van Aardenburg, een slaperig stadje aan de Belgische grens. De anarchist – die net een celstraf had uitgezeten wegens een aanslag op het Van Heutszmonument – aardde er meteen. „Ik ben zelf ook een grensgeval, daarom misschien.” Maar hij is niet gecharmeerd van de pogingen om Zeeuws-Vlaanderen ’op de kaart’ te zetten. Ten eerste gelooft hij niet zo in die gezinnen met kinderen. „Het zullen toch vooral ouderen zijn die hier dan komen – daar kun je geen toekomst op bouwen.”

Daarnaast ziet hij met lede ogen aan hoe Aardenburg een toeristische facelift krijgt. „Ze krijgen al die Europese subsidies niet op, joh. Iemand heeft bedacht dat we hier een internationale gedichtenroute moeten hebben. Aardenburg heeft een prachtige kerk, het enige Nederlandse voorbeeld van Scheldegothiek, en daar plakken ze nu allemaal Franse en Arabische gedichten op. Wat heeft dat ermee te maken?” Nog erger: „Het grasveld hier op de markt, dat gaat een projectontwikkelaar binnenkort bestraten, om er een soort Romeinse tempeltjes neer te kunnen zetten. Verschrikkelijke kitsch.”

In de buurt van Perkpolder heeft de gemeente Hulst ook grote plannen om het verlies van de veren te compenseren: het ’Plan Perkpolder’. Fien Vervaet, uit het nabijgelegen Walsoorden, wijst naar de weilanden: „Daar willen ze een golfbaan aanleggen. En daar een jachthaven.” Eigenlijk zonde van die prachtige landbouwgrond, peinst ze. Overigens vraagt ze zich af of het er ook echt van komt. „We hebben het al een paar keer meegemaakt dat alles omgegooid of uitgesteld werd, vanwege financiële problemen. Ik denk sowieso niet dat het heel veel zoden aan de dijk zal zetten. We hebben overal bezwaar tegen gemaakt, alles is afgewezen, en nu laten we het allemaal maar over ons heen komen.”

„Daar zijn de mensen hier in de buurt heel bang voor, dat straks een financier zich terugtrekt uit dat project, en de gemeente weer met een strop blijft zitten”, vult Sponselee aan. Hij waardeert alle pogingen, maar is ook sceptisch. „Er is hier gewoon te weinig werk voor mensen met een bepaalde opleiding. Ik merk het op reünies, van de havo-leerlingen blijven er drie van de vier in de streek, bij vwo-leerlingen ligt dat precies andersom. Ik zie niet in hoe je dat zo snel keert. Brood zullen ze hier altijd wel blijven bakken, maar verder vrees ik dat Zeeuws-Vlaanderen een beetje op zijn retour is.”

Van de Vijver wil van zulk pessimisme niets weten. „Eén van de kenmerken van Zeeuws-Vlaanderen is de gastvrijheid. Mensen die hier komen, zullen zich snel thuis voelen. Ik zie niet in wat er mis is met het aantrekken van mensen van buiten. Zo lang ze maar geïnteresseerd zijn in de streek, en de geschiedenis.”

Hij trekt een vergelijking met de Zeeuws-Vlaamse trekpaarden, waar hij als een expert in geldt. „Die paarden zijn voor mij een van de krachtigste symbolen van Zeeuws-Vlaanderen. Toen ik begin jaren zestig mijn praktijk opende, zeiden doemdenkers dat het wel snel afgelopen zou zijn met die paarden. Want ze waren niet meer nodig door alle mechanisatie. Nou, in de afgelopen decennia zijn mensen ze als liefhebberij gaan houden, en wat blijkt? Ze zijn sterker en vruchtbaarder dan ooit teruggekomen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden