Zeemansvrouw / Als ik maar wist waar gij gong of stong

Wie ooit nog eens in ernst wil beweren dat 'alles vroeger heel anders was', moet van maritiem historicus Perry Moree eerst één ding doen. ,,Die brief van Aagje Luijtsen lezen. Dan weet je: in de 18de eeuw waren de mensen totaal niet anders dan nu. Liefde en dood, daar had Aagje dezelfde reactie op als wij.''

Alles is er nog, daar in Den Burg op Texel. De school waar Aagje en Harmanus leerden lezen en schrijven. De kerk waar ze zijn getrouwd. De huizen waar Aagje Luijtsen daarna heeft gewoond -soms met, maar ook langdurig zonder man. Want haar echtgenoot, Harmanus Kikkert, was zeeman in dienst van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), en was dus vaak langdurig van huis.

Zelfs café De Zwaan is er nog, waar in 1776 kastelein Piet Schepers ('Piet uijt de Swaan') fruit inmaakte, waarvan Aagje voor haar Harmanus een potje meegaf:
,,...een klijn pottije met conserf. Sij is niet soet mijn lief. Gij moetter dan maar wat suijker in dooen, zoo als uw mijn lief belieft. Ik denk datje mijn lief wel suijker kent kreijgen, anders zal ik het uw mijn lief wel stuuren, mijn lieve hart.''

Met dat potje jam begint haar eerste brief. Het is dan november 1776. Aagje is 20, Harmanus 27, en ze zijn sinds begin juni getrouwd. Ze is zwanger. Het schip waarop Harmanus ieder moment naar Indië kan vertrekken, de Ganges, ligt op de ankerplaats bij Oudeschild, aan de oostkant van Texel, te wachten op gunstige wind om te kunnen uitvaren. Dat gebeurt uiteindelijk op de 25ste. In die paar weken stuurt Aagje hem drie brieven.

Vijf jaar later, in 1781, zijn die eerste drie brieven aangegroeid tot een pakket van achttien. Harmanus ontving ze telkens wanneer hij Kaap de Goede Hoop passeerde. Harmanus is inmiddels opperstuurman op een ander schip, De Parel. Hij is tussentijds ruim een jaar thuis geweest. Als hij in 1779 opnieuw scheep gaat, neemt hij de brieven weer mee, eerst naar Batavia, dan naar China. Ze zitten in zijn scheepskist.

In juli 1781 wordt De Parel in de Saldanhabaai, het huidige Zuid-Afrika, buitgemaakt door de Engelsen. De vierde Engelse oorlog was uitgebroken, en dat conflict had ook Kaap de Goede Hoop bereikt. Harmanus' schip en alles erop wordt als oorlogsbuit afgevoerd naar Engeland. De brieven van Aagje aan Harmanus gaan dus ook mee. Ze verdwijnen ongelezen in het archief.

Ruim twee eeuwen later, in 1994, ontdekt Perry Moree ze.

,,Ik was in The National Archives aan het werk aan mijn proefschrift. Dat ging over postvervoer naar Indië. Tijdens mijn studie in Leiden was me al verteld: voor VOC-brieven moet je in Londen zijn. In Kaapstad en Jakarta vind je er ook wel wat, maar in Londen zijn dozen vol; de Engelsen hebben veel VOC-schepen buitgemaakt. Alle documenten van die schepen zijn, als prize papers, het archief in gegaan. De Engelsen lieten tolken elk stuk nakijken op bruikbare informatie. Daarom was de VOC er nooit zo happig op wanneer het personeel post stuurde of ontving. Een zin als 'de rivier is verzand' kon grote gevolgen hebben. Er stond straf op om post mee te nemen: werd je betrapt, dan kostte het je drie maanden salaris. Zodat 90 procent van alle VOC-post clandestien was, meegegeven met een kennis. Op de envelop stond meestal de bezwering: 'Met vriend die God geleide'. Later stond de VOC post wel toe, maar alleen als ze die zelf mochten censureren.''

Wat een mooi handschrift, was Morees eerste gedachte toen hij het pakketje brieven van Aagje aan haar echtgenoot voor het eerst zag. Het waren achttien brieven met een touwtje eromheen. Een negentiende brief vond hij in een andere archiefdoos. Uit die envelop dwarrelde ook nog een klein briefje met, ogenschijnlijk, gekrabbel.

Hoe bijzonder zijn vondst was werd hem pas later duidelijk. Moree had wel de brieven laten fotokopiëren -The National Archives leent niet uit.

,,Ik heb honderden, duizenden VOC-brieven gezien. Maar ze zijn zelden van een vrouw. En nooit zo levendig van stijl als deze. Ik ken een brief uit 1672 van een vrouw die haar man verslag doet van de moord op de gebroeders De Witt -heel feitelijk. De meeste VOC-brieven zijn zo. Vaak zijn ze simpelweg zakelijk. Rekeningen, krantenknipsels, schetsboekjes:'' De matrozen tekenden uit verveling.

,,Dit is compleet anders. Dit zijn de gevoelens van een zeemansvrouw die zich eenzaam voelt en haar man mist. De ironie van het verhaal is natuurlijk: deze brieven zijn bewaard gebleven juist omdat ze buitgemaakt zijn, en daardoor in dat archief terechtgekomen. Zonder de vierde Engelse oorlog waren ze verloren gegaan.'' Wat Harmanus aan zijn Aagje terug schreef is dan ook niet bewaard gebleven.

Aagjes eerste drie brieven, van november 1776, zijn nog optimistisch van toon. Ze heeft altijd al met een zeeman willen trouwen en ze meende te weten hoe dat moest: getrouwd zijn met een zeeman.
,,Lief, ik denk geheel om geen malligheijd. Het komt niet in mijn gedagten. Ik heb het lijf zoo vol lief, dat ik heel goed een jaar of twee, en zo laang als mijn lief hartje uijtblijft, met geduld kan uijtwagten. Nu gij niet bij mijn bent weet ik nergers van en ik hoop dat gij lief ook zoo zult wesen.''

Maar dan krijgt het realiteitsbesef de overhand. Haar vierde brief is van september 1777. Hun zoontje, Lammert, is zes maanden oud.
,,Ik heb uw suijvere liefde nuw een gandsche dag en nagt bij mijn, lieve man. Namentlijk ons eerste eegtvrugt, dat ik zoo teer heb gedraagen.''

Maar het alleenstaande moederschap valt haar ronduit zwaar: ,,O neen lief, ik heb geen vrooleijk uur sonder uw, mijn uijtverkooren schat. Ik verslijt mijn jonge daagen meest in traanen, want mijn kind is ook zoo stout. Denkde menigmaal: wat isser al in de getrouwde staadt opgesloten die het zoo jong, ja ik mag wel seggen onbedagt begint. Maar ik hoop hij zal wel wat soetter worden, want hij suijgt de ontsteltenis van mijn.''

De romantiek van een huwelijk met een zeeman ziet ze niet meer zo in: ,,Ik heb doen ik vreijster was allan om een seeman geroepen, maar kon ik het nu weer herroepen lieve man, ik wou liever alle daagen werken, als ik maar wist lieve ziel waar gij was en waar gij gong of stong. Maar ik geloof lieve man, dat ik al te trots heb opgesprooken, dat het nu een straf voor mij is, want ik heb dat nooijt zoo ingesien als nu gij weg zijt. Nu ondervind ik eerst wat een seeman is.''

Brieven van een Texelse zeemansvrouw aan haar man? Daar moet een boek van worden gemaakt, zei letterkundige Vibeke Roeper tegen Moree toen hij haar een paar jaar later vertelde van het stapeltje fotokopieën dat hij thuis had liggen. Met steun van het Prins Bernhard Cultuurfonds en de Stichting VOC Texel is dat boek er nu gekomen. De originele brieven zijn erin afgebeeld, met ernaast de transcriptie. Aagje schreef zonder punten en komma's en het Nederlands van die tijd had nog geen spellingsregels, zodat er flink wat aanvullingen nodig waren. Bovendien schreef Aagje vrij fonetisch de Texelse spreektaal van dat moment op: 'kuurig' als ze 'keurig' bedoelde, 'schreewt' als ze 'schreeuwt' bedoelde. Die ontbrekende letters zijn er, tussen haken, tussen gezet.

Er is geen vertaling in hedendaags Nederlands bijgevoegd. ,,Dan doe je geen recht aan het leuke 18de eeuws dat ze schrijft. Ik vond het zo charmant en ik vond het zonde om daar de aandacht van af te leiden. Dus is het 'de gemengde methode' geworden: aanvullingen, noten, en een flinke verklarende inleiding.'' Het helpt overigens zeer om Aagjes brieven hardop te lezen.

Aagje Luijtsens brieven omspannen een periode van vier jaar. De eerste is van november 1776, de laatste van 30 november 1780. Negentien brieven in vier jaar, is dat veel of weinig? Moree: ,,Ze gaf een brief mee wanneer er weer een vloot naar de Oost vertrok, een paar keer per jaar. Je kunt uit de brieven opmaken dat het geen volledige verzameling is: ze heeft meer geschreven dan er is. De vloten vertrokken vanuit Texel, dus Aagje had in Den Burg eerstehands informatie over het vertrek.'' Dan schrijft ze bijvoorbeeld: ,,Ik heb het van de middag eerst geweten dat ik most schreij.'' Ook moet een rol hebben gespeeld dat papier duur was. Moree: ,,Ze gebruikte eersteklas papier en goede inkt; daarom zijn de brieven nu nog zo mooi. Maar daarom ook schreef ze vaak in de marges. En toen haar zoontje een reep van een vel had afgeknipt, gebruikte ze ook dat vel.''

Prachtig aan Aagje Luijtsens brieven, behalve de tranentrekkende toon van gemis en verlangen, is de bijna eindeloze reeks koosnamen die ze voor haar man gebruikt. En, hoe ze die gebruikt: een paar liefkozingen per zin. Ze noemt Harmanus nooit bij zijn naam, maar noemt hem: lief, hartje lief, schatje lief, waarde lief, zieltije lief, lieve hartje, bekkelief, lieve kostelijke man, lieve schat, Kikkertje lief, mantije lief, mijn lieve uitverkooren, mijn kostelijke lieve ziel, mijn waarde engel, lieve engeltije, mijn waardste pand, voor altoos uitverkooren tweede ziel en schat, mijn eenigste vermaak, de kroone mijnes hoofds, waarde en liefhebbende man en voor altoos uitverkooren lief, waarde en zeer beminde lieve kostelijke schat, waarde schat, waarde ziel, zeer geagte en teer beminde lief en uitverkooren man, zeer waarde en geachte lieve man, ziels beminde schat.

Of ze duidt hem aan met het Texelse kooswoord 'slep', iemand die bij je slaapt -een begrip dat het verdient onmiddellijk weer in gebruik te worden genomen. Wanneer ze Harmanus vraagt om een grote doos make-up mee te brengen, legt ze zo uit waarom: ,,Want ik heb gehoord dat gij, mantije lief, dat gij uw hart ter deeg op hold (dat je hart daarvan sneller gaat kloppen, red.) en daarom, sleppe lief, smeer ik mijn heele gesigt vol, zoo dat ik nu verrukkig mooij ben.''

Ook haar zus Marritje schrijft aan Harmanus. Zij praat hem bij over de interessantste roddels uit Den Burg: wie heeft het met wie gedaan, en met welk gevolg? ,,Gorters zoon van Den Hooren twee meijden bij hem in de kraam moeten, waar van dat ter al een van hen is bevallen en heeft een zoon en heij is getrouwt man. [...] Bouwen bij Marrij uijt De Kikkert doe betrapt is, doe morgens heeft Anne Kalis en Marrij malkander zoo uijt scholden dat zij om aalkaar bij de kop vatten ende mutssen daar af raakten, de eene zeijde dat Bouwen bij haar geweest hadden en de ander zeijde dat Klaas Duijne bij Anne Kalis geweest hadden.''

De verhouding tussen Harmanus en Aagje is verrassend modern, vindt Moree. ,,Ze waren niet van de straat; Harmanus was een officier. Een vrouw van Aagjes stand werd niet geacht te werken, dus in economische zin was ze afhankelijk. Maar qua gevoelens was het niet bepaald een afstandelijke relatie. Op de universiteit leer je dat het huwelijk uit liefde een uitvinding uit de 19de eeuw is, dat verhoudingen daarvoor vrij zakelijk waren. En, dat moederliefde vroeger door de grote kindersterfte ook anders was. Maar in Aagjes brieven zie je daar niets van terug.''

Als Harmanus herfst 1779 opnieuw scheep gaat is Aagje opnieuw zwanger. Maar de kleine Klaas, in april 1780 geboren, overlijdt al in november aan pokken. Aagje schrijft hem het slechte nieuws. ,,Hij is aan kinderpokkes gestorven. Was van zijn hoofd tot zij voetijes toe vol, en het smartelijkst daar van dat hij in zijn borstije is gesmoord, Voor mij onvergeetbaar want mijn vreugt, mijn pronk is weg, want hij was een beeld der beelden, goedaardig en soet, en wat een liefde ik van dat kind gehad heb kan ik u zoo niet schreijven lief, want u kant het zo niet begreijpen, want u heeft het nooijt gesien.''

Ze stuurt een briefje mee van het nu enig overgebleven zoontje, Lammert. Die is inmiddels bijna vier en wil zijn vader zelf een brief schrijven. Aagje licht toe wat de krabbels betekenen: ,,Diet is je zoon zijn schrift vader. Hij wouw allan een brief naar zijn vader toe schreijven, want hij meent dat ik vergeet om naar zijn vader te schreijven om mooij goed en lekkers en nu heeft hij het self geschreven, soo als u ziet alle ootijes''.

Harmanus ontving die brief in mei 1781, even voordat zijn schip in juli door de Engelsen wordt buitgemaakt. Aan het eind van die zomer komt hij met een Deens schip terug in Nederland. Zes jaar later, na nog een paar grote zeereizen, houdt hij het varen op zijn 38ste voor gezien. Hij ging de plaatselijke politiek in en werd (een Oranjegezinde) schepen, wethouder.

Van hoe het Aagje en Harmanus daarna is vergaan zijn alleen de dorre stadhuisfeiten bekend: toen hij eenmaal aan land was, zullen ze wel geen brieven meer hebben geschreven. Van hun in totaal zes kinderen zijn er drie volwassen geworden. Aagje overleed in 1797, veertig jaar oud, vermoedelijk aan borstkanker. Harmanus hertrouwde met een Amsterdamse weduwe. Hij is 57 geworden en overleed in 1806. Zijn familie, de Kikkerts, bestaat nog altijd en is talrijk. De familie van Aagje is uitgestorven. De laatste Luijtsen, die 'als zonderling' in De Koog zou hebben geleefd, overleed in 1938.

Perry Moree, Kikkertje Lief, brieven van Aagje Luijtsen, Uitgeverij Het open boek Texel, ISBN 90-70202-3-34-4. Tot 1 januari 17,50 euro, daarna 19,50 euro

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden