zedendelict / Grote schoonmaak

Maria van Daalen schrijft en dicht veelvuldig over aanranding en verkrachting. „Is er iets met mij mis omdat ik zo raar vaak het object ben van misbruik? Ik heb mij dat op zeker moment serieus afgevraagd. En toen bedacht ik dat ik nog steeds niet alle zaken had afgerond. Beter, had afgerekend met de daders.”

Bay kou, bliyé, poté mak, sonjé. Wie slaat, vergeet, wie geslagen wordt, onthoudt. Ik heb het Haïtiaanse spreekwoord vaker gebruikt, ook in het titelgedicht van mijn laatste bundel ’De wet van behoud van energie’. Ik gebruik het in verband met geweld van mannen jegens vrouwen. „De hier aanwezige mannen uitgezonderd”, zeg ik er in gezelschap dan vriendelijk bij, want de aardigste mannen schamen zich vaak plaatsvervangend voor hetgeen de misbruikers hebben gedaan, terwijl die zich daar juist niet voor schamen. Maar in mijn artikelen gaat het in eerste instantie niet over de mannen en zelfs niet altijd over het geweld. Het gaat over wat het doet met de vrouw die het ondergaan heeft. Ik wil die vrouw, die vrouwen, vertellen dat je iets kunt terugdoen – dat je wat móét terugdoen. Red je eigen leven.

Sommige vrouwen vinden het amoreel als ik, zoals in ’De wet van behoud van energie’, een gedicht maak met anekdotes over misbruik en verkrachting, zonder zelf ooit slachtoffer te zijn geweest.

Ik leg ze dan eerst uit dat ik stem geef aan de vrouwen die geen stem hebben. Dat is voor mij als dichter een ernstige, morele plicht, waarvan ik mij gekweten heb sinds het begin van de Balkanoorlog. In 1993 publiceerde ik het lange gedicht ’Brief over het eindige’ dat voor een groot deel is samengesteld uit readymades, ontleend aan interviews met verkrachte vrouwen en meisjes tijdens die oorlog.

De directe aanleiding toen was de discussie of verkrachting wel een oorlogsmisdrijf was. Dat was het, mits er dertigduizend of meer vrouwen verkracht waren! Ik heb mij daar ontzettend over opgewonden en ik kan er nog steeds ontzettend kwaad over worden. Elke verkrachting van de vrouwen van een tegenpartij om die ’vijand’ te vernederen, is een oorlogsmisdrijf, al gaat het om één vrouw. Het Internationale Gerechtshof in Den Haag moet zich doodschamen dat het nooit een uitdrukkelijke veroordeling heeft uitgesproken. Het gedicht in kwestie werd in 1994 in vertaling gepubliceerd in een Kroatische krant. Dat was wat ik kon doen als auteur en ik deed het.

Een auteur wikt en weegt haar woorden – zeker als het een beladen onderwerp betreft als verkrachting of marteling of de Jodenvervolging. Mag ik iets opschrijven dat ik niet heb meegemaakt? Natuurlijk wel. Ik mag liegen dat het gedrukt staat. De literatuur mag een spel zijn van werkelijkheid en fictie. Maar ik ben wél moreel verantwoordelijk voor elk woord dat ik in druk geef. En als ik bewust een thema aansnijd om stem te geven aan de stemlozen, ben ik niet amoreel bezig.

De vrouwen die mij dat ’amoreel’ voor de voeten wierpen, waren zelf slachtoffer. Pas nadat ik ze mijn overwegingen had uiteengezet, vertelde ik dat ik wel degelijk ’object’ (liever dan ’slachtoffer’) ben geweest. Daar schrokken ze nogal van, maar dat maakt me niet minder bezorgd – bezorgd, niet over mijn mogelijke amoraliteit, maar over de vragenstelsters. Ik betoogde dat je bij misbruik de dader moet aanspreken en niet moet proberen je zusters neerbuigend te behandelen om toch een gevoel van eigenwaarde overeind te houden. Die psychologische truc werkt niet en je bent genoodzaakt die de rest van je leven eindeloos te herhalen. Zonder ooit dat gevoel van eigenwaarde volkomen terug te krijgen, want dat krijg je pas weer als er recht gedaan wordt.

Recht bestaat niet altijd uit een strafrechtelijke veroordeling van de dader. Is dat erg? Jawel, maar je bent als vrouw al veel geholpen als er geluisterd wordt door de bevoegde instanties. En dat is in dit geval de zedenpolitie. Doe aangifte! Ook al schaam je je dood dat je al die vieze, intieme handelingen moet doornemen met twee onbekenden. Je kunt altijd vragen om een vrouwelijke agent, als je die al niet automatisch te spreken krijgt, en echt, ze zijn heel goed. Ze luisteren. Op dat moment begin je je te realiseren dat je je terecht afgrijselijk vies voelt. Dat jij je niet hoeft te schamen, integendeel. Met jou is niks mis. Met de dader wél.

Als dan de dader wordt gehoord, word jij bang. Hij komt natuurlijk te weten dat jij aangifte hebt gedaan en misschien staat hij straks weer op de stoep om het nog eens dunnetjes over te doen, bij wijze van strafmaatregel omdat jij hem verlinkt hebt. Maar intussen zit hij wel te zweten op het politiebureau. Urenlang. En er is een politiedossier. Heel wat daders zijn veelplegers, maar die veelplegers krijgen niet veel aangiften aan hun broek. Als hierna de zaak door het OM geseponeerd wordt, is dat een tegenvaller, maar er is de winst dat de dader in de meeste gevallen een flink blok zal omlopen als hij jou ergens tegenkomt plus de wetenschap dat hij die uren op het politiebureau gezeten heeft. Dat is een straf op zichzelf, zeker als meneer een intellectueel is. Ik had op zeker moment drie van zulke aangiften lopen tegen drie intellectuele meneren en twee ervan zijn enorm geschrokken. Goed zo.

Een strafrechtelijke veroordeling is niet altijd mogelijk. Agenten van de zedenpolitie die ik de afgelopen jaren gesproken heb, maken zich vaak zorgen om het feit dat veel zaken geseponeerd worden „wegens gebrek aan technisch bewijs” en om de vreemde situatie dat vaak dezelfde vrouwen object zijn van misbruik door totaal verschillende daders, in onderling niet verbonden situaties. Het lijkt dus wel alsof het OM de aangiften niet serieus neemt en het lijkt alsof er iets met die vrouwen mis is.

Het eerste is niet het geval: het OM neemt de zaken zeer serieus, maar de Nederlandse Grondwet is er voor iedereen, en dus is in zekere zin ook de dader beschermd. En goed technisch bewijs is er in een verkrachtingszaak zelden, of je moet direct erna naar de dokter rennen en dat is wel het laatste waar je zin in hebt.

Proberen het gevoel van de vrouw aan de dader uit te leggen, werkt soms averechts. Ik heb meegemaakt dat een man er opgewonden van raakte en vervolgens zelf handtastelijk werd. Perversie is een onderdeel van de hele psychologische make-up van het daderprofiel.

Maar nu het tweede. Is er iets met mij mis omdat ik zo raar vaak het object ben van misbruik? Ik heb mij dat op zeker moment serieus afgevraagd. En toen bedacht ik dat ik nog steeds niet alle zaken had afgerond, beter, had afgerekend met de dader. Toen ben ik Grote Schoonmaak gaan houden. Ik heb alles opgeschreven dat nog eens zou moeten worden verrekend, ik ben met de zedenpolitie gaan praten, die mij uitlegde wat de procedure is, wat de verjaringstermijnen zijn – voor verkrachting is die in Nederland vijftien jaar, in België aanzienlijk korter, meen ik – en wat voor opties er zijn om de dader op het matje te roepen. Ik ben het hele vermoeiende circus ingegaan. Het helpt. Dat weet ik nu uit ervaring.

Je raakt vanaf je eerste ervaring met misbruik – bij mij gebeurde dat op mijn twaalfde – een stuk van je ziel kwijt. Niet op straat, niet in de ruimte, maar in de tijd. Op dat stukje staan als coördinaten bijvoorbeeld ’19 maart 2004, half twaalf ’s nachts’. Daar is het achtergebleven in de tijd en daar moet je het terughalen. Je moet weer heel worden om weerbaar te worden, om niet steeds opnieuw ’object’ te worden. Het gat dat in je harnas is geslagen, toen, vanaf die eerste keer, moet gedicht.

Alles van waarde is kwetsbaar, maar alles wat kwetsbaar is, is weerbaar, omdat de vanzelfsprekende kracht van argeloosheid nooit wordt onderkend. Je moet weer argeloos kunnen zijn. Dat is iets anders dan naïef.

Wel moet je je als vrouw realiseren wat de reacties kunnen zijn van je omgeving. De familie van die man roept direct: „Oh, dat zou Kees nooit doen.” Ook de vrouwen in die familie. En niemand zal op de gedachte komen om excuses aan te bieden. Je eigen familie en vrienden kunnen ook afstandelijk worden. Ach, je vertelt onzin, zo erg kan het niet zijn.

Vrouwelijke familieleden hebben het nooit meegemaakt en begrijpen niet hoe erg het is. Ik heb van een vrouw weleens de vraag gekregen of ik ’De wet van behoud van energie’ geschreven had als wraakoefening. Nee, want je maakt geen kunst uit wraak. Kunst maak je alleen als je emoties kunt vormgeven en dat vormgeven impliceert een zekere afstand. Kunst speelt. Maar is niet naïef. De kracht van argeloosheid wordt opengelegd, zodat de beschouwer, de lezer, de toehoorder zich die kan toe-eigenen.

Mannelijke familieleden voelen zich soms aangesproken, voelen zich plaatsvervangend beschuldigd of zelfs schuldig en reageren dan vreemd. Maar ik herinner mij ook een heel goede vriend die spierwit werd; hij was met mij woedend om het misbruik. Dat gaf mij kracht. Hij is advocaat, dat scheelt misschien, hij ziet professioneel een hoop ellende en bezit een gezonde twijfel aan de vaak veronderstelde aangeboren goedheid van de mens.

De meeste mensen, ook vrienden en familie, realiseren zich niet dat kwaad een reëel iets is. Een soort meme, een eenheid van gedrag en geloof en cultuur. Je kunt zo’n meme doorgeven zonder dat je het weet. Net een virus. Ik sla mijn kind omdat ik als kind zelf geslagen ben.

Maria Mosterd beschrijft in haar boek ’Echte mannen eten geen kaas’ (Van Gennep, 2008) een loverboy, haar misbruiker en uitbuiter, als een man met een verleden als kindsoldaat. Ze geeft het niet als excuus, ze noteert het als een mededeling.

Een verleden als object, als slachtoffer, mag geen excuus zijn. Er is altijd een keuze: geef ik dit door of geef ik dit niet door. Maar om die keuze te kunnen maken, moet je eerst jezelf durven aankijken. Ik schrijf ook daarom over dit onderwerp: om de lezeressen en lezers die er uit ervaring van afweten, de woorden te geven om erover te spreken, en om ons allemaal kennis te laten maken met onze voortdurende onwil om te erkennen dat het kwaad bestaat.

Publiciste en juriste Heleen Mees riep eerder dit jaar op tot het oprichten van een Monument voor de Onbekende Verkrachte Vrouw: „Vervolging moet een vanzelfsprekendheid worden. Er moet een einde komen aan de Grote Stilte, opdat de slachtoffers worden bevrijd van de last van schuld en schaamte. (*) Voor de verkrachte vrouwen tijdens oorlog en conflict zijn er – anders dan voor andere slachtoffers van oorlogsgeweld en veteranen – geen herdenkingsplaatsen en rouwrituelen. (*) Daarom moet er bij het nieuw te verrijzen Internationale Gerechtshof in Den Haag een Monument komen voor de Onbekende Verkrachte Vrouw.”

Ik onderschrijf het van harte. Maar het begint niet bij oorlogssituaties, het begint bij het eigen leven. Red je eigen leven. Eis je recht.

Maria van Daalen is dichteres en vodoupriesteres. ’De wet van behoud van energie’ verscheen vorig jaar bij uitgeverij Querido (ISBN 978902143348 6).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden