Zedelijkheid

De Lange Niezel is het smerigste straatje van de Amsterdam. Dat komt door de gebrekkige riolering, waardoor er altijd drabbige plasjes water liggen, en door de obscure nering die er wordt gedreven: vage clubs, winkeltjes met seksattributen, wasserette Rambo.

MAYA ZIELINSKI RASKER

In dit straatje is slagerij Venekamp gevestigd, naast een seksbioscoopje dat zich heeft gespecialiseerd in de copulatie tussen mens en dier. Op de foto's in de uitstalkast van de sekscinema wordt gedetailleerd ingezoomd op de activiteiten tussen vrouw en hond of ezel. De etalage van de slagerij heeft zich aan de omgeving aangepast: hier geen steriele varkenshaasjes op een rij, omzoomd met bosjes peterselie. Het vlees ligt in hompen achter glas, ontdaan van iedere opsmuk.

Ik kan me voorstellen dat eens een fotograaf een zodanige opstelling zal kiezen, dat hij dit stilleven in de Lange Niezel weet vast te leggen: dit samengaan van de cinema en de slagerij, van seks en vlees, van de ontzielde uitstalling van de vrouw en het dode beest. Als de foto inderdaad die elementen weet te vangen in die ene compositie, dan is een deel van de wereld overdrachtelijk gemaakt. Het beeld vertelt een verhaal dat wij, woordenloos, weten te duiden. Dan is het een beeld geworden dat ons raakt.

Vrijwel dagelijks passeer ik de Lange Niezel zonder enige emotie over wat ik zie. En dat terwijl de Niezel een van de weinige plaatsen is waar de peeshotelletjes nog opereren, waar de straatprostitutie floreert. De tragiek van die opgetuigde heroïnehoertjes is vele malen groter dan het verhaal van de ontzielde lichamen bij de slager en de cinema.

De verbeelding van het lijden van deze hoeren, in de abstractie van de foto van slagerij Venekamp en het seksbioscoopje, zou mij beter in staat stellen erop te reageren. Wij consumeren leed door middel van reproductie - het journaal, de krant, de World Press Photo - en verkiezen die beeldtaal. De afbeelding van menselijk leed roept een zekere emotie op, maar het is zelden een emotie die voortkomt uit verbondenheid of gedeelde ervaring. Niettemin kennen we de rillingen bij het zien van een foto meer waarde toe dan het afgewende hoofd, wanneer we daadwerkelijk geconfronteerd worden met menselijk lijden. De doorgang is geblokkeerd.

In spiegelbeeld werkt dit fenomeen overigens ook. Het aanschouwen van een meesterwerk als Barnett Newmans 'Cathedra' kan een geweldige emotie oproepen - waarvan akte! -, een emotie die zich nauwelijks laat beschrijven, laat staan vangen in een plaatje. De foto van dit kunstwerk benadert nog geen fractie van zijn werkelijke schoonheid: een schoonheid waardoor ik en het schilderij, zíjn overweldigende kracht en mijn nietigheid, naadloos in elkaar overlopen. Het is wat de cultuurfilosoof Walter Benjamin formuleerde als de aura van een object, de “absolute onoverdraagbaarheid en echtheid” van datgene wat wij aanschouwen.

Dit aura van het origineel staat ons toe dat wij, zij het soms maar een klein beetje, kunnen doordringen tot de kern van wat we zien. We kunnen echtheid (en dus schoonheid, of lelijkheid) zo sterk ervaren dat het fysiek wordt, dan lopen de rillingen over je rug en krijg je kippenvel. Het is die oerervaring wanneer je kortstondig beleeft dat de grens tussen jou en het andere vervaagt.

Dat overschrijden van de grens tussen mijn en dijn wordt niet alleen ingegeven door de authenticiteit, de kracht van een object als het heroïnehoertje of de Cathedra. Het hangt ook nauw samen met ons vermogen, het vermogen van de toeschouwer, om dat andere tot ons door te laten dringen. En juist dat, die openheid of dat werkelijke ervaren, is aan erosie onderhevig. Vooral waar het de confrontatie met de realiteit van een mens betreft, de gevoeligheid voor het wezen, en daarmee vaak ook voor het lijden van de ander.

In de feitelijke confrontatie met de hoertjes van de Niezel is geen sprake van betrokkenheid, ik sluit datgene wat ik zie volledig buiten omdat die ervaring mij zou kunnen verwarren. Immers, zij zou een mens kunnen zijn, net als ik!

Ik ken haar geen aura toe, want daardoor zou zij me te dicht naderen.

Ik kijk naar haar, maar ik kijk haar niet aan - uit vrees voor haar blik.

Wij kijken naar de wereld om ons heen in machteloosheid; we kunnen niet begrijpen, we kunnen niet verhelpen, we kunnen niet beheersen. Moraal noch ratio biedt een uitweg voor het menselijk tekort om overschrijding toe te staan. Dus wenden we het hoofd af om niet in de ogen te hoeven zien, of aanschouwen we de ander met een blik gevuld van mededogen. Maar de heroinehoer wil dat niet; ze wil respect, zoals ieder ander mens. En ik, de passant, ik kan geen respect opbrengen voor dit deerniswekkend wezen - mijn register van associaties staat niet toe dat ik haar zie als mens.

Mijn blik is onzedelijk, juist om die reden. Mijn blik is onzedelijk door gebrek aan schaamte voor wat eraan ten grondslag ligt: wellust, begeerte, sensatiezucht, superioriteit. Mijn blik is onzedelijk omdat hij de waarheid versluiert, de waarheid dat zij mens is, net als ik - hoe deplorabel ook haar staat.

Mijn dochter is drie, en groeit op de Wallen op. Ze kijkt naar “mooie meisjes” in de ramen en heeft nog geen normatief register om haar blik te vertroebelen. Ze vraagt zich niet af wat die dames daar in hun ondergoed doen, wat die lederen attributen in de etalage betekenen, waarom ze tikken op de ruiten. Wat ze ziet, is wat het is: mooie meisjes - en als het gordijntje dicht is, dan slapen ze.

Mijn dochter van drie heeft een onbevangen blik; een blik die nog niet is gevangen in de rede, nog niet beheerst door moraal; ze kijkt vrij van dwang tot verklaren en verlossen. Ze babbelt met bedelaars, flirt met junks, neemt snoepjes aan van zwervers en heroïnehoeren en geeft haar glimlach aan de bakker, de slager en de pooier - allen gelijk. Schaamteloos kijkt ze naar een straatmuzikant en roept vol pret: “Jij hebt maar één been!” (voor haar is de man mooi, “rijk aan groot en vreselijk”, zoals Zarathoestra zegt) terwijl haar moeder een gulden in de vioolkist werpt.

Mijn dochter van drie loopt langs de rafelrand van onze samenleving - ze kijkt naar een veelvoud van de afstotendste mens en ziet hem zonder schaamte, omdat haar innerlijk oog nog niet is verduisterd.

Zij is de schaamte vooruit, en ik moet opnieuw de schaamte leren. Want wat is nu onzedelijk - datgene wat zij ziet, of hoe ik daarnaar kijk?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden