Reportage

Ze zijn nog maar twaalf jaar oud en helemaal alleen in Europa

Beeld Studio Vonq

Zo’n honderdduizend minderjarige vluchtelingen trekken alleen door Europa. Ze vormen een ongrijpbare groep, naar wie Europese landen nauwelijks omkijken.

De geur van verbrande olie walmt Panagiotis Nikas tegemoet. ‘Popcorn?’ vraagt hij als hij de deur van de keuken openzwaait. Bij het fornuis is Cynthia (niet haar echte naam), samen met een vriendin en een begeleidster in de weer met mais en olie. Het meisje uit Kameroen is vandaag twaalf jaar geworden. “We hebben straks een klein feestje”, fluistert Nikas. Hij doet de deur dicht en vervolgt de rondleiding door het opvanghuis voor alleen reizende, gevluchte meisjes van Zeuxis, de organisatie waarvan hij directeur is.

De oude woning in een achterstandswijk, net buiten het centrum van Athene, moest grondig gerenoveerd worden voor de zestien jonge bewoonsters er afgelopen oktober hun intrek konden nemen. Wie de Griekse opvangfaciliteiten enigszins kent, ziet al snel dat meisjes die hier terecht komen ­geluk hebben. De gemeenschappelijke tv- en computerruimte, de kleine eetzaal, het keukentje en de vijf slaap­kamers: er straalt rust uit, met de zachtgele muren. De kamers zijn gezellig, de bedden fraai. Het zijn zaken waar veel andere alleen reizende minderja­rigen alleen maar van kunnen dromen.

Volgens de laatste telling van de Griekse overheid gaat het om bijna 3800 minderjarige vluchtelingen. Nog geen duizend van hen wonen in tehuizen zoals dit. Ruim zeshonderd verblijven in de kampen op de eilanden, al dan niet in een afgesloten afdeling. Nog eens enkele honderden zitten in hotels of politiecellen, in afwachting van een plekje in een opvanghuis. Een andere groep zit in kraakpanden in Athene, vaak onder begeleiding van activisten. En dan zijn er nog eens 750 die dakloos zijn, of geen verblijfsplaats opgeven. 

“Zij kiezen er vaak voor om zich niet te laten registreren”, zegt Nikas in zijn kantoor in het opvanghuis. “Vaak denken ze dat ze het zichzelf dan moeilijker maken verder Europa in te reizen.” Dat is uiteindelijk wat de meeste van hen willen. Verder reizen naar het westen, liefst tot aan Groot-Brittannië, waar ze hopen werk te vinden of zich bij familie en vrienden te voegen.

Meisje uit Kameroen, dat in Athene in de opvang van Zeuxis woont. Beeld Thijs Kettenis

Buiten het blikveld

En zo vallen er honderden kinderen buiten het blikveld van de overheid. Dit gebeurt zeker niet alleen in Griekenland. Hoeveel gevluchte kinderen er precies in hun uppie door Europa zwerven, is daardoor moeilijk vast te stellen. Juist doordat sommigen zich nergens melden en anderen dubbel worden ­geteld: in het eerste Europese land waar ze aankomen en later bijvoorbeeld bij een grensovergang. Maar over een ding lijken de migratie-experts en hulpverleners het eens. Hun aantal is toegenomen. Spraken zij voor 2014 over ruim 10.000 kinderen per jaar, nu gaan de schattingen eerder richting de 100.000. Ze komen uit landen als Syrië, Afghanistan, Eritrea en Nigeria. Soms ontvluchten ze oorlog, soms armoede of zijn ze in handen gevallen van een mensensmokkelaar, die hen een mooie toekomst in Europa voorspiegelde.

Waar die toename vandaan komt, is niet helemaal duidelijk. Omdat de migratieregels in Europa de laatste jaren strikter zijn geworden, is het bijna onmogelijk geworden om zonder mensensmokkelaar naar Europa te komen. De reis is daardoor kostbaarder geworden. Soms wordt daarom een kind vooruit gestuurd. Het gebeurt ook dat de volwassene met wie een kind vertrekt ­onderweg overlijdt.

Ontsnapt

Nikas hoort in zijn opvanghuis diverse redenen waarom de meisjes zonder familie in Griekenland terechtkomen. Sommigen gaan hun geliefde achterna. Anderen hopen op hereniging met gezinsleden, die al ergens in Europa verblijven. “Veel van hen zijn slachtoffer van mensenhandel. En sommige meisjes zijn ontsnapt aan de familie met wie ze op de vlucht waren. De vader of broer liet hen tijdens de reis misbruiken door smokkelaars om voor de reis te ­betalen.” 

Waarom Cynthia vertrok? Het meisje uit Kameroen trekt een strak gezicht en maakt met haar linkerwijsvinger een snijbeweging over haar nek. “Mijn ouders zijn dood”, zegt ze mat. “Dat waren ze al toen ik nog in Kameroen woonde. Mijn buurvrouw kwam me op een dag halen. We gaan naar je zus in Frankrijk, zei ze.” Dat was iets van een jaar geleden, Cynthia weet het niet meer precies. Met het vliegtuig gingen ze naar Dubai en vervolgens door naar Iran. Vandaar ging het verder richting Turkije, met behulp van smokkelaars, deels te voet. “Drie dagen heb ik in Iran gelopen. Of vier, ik weet het niet meer. In een colonne. Zonder eten, zonder drinken. ’s Nachts was het zo koud, ik dacht dat ik doodging.” Met haar linkerhand maakt ze slaande gebaren. “Dit gebeurde de hele tijd. We werden ook geschopt. Niet alleen wij, ook anderen van wie de rest vond dat ze te langzaam gingen. We moesten zo snel mogelijk naar Turkije, iedereen was bang dat de Iraanse politie ons zou pakken.”

“Je zou verwachten dat kinderen op de vlucht extra worden beschermd, maar dat is niet zo”, zegt Catherine Woollard, hoofd van Ecre, een Europees netwerk van ngo’s, dat opkomt voor de rechten van vluchtelingen en asielzoekers. Vanuit haar kantoor in een statig pand in het centrum van Brussel volgt zij op de voet hoe de EU met minder­jarige vluchtelingen en migranten omgaat.

Haar indruk? “Europa voert een harde politiek om migratie zo veel mogelijk tegen te gaan. Ook kinderen lijden onder de striktere regels, die net zo goed op hen worden toegepast. Ze verdrinken bijvoorbeeld, doordat reddingsacties op de Middellandse Zee worden beperkt. Of ze komen in een detentiecentrum terecht, nadat ze uit zee zijn opgepikt door de Libische kustwacht. Vorig jaar haalde die zo’n 15.000 mensen uit zee en bracht hen terug naar ­Libië, waar ze werden opgesloten. Daar zitten ook kinderen tussen, soms met familie, soms alleen. ”

Zo kan Woollard nog even doorgaan. “Kinderen hebben last van de overvolle opvangcentra, maar indirect ook van bijvoorbeeld de deal die Brussel in 2016 met Turkije sloot om te voorkomen dat vluchtelingen doorreizen naar Europa.”

Die EU-Turkijedeal bepaalde ook de reis van Cynthia. In het holst van de nacht stapte ze zo’n acht maanden geleden met haar buurvrouw en tientallen anderen aan de Turkse kust in een rubberboot. “Ik was doodsbang. Het was pikdonker en overal was water. Ik hield me stil, maar de Arabieren aan boord bleven maar schreeuwen en bewegen.” Ze zette voet aan wal op het Griekse eiland Lesbos. Daar belandde ze in het afgeschermde gedeelte van vluchtelingenkamp Moria voor alleen reizende minderjarigen. “Het was er afschuwelijk. Nooit rust of stilte. Altijd chaos. Het was er smerig. Overal poep en plas. En er waren gevechten.”

Hereniging

Na zes maanden kreeg ze toestemming om met haar buurvrouw de boot naar Athene nemen. Er was een plekje voor haar bij Zeuxis. Haar oude buurvrouw heeft ze sindsdien nooit meer gezien. Inmiddels heeft ze hereniging aangevraagd met haar zus in Frankrijk, ze moet de uitkomst van de procedure afwachten.

In de kampen op de eilanden, waar de meeste van hen aankomen, zijn niet de juiste faciliteiten voorhanden om alleen reizende minderjarigen op te vangen. “De omstandigheden in Moria zijn slecht”, zegt Nikas, die hiervoor vijf jaar directeur was van de Griekse aanmeldcentra, ook die op de eilanden. “Ik durf wel te beweren dat hoe goed je het daar ook regelt, het is nooit genoeg voor deze kwetsbare groep. Die moet weg blijven van drukte en mensenmassa’s.”

Juiste zorg voor de honderden jongeren in Moria ontbreekt, waarschuwen hulpverleners regelmatig. Onlangs trokken medewerkers van stichting Bootvluchteling nog aan de bel. Zij zien veel drank- en drugsgebruik en zelfbeschadiging bij de vaak getraumatiseerde tieners. Ze hebben stressklachten en paniekaanvallen, maar er is slechts één psycholoog beschikbaar. Soms kan het wel maanden duren, tot de jongeren mogen doorreizen naar het vasteland, waar ze betere zorg en bescherming kunnen krijgen.

Wazir Shinwari, die op zijn veertiende van Afghanistan naar Brussel reisde, in de Belgische hoofdstad. Beeld Sander de Wilde

Kinderrechtenverdrag

Woollard maakt zich er boos over. “Dat mensen op de Griekse eilanden worden vastgehouden, is een beslissing van de hele Europese Unie.” De aandacht van Brussel is volgens haar nu vooral gericht op het terugsturen van mensen naar Turkije, terwijl was afgesproken dat vluchtelingen over de EU-lidstaten zouden worden verdeeld. “Nederland is trouwens een grote voorstander van dit beleid.” Het spanningsveld tussen internationaal afgesproken kinderrechten en Europese migratiepolitiek steekt hier duidelijk de kop op, aldus Woollard. “Landen als Nederland en Zweden, waar veel respect is voor kinderrechten, zijn tegelijkertijd voorstanders van strenge migratieregels.” 

Het Kinderrechtenverdrag dat dertig jaar geleden door de Verenigde Naties werd aangenomen, stelt dat minderjarigen allereerst als kinderen moeten worden behandeld. Dus niet als vluchtelingen of migranten die nog geen achttien jaar zijn. Per geval moet worden bekeken wat voor het kind het beste is, legt Woollard uit. “Dat principe wordt door Europese politici niet gerespecteerd. In veel landen worden alleen reizende kinderen bijvoorbeeld niet opgevangen door de kinderbescherming, maar door migratie-instellingen die er niet goed op zijn toegerust.” Migratieregels zijn concreter en makkelijker af te dwingen dan internationale afspraken over kinderwelzijn. En volgens Woollard is dat te merken in de praktijk. “We zien dat basale rechten van minderjarigen op de vlucht worden geschonden, zoals het recht op onderdak of op veiligheid.”

Het had Wazir Shinwari geholpen als hem als veertienjarige duidelijker was gemaakt wat zijn rechten als kind waren, vertelt hij in het Brusselse kantoor van de organisatie Minor-Ndako, die onbegeleide minderjarigen opvangt. De Afghaan, die met een Vlaams accent spreekt, is inmiddels een twintiger en volgt een opleiding maatschappelijk werk. Voor die studie loopt hij stage bij Minor-Ndako, waar hij destijds ook werd opgevangen. Als ervaringsdeskundige herkent hij de verhalen van de jongeren, al denkt hij dat de weg naar Europa nog moeilijker is geworden. “Nu hoor je dat ze onderweg worden opgesloten, dat gebeurde destijds niet.” 

Ook zonder in de cel te zijn beland, was zijn reis naar Europa al heftig genoeg, vertelt Shinwari. “Het moeilijkste was om mijn eigen vertrouwde omgeving, Jalalabad, te verlaten. Verdergaan zonder familie en vrienden was op die leeftijd echt heel moeilijk.” Shinwari’s familie betaalde 12.000 euro aan een mensensmokkelaar om hem naar Europa te brengen, waar hij ver weg van het geweld een beter leven zou kunnen opbouwen, zo was de hoop.

Zeven maanden

“Ik wilde naar Londen om te werken. Ik dacht dat ik er binnen een week wel zou zijn.” Dat viel tegen. Zijn reis duurde zeven maanden. Een lange trip te voet en achterin vrachtwagens. “Elke keer moest ik weer op zoek naar eten en een veilige slaapplek.” Shinwari zag verschillende opvangkampen van binnen, hij verbleef onder meer in de ‘jungle’ van Calais. “De afschuwelijkste tijd van mijn leven.” Uiteindelijk strandde hij in Brussel, waar hij door de politie naar een opvangplek werd gebracht.

Vluchtverhalen, zoals die van de Afghaanse Shinwari en Cynthia uit Kameroen zijn wel opgetekend, maar onduidelijk is wat voor impact zo’n zware tocht op kinderen en jongeren heeft. Pedagoge ge Ilse Derluyn van de Universiteit Gent zette daarom een onderzoek op: ChildMove. “Hoe de situatie in hun thuisland, waar bijvoorbeeld oorlog woedt, het welzijn van jongeren beïnvloedt is wel al onderzocht. En ook weten we wat het effect is van de opvang op de uiteindelijke bestemming. Maar we weten nog maar weinig over de invloed van de gebeurtenissen onderweg en hoe de jongeren beter kunnen worden geholpen.”

Geen sinecure

Die invloed meten is geen sinecure, want het gaat om een ongrijpbare groep. “Terwijl zij bewegen, kijken wij door een statische lens.” De medewerkers van Derluyn houden vooral via social media contact met tientallen jongeren van veertien jaar en ouder in landen als Libië, Griekenland, Italië en België. Ze proberen ze op z’n minst twee jaar te volgen en in die periode een paar keer op te zoeken. In opvangkampen, op stations en in parken.

Het onderzoek is nog in volle gang, maar volgens Derluyn zijn er toch al een paar voorzichtige conclusies te trekken. “We horen bijvoorbeeld vaak dat de gebeurtenissen die de jongeren in Europa meemaken als moeilijker worden ervaren, dan ervaringen in het land van herkomst.” De minderjarigen ondervinden aan den lijve dat Europa vluchtelingen en migranten steeds minder welkom heet, zegt Derluyn. Ze krijgen te maken met racisme – soms weigeren buschauffeurs hen mee te ­nemen. En op sommige plekken, bijvoorbeeld bij de Italiaanse grensplaats Ventimiglia, worden ze terug de grens over geduwd.

“We horen regelmatig van de jongeren dat er tijdens hun tocht door Europa geweld tegen ze is gebruikt door mensen in uniform. Het is niet altijd duidelijk of het om officiële politie of bijvoorbeeld om milities gaat.” Derluyn maakt zich verder zorgen over het opsluiten van minderjarigen, ook al is dat in sommige gevallen bedoeld als bescherming. “Soms zitten ze weken of maanden in een politiecel.” Servië heeft bijvoorbeeld een slechte naam op het gebied van detentie, maar dat lot treft bijvoorbeeld ook minderjarigen die tussen Griekenland en Italië worden onderschept. “Ze verblijven in containers in afgesloten compartimenten. Behalve grind en hekken is er helemaal niks voor ze.”

Beeld Studio Vonq

Gebrek aan informatie

Derluyn ontdekte verder dat er in opvangcentra gebrek is aan tolken en aan informatie. “In Belgische opvangcentra lieten ze bijvoorbeeld wel video’s zien waarin de asielprocedure werd uitgelegd, maar niet in alle talen. Daardoor wisten Eritrese jongeren niet waar ze aan toe waren. En juist informatie kan geruststellen, een gevoel ­geven dat je een beetje controle over de situatie kunt hebben.”

Shinwari kan dat beamen. Niet weten waar je aan toe bent, maakt onzeker. “Ik had bijvoorbeeld graag willen weten dat mijn familie vanwege mijn jonge leeftijd aanspraak had kunnen maken op gezinshereniging. Tegen de tijd dat ik die informatie had, was ik te oud. Ik had behoefte aan concrete informatie, niet aan al dat praten over mijn problemen. De laatste tijd gaat het beter met mij, maar ik ben lang erg gedemotiveerd geweest. Uiteindelijk heb ik besloten om in België te gaan studeren. Ik zou niet alleen mijn kennis, maar ook mijn ervaringen willen inzetten om andere vluchtelingen te helpen, bij een VN-organisatie bijvoorbeeld.

Pedagoge Derluyn ziet in haar onderzoek dat het vaak beter gaat met de jongeren, zodra ze stoppen met rondzwerven en besluiten ergens te blijven en asiel aan te vragen. Toch lijken onbegeleide minderjarigen dat juist steeds minder te doen. Uit angst te worden teruggestuurd, zodra ze ergens hun vingerafdrukken afgeven, proberen ze zolang mogelijk onder de radar te blijven. Hulpverlener Johan Vangenechten van Minor-Ndaki ziet in zijn standplaats Brussel een nieuwe groep onbegeleide minderjarigen ontstaan. Ze zien Brussel als tussenstation, waar ze ongemerkt in vrachtwagens hopen te kruipen om zo Groot-Brittannië te bereiken. Ze hebben vaak al een lange tocht door Europa achter de rug, zegt hij. “Na slechte ervaringen met politie en andere officiële instanties zijn deze kinderen het vertrouwen in de autoriteiten totaal kwijt. Ze proberen dan ook zo veel mogelijk uit handen van hulpver­leners en instanties te blijven.”

Vangenechten geeft een rondleiding door het opvanghuis van zijn organisatie voor een tiental kinderen tussen twaalf en achttien jaar, die uit alle windstreken, van Syrië tot Eritrea, zonder ouders op een of andere manier in Brussel zijn aangekomen. Het oude klooster net buiten de Brusselse ringweg is stil. De kinderen zijn naar school en worden afgeschermd van de media. “Ze hebben vooral rust en regelmaat nodig.” In de tuin hangt een boksbal, in de woonkamer een wereldkaart, waarop de kinderen kunnen aanwijzen waar ze vandaan komen. Met heel veel begeleiding lukt het de hulpverleners de minderjarigen weer wat perspectief te bieden.

Overlevingsgedrag

Voor de groep minderjarigen die hij nu in Brussel ziet opduiken, is er geen plek, vreest Vangenechten. “Dat zijn jongeren die soms al twee jaar op straat hebben gewoond en niet naar school zijn geweest. Om te overleven hebben ze zich ondertussen foute dingen aangeleerd. Werken met straatkinderen, die overlevingsgedrag vertonen, is een hele uitdaging.”

Overleven doen ze ondertussen in Europese steden, in parken, onder bruggen en op stations.

Zo zitten in de hal van station Brussel-Noord groepjes jongeren, de meisjes en jongens apart. Ze zitten op stukken karton op de marmeren vloer. Een rol koekjes gaat rond. Hun naam willen ze niet zeggen. Wel willen ze kwijt waar ze vandaan komen: uit Eritrea, Ethiopië en Soedan, dat ze vaak al maanden onderweg zijn en wat hun eindbestemming is: Londen.

De echte naam van Cynthia is bekend bij de redactie.

Lees hier meer artikelen over vluchtelingen.

Lees ook:

Waarom jonge Eritreeërs hier ondanks intensieve begeleiding moeilijk aarden

In 2015 gingen honderd jonge Eritrese mannen samen wonen in een oud studentencomplex bij Nijmegen. Ondanks intensieve begeleiding vinden ze het moeilijk hun draai te vinden in Nederland

Het lot van Mohammad (17) ligt in de handen van de Zweedse kiezer

Een aantal Zweedse partijen, zoals de Centrumpartij en het Feministisch Initiatief, vraagt om amnestie voor de alleenstaande asielzoekers die als minderjarige Zweden bereikten. Andere partijen pleiten voor onmiddellijke deportatie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden