Ze pakte altijd elke zonnestraal

Jaantje van Beekhuizen-Lucasse 1918-2013

De liefde bracht haar op een gevaarlijk pad in de oorlog. Later wilde ze veel vergeten. 'Bewust vergeten' noemde ze dat, want haar brein bleef tot het eind toe vitaal.

Met vakantie ging ze het liefst naar Zeeland. Als ze op de veerboot naar Zeeuws-Vlaanderen stapte, dan klonk ze ineens heel anders. Ze sprak niet langer algemeen Nederlands, maar het dialect van de streek waar de boot op afstevende. Dan was ze weer de dochter van de vuurtorenwachter van Walsoorden, een piepklein dorp waar de schepen die op de Westerschelde naar zee voeren, gewaarschuwd werden voor de scherpe bocht in de rivier.

Jaantje Lucasse zag haar vader elke dag over de dijk naar de toren lopen, met een grote lamp van glas en koper. Ze was zijn oudste dochter. Toen ze geboren werd, was de Eerste Wereldoorlog op een paar weken na gestreden. Nederland was buiten schot gebleven, maar de Spaanse griep die tijdens de oorlog was uitgebroken, kwam wel de grens over en zou er tienduizenden levens eisen. Ook Jaantjes moeder raakte besmet in het kraambed. Ze overleefde, maar melk geven kon ze niet. Het verhaal gaat dat de baby met geprakte kool en aardappels in leven werd gehouden.

Al jong kreeg Jaantje het toezicht op haar jongere zusje en drie broers. Later, toen ze zelf kinderen had, zou ze hen nooit met zo'n taak opzadelen. "Dat is mijn taak, voor kinderen is dat een te grote verantwoordelijkheid", zei ze.

Als kind zat ze liever te lezen. Ze was zo leergierig dat haar onderwijzer adviseerde haar door te laten leren. Maar daar kwam niets van in. Na de lagere school liet die onderwijzer haar op zijn kinderen passen. De onderwijzer had veel boeken in huis, dus daar kwam ze graag. Met haar voet schommelde ze de wieg, terwijl ze rustig doorlas.

Toen de Tweede Wereldoorlog op uitbreken stond, solliciteerde Jaantje op een betrekking in het oosten van het land, bij twee freules in Arnhem, die een meisje voor 'de fijne keuken' zochten. Toen de oorlog echt uitbrak verhuisden de freules naar het uitgestrekte landgoed van hun familie in Beesd, in het westelijke puntje van de Betuwe. Jaantje ging mee naar de Heerlijkheid Mariënwaerdt van de familie Van Verschuer. Ze woonde weer in de buurt van het water, al was het nu maar het kleine stroompje van de Linge. 's Ochtends in alle vroegte ging ze op de fiets naar het riviertje met een wekker. Dan had ze precies een kwartier om te zwemmen voordat ze aan het werk moest.

Op een van haar fietstochtjes passeerde ze een groepje jongens, van wie er een achter haar aan fietste: Gerrit van Beekhuizen, de zoon van de molenaar in Beesd. Ze kregen verkering.

Hun liefde had grote gevolgen voor haar. Gerrit zat in het ondergrondse verzet tegen de Duitsers. Hij deed gevaarlijk werk, zoals het opblazen van een spoorlijn. Met de molenwieken gaf hij signalen aan Engelse vliegtuigen, die munitie voor het verzet uitwierpen boven het landgoed. Als herinnering daaraan werd, na restauratie in de jaren zestig, die molen op de dijk van Beesd gedoopt tot 'De Vrijheid'. Jaantje raakte door Gerrit betrokken bij het verzet. Ze was koerierster van de illegale Trouw. Ook haalde ze met een van de freules Joodse kinderen op uit Amsterdam om ze onder te brengen op het landgoed. Andere onderduikers en neergestorte Britse vliegers vonden daar ook onderdak, in een van de vele boerderijen en huizen.

Op het graf van een omgekomen Britse piloot zou ze elk jaar op 4 mei seringen leggen, de laatste jaren in aanwezigheid van diens familie uit Engeland. Ook met overlevenden van de onderduik op Mariënwaerdt hield ze contact. Na zo'n ontmoeting zei ze onlangs: "Ze hebben er geen idee van hoeveel gevaar we hebben gelopen." Zelf leek Jaantje daar ook niet zo lang bij stil te staan. Ze kon 'bewust vergeten', zoals ze het noemde. Na de bevrijding bleven Jaantje en Gerrit bijeenkomsten van het voormalig verzet in de Betuwe bezoeken. Maar ze weigerden het Verzetsherdenkingskruis, omdat dat op de revers belandde van te veel mensen die in werkelijkheid verraders waren geweest.

Vooral Gerrit was heel uitgesproken over mensen die het de Duitsers al te makkelijk hadden gemaakt, maar dat werd hem niet in dank afgenomen. Toen hij met Jaantje ging trouwen, kregen ze maar geen woning, en mensen met een dubieus verleden wel. Het jonge paar werd aanvankelijk ondergebracht in een kale beschuitfabriek. Pas vijf jaar na hun huwelijk vonden ze in 1953 een woningwetwoning in de Hondelinkstaat in Beesd.

Ze kregen vijf dochters die de ruimte kregen toen ze in 1961 het achterhuis van Gerrits vader bij de molen konden betrekken. Ook al draaide de molen goed, het was een karig bestaan. Ze hielp mee waar ze kon. Zo verkocht ze kippen- en vogelvoer, een bijverdienste die later zou uitgroeien tot een aparte onderneming. Soberheid is altijd kenmerkend voor haar gebleven. Geen opsmuk in huis, laat staan voor lijf en leden. De kinderen gingen altijd voor. Ze vond het belangrijk dat ze een goede opleiding kregen, en daarvoor werd altijd geld opzij gelegd. Vóór schooltijd overhoorde ze de kinderen die een proefwerk moesten maken. Dat de meisjes verder gingen studeren, was in een plaatsje als Beesd nog ongewoon.

Jaantje was ook actief in het dorp. Voor kinderen die nooit met vakantie konden, zette ze een Speelweek op. Kinderen die thuis in de problemen zaten, konden bij Jaantje terecht; ze bleven soms maanden logeren. Ze was voorzitter van de hervormde vrouwenclub en van de bejaardensoos. Als Gerrits vader, die voorzitter was van het schoolbestuur, een toespraak moest houden, dan liet hij die altijd eerst door Jaantje corrigeren, want zij was met haar leeshobby een kei in taal.

Toen de kinderen de deur uit waren, verdiepte Jaantje haar kennis door op de moedermavo cursussen Nederlands, Engels en geschiedenis te volgen. Rond haar zeventigste nam haar gezichtsvermogen snel af. Ze moest Trouw lezen met een vergrootglas, maar ook dat bleek na verloop van tijd onvoldoende. Ze zocht haar kennis en ontspanning vervolgens in radioprogramma's en vooral in luisterboeken. Haar gehoor bleef tot het einde toe uitstekend. Haar reukvermogen verdween wel en daarmee haar smaak. Toch kon ze nog genieten van een bord Zeeuwse mosselen. "Die smaak zit in m'n hoofd", zei ze.

In 2006 overleed Gerrit. Hij was geopereerd aan darmkanker, maar dat liep verkeerd af. Voor het eerst kwam Jaantje alleen te staan. Ze bleef in haar woning bij de molen. Aanloop had ze genoeg, van haar kinderen, kleinkinderen, verdere familie en vrienden. Ze hield verjaardagen en andere belangrijke feiten goed bij; anderen vertrouwden op haar geheugen.

Ze had twee jaar geleden een euthanasieverklaring ondertekend en ze had iedereen op het hart gedrukt dat ze niet in een ziekenhuis wilde sterven. De lijdensweg van Gerrit wilde ze zichzelf besparen. "Ik wil in m'n eigen huis blijven en m'n eigen moment kiezen", zei ze.

Begin november was haar tijd gekomen, vond ze. "Ik pakte altijd elke zonnestraal. Toen ik niet meer kon zien, voelde ik die zonnestraal nog. Nu is mijn lijf uitgewoond. Het laatste wat werkt, is mijn hoofd en daarmee neem ik mijn beslissing."

Haar heldere wil duldde geen tegenspraak en ze stierf met een glimlach.

Jaantje van Beekhuizen-Lucasse werd geboren op 18 oktober 1918 in Walsoorden (Zeeuws-Vlaanderen). Ze stierf op 20 november 2013 in Beesd (Gelderland).

De dochter van de vuurtorenwachter van Walsoorden was in de Tweede Wereldoorlog koerierster van de illegale Trouw.

In Naschrift beschrijft Trouw het leven van onlangs overleden bekende of heel gewone mensen. Een tip voor Naschrift? Mail naar naschrift@trouw.nl Of per post naar Trouw/Naschrift, postbus 859, 1000 AW Amsterdam

Haar moeder had Spaanse griep in het kraambed. Pasgeboren Jaantje kreeg geprakte kool en aardappels.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden