Ze overdreef ook wel

Het intellectualistisch navelstaren van Etty Hillesum had wel wat minder gekund

JOS PALM

Eerst was er het dagboek van Anne Frank, en vervolgens - ruim dertig jaar later - waren er de dagboeken en brieven van Etty Hillesum. Anne krijgt dit voorjaar een eigen theaterstuk, opgevoerd in een eigen theater. Etty moet het in haar honderdste geboortejaar met minder aandacht doen. Er verscheen een inleiding op haar werk, er zijn wat locale initiatieven. Maar verder is het opvallend stil rond haar persoon.

Dat is wel eens anders geweest. Ooit werden de twee egodocumenten op een vergelijkbaar hoog schild geheven. Ze brachten beide een inslag teweeg en stonden centraal in het schuldgesprek over de oorlog dat ons land in zijn ban had. Dichter bij het intieme drama van de Jodenvervolging kon je niet komen, zo was de ervaring van talloze lezers.

Je moest Anne gelezen hebben, maar zeker toch ook 'Het verstoorde leven', Etty's dagboek over de jaren 1941-1943, en 'Het denkende hart van de barak', haar brieven uit Westerbork.

Die twee boeken openbaarden namelijk niet alleen de zwakke vaderlandse menselijke natuur tijdens de oorlog, maar ze leerden ook alles over het onberekenbare, niet altijd even christelijke menselijke hart als zodanig, dankzij Hillesums onophoudelijke graven in zichzelf en anderen. Had ze niet gewaarschuwd dat het nazibarbarisme in ons 'eenzelfde barbarisme' dreigde op te roepen, en dat de oorlog in ieder van ons schuilde?

De vanzelfsprekende status van het werk van Hillesum lijkt enigszins verdampt. Hoe dat komt? Misschien kan haar nog altijd verkrijgbare verzameld werk helpen die vraag te beantwoorden

Het boek 'Ik zou lang willen leven' is van Janny van der Molen en Klaas Smelik - zoon van de communistische verzetsman Klaas Smelik met wie Hillesum bevriend was en aan wie zij haar manuscripten naliet. De auteurs beschrijven haar moeizame verhouding met haar ouders, haar affaires met oudere mannen en 'geestelijke relatie' met haar therapeut Julius Spier (S in het dagboek).

Natuurlijk leren we haar ook kennen tijdens de oorlog, als studente, als medewerkster van de Joodse Raad en als functionaris Sociale Verzorging Doortrekkenden, zoals het begeleiden van op transport gestelden in het kamp Westerbork eufemistisch werd genoemd. Centraal staan haar bespiegelingen op de werkelijkheid, om haar heen en in haar hoofd en hart.

Het boek is even bewonderend als plechtig over Hillesum en haar werk. En het moet maar meteen gezegd, bij herlezing van de citaten bij de inleiding en het verzameld werk denk je steeds vaker: iets minder schouwen van het zelf had ook wel gemogen. Want we lezen nogal wat over haar 'verstopte ziel', haar geestelijke en de algemeen menselijke beproevingen, en haar goeroe S, met wie ze bijna wekelijks op zijn verzoek in turnpakje worstelt als onderdeel van het door hem opgestelde therapeutische programma.

Er is veel intellectualistisch narcisme bij Hillesum. Dat beseft ze zelf ook. Diverse malen concludeert ze dat het daarmee afgelopen moet zijn. "Nu is het uit met je gedonder snertprul", schrijft ze in tijdeigen Joop ter Heul-taal. Ze moet, vreest ze, 'gedisciplineerd' worden.

En gedisciplineerd zou ze dus worden, niet als zweverig meisje, maar als ongewenst mens. Vanaf de 'kleine' anti-Joodse pesterijen tot aan Westerbork en tot aan het einde in Auschwitz toe. De schrijfster Hillesum staat op als ze met ongekend emotioneel scherpe blik die werkelijkheid verslaat. Als ze schrijft dat ze "zojuist aangifte heeft gedaan van haar uitverkoren bloedsomloop", als ze 'de ontevreden opgejaagde Gestapojongen' in het hoofdstedelijke hoofdkwartier beschrijft, of de laatste nacht voor het transport in Westerbork, met passages over een jong meisje dat bekent dat ze het moeilijk vindt om dood te gaan, en met rake typeringen van de gentleman-kampcommandant Gemmeker, die 's ochtends nog even de trein een stukje na fietst.

Er is zogezegd een tweedeling in het werk van Etty Hillesum. Toch ligt niet in haar superieure verslaggeving, maar in haar hogere navelstaren de mogelijke verklaring voor haar ooit ongekende populariteit. Bij de eerste publicatie van haar ontboezemingen raasde de spreekwoordelijke schok der herkenning door Nederland. Ze staarde, dachten wij, ook naar onze, niet zo brandschone navel en hielp aldus het groot en klein oorlogsvuil te verwerken.

Was christelijke theologie na Auschwitz nog mogelijk, had een gezaghebbende theoloog zich afgevraagd. Hillesum had daar vooraf, zonder het te weten, een antwoord op. Het ligt niet aan God, maar aan ons mensen, schreef ze. "Laten we ervan doordrongen zijn, dat ieder atoompje haat, dat wij aan deze wereld toevoegen, haar onherbergzamer maakt dan ze al is", legde ze uit aan de klassenstrijder Klaas Smelik, die ontsteld uitriep dat zo het christendom weer terug was. "Waarom eigenlijk ook niet, christendom", had ze gezegd. Steun, kortom, uit onverdachte - Joodse - hoek, het was veertig jaar later zeer welkom voor de veelgeplaagde en aan zichzelf twijfelende christenheid.

Er was meer dat Hillesum schonk aan ontredderd Nederland. Behept met een overontwikkeld empathisch vermogen neutraliseerde ze onbedoeld de oorlogswerkelijkheid tot een zoveelste treurige uiting van de algemeen menselijke conditie. In de jaren tachtig, toen het besef van collectief falen tijdens de bezetting begon in opkomst was, bracht zij de oorlog terug tot de kleinste eenheid: het individu. "En dat lijkt me de enige les van deze oorlog, dat we geleerd hebben dat we het alleen in ons zelf moeten zoeken", schrijft ze.

Ook dit was een welkome boodschap, want echt 'slecht' vond geen lezer zichzelf. Dat waren anderen, veelal van vorige generaties. En dan was er nog haar werken aan zichzelf, met behulp van het 'Hineinhorchen' oftewel: meditatie. Dat had niets met de oorlog te maken, maar vond een warm onthaal in de jaren tachtig. Hillesum deed al aan persoonlijke groei toen heel Nederland dat nog moest ontdekken.

De fundamentele kwesties waarmee naoorlogs Nederland worstelde, schenen bij de jonge Joodse vrouw in goede handen. Dat andere, puberende dagboek leek te verbleken bij het hare, vol imposante overdonderende antwoorden. Leek, beseffen we dertig jaar later, nu de eerste verpletterende indruk voorbij is.

Janny van der Molen en Klaas Smelik: Ik zou lang willen leven. Over de dagboeken en brieven van Etty Hillesum, 1941-1943. Balans, Amsterdam; 156 blz. euro 17,50

Etty Hillesum: Het werk, 1941-1943. Red. Klaas A.D. Smelik, tekstverzorging Gideon Lodders en Rob Tempelaars. Balans, Amsterdam; 891 blz. euro 29,50

'Ieder atoompje haat, dat wij aan deze wereld toevoegen, maakt haar onherbergzamer'

Het dagboek van Etty Hillesum stond met dat van Anne Frank centraal in het schuldgesprek over de oorlog dat ons land in zijn ban had.

undefined

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden