’Ze kunnen lang dooremmeren over een vlekje’

De opvattingen van Nederlanders over Duitsers blijken in de loop der tijd maar heel weinig te veranderen. Punctueel, niet zo verknocht aan humor, uiterst beleefd – maar in vergaderingen juist weer een tikje botter.

Toen neerlandicus Hans Beelen (45) een kleine twintig jaar geleden in Duitsland kwam wonen, had hij allerlei vaste ideeën over Duitsers.

Hij woont er sinds 1987 en doceert er Nederlands aan de universiteit van Oldenburg. Daar zijn zo’n 120 studenten Nederlands. Beelen dacht bijvoorbeeld dat Duitsers geen gevoel voor humor hadden. „Je denkt: Duitsers zijn serieuzer. En dat is ook wel een béétje zo; het is in Nederland bijvoorbeeld in zakelijke gesprekken vrij gewoon om af en toe een geintje te maken, om de spanning even te breken. Maar het is niet waar dat dat in Duitsland totaal niet gebeurt. Het gebeurt alleen wat minder.”

„Een afspraak met een Duitser is ook echt een afspraak. Als ze zeggen ’ik bel je terug’, dan kun je ervan op aan dat ze dat werkelijk doen. Als ze afspreken iets van je te kopen, dan zullen ze dat altijd doen. En daarin onderscheiden Duitsers zich van de rest van Europa. Of je nou naar Frankrijk of Engeland gaat, daar is dat heel anders. En ook in Nederland word daar vaak anders over gedacht”, zegt Arjan Langedijk (37). Voor het gelijknamige familiebedrijf in Noord-Holland rijdt hij wekelijks met bloembollen naar Duitsland, maar ook naar andere landen.

Soms zit op een paar van die bloembollen een vlekje van een iets andere kleur dan de Duitsers hebben besteld. Dan merkt Arjan Langedijk dat het cliché van de Pünktlichkeit klopt. „Ze kunnen daarover lang blijven dooremmeren, terwijl ik denk: je verkoopt er heus niet minder van. Maar als ze iets vinden wat niet helemaal klopt, dan krijg je dat te horen ook.”

Langs de grens met Nederland volgen heel wat Duitse jongeren op hun middelbare school lessen Nederlands. Omgekeerd niet, want overal in Nederland is Duits op scholen een kwijnend vak. „En de weinige Nederlandse jongeren die nog Duits gaan studeren, krijgen altijd opnieuw de vraag waarom. Ze moeten zich rechtvaardigen. Ga je daarentegen Engels studeren, dan is de reactie: ’leuk, Engels’.”

Dat zegt de Groningse socioloog Jan Vis. „De jongerencultuur, de cultuur van popmuziek en film, is Angelsaksisch. Wel willen Nederlandse jongeren graag naar Berlijn. Alleen is Berlijn niet ’Duitsland’, Berlijn is meer zoiets als ’Amsterdam’: de plek waar ’het’ gebeurt.”

Vis redigeerde in 2000 een dik boek dat de betrekkingen tussen Duitsland en Nederland moest verbeteren: „Nederland en Duitsland, elkaar kennen en begrijpen”, 459 pagina’s dik, geschreven door 25 auteurs, uit beide landen.

Zo’n boek vond Vis c.s. nodig, want in de jaren negentig had Instituut Clingendael een paar maal Nederlandse scholieren geënquêteerd over hun kijk op andere Europese landen. De Nederlandse kijk op Duitsers bleek telkens opnieuw niet mals: ze drinken veel bier en zijn arrogant, intolerant, ongezellig, oorlogszuchtig en overheersend. Vice versa stond Nederland in de ogen van Duitse jongeren voor kaas, wiet en molens. Vis: „Voor Duitsers staat Nederland voor los, informeel, niet zo hiërarchisch, libertijns. Van de negen buurlanden is Nederland het meest locker. Daarom snappen Duitsers ook zo slecht wat er met Nederland aan de hand is sinds Fortuyn, sinds Van Gogh.”

En, heeft het boek iets veranderd?

„Uit het recente racisme-onderzoek kwam dat Nederlanders zich bij Duitsers in elk geval redelijk thuisvoelen. Dan is er toch iets verbeterd, zou ik zeggen. Maar of dat nu komt door ons boek? Dat is wat moeilijk vast te stellen.”

Sommige verschillen zullen nooit veranderen. De omgangsvormen zijn in Duitsland een tikje anders dan in Nederland, zegt de in Duitsland wonende wetenschapper Beelen. Du en Sie kun je niet precies zo gebruiken als in het Nederlands jij en u: Sie schept minder afstand dan u, du is al snel te intiem. Ook geef je vaker een hand. „Als je op je werk een collega op de gang tegenkomt die je een paar dagen niet hebt gezien, dan geef je opnieuw een hand. Dat zou je in Nederland niet doen. Tweemaal per jaar komt een groep Nederlandse studenten een paar dagen naar Oldenburg. Bij het afscheid steken de Duitse studenten dan hun hand uit. De Nederlandse studenten zien dat soms niet eens; die verwachten helemaal geen hand. Dat zorgt bij de Duitsers voor verwarring: ’zijn die Nederlanders boos?’

Een ander verschil zie je na afloop van lezingen. In Duitsland zal een vragensteller de spreker eerst heel uitvoerig danken voor zijn interessante lezing, die nieuwe gezichtspunten opleverde, reuze inspirerend was, enzovoort. Veel strijkages, kortom. En dan pas volgt een vraag. In Nederland stelt een vragensteller pats, boem z’n vraag. Maar in vergaderingen gaat het in Duitsland voor Nederlandse maatstaven juist weer vrij hard en bot toe: elkaar in de rede vallen mag, bijvoorbeeld.”

Bollenhandelaar Langedijk vindt juist dat Duitsers minder direct zijn. „Met hen is de omgang altijd stukken beleefder. Maar ja, dat geldt voor bijna de hele wereld, het zegt vooral iets over Nederlanders en hun botheid.”

Sommige vooroordelen mogen aardig kloppen, doorgaans is het Duitserbeeld in Nederland niet waarheidsgetrouw, zegt Langedijk. „Dat cliché van de Duitser die op het strand een kuil voor zichzelf reserveert, nou daar zijn de Nederlanders minstens zo erg in. En ook met alcohol is de gemiddelde Duitser echt niet zo erg als het standaardbeeld suggereert. Een Duitser met een bierpul en een worst voor de neus, ik zie het maar weinig als ik er op bezoek ga. Ik denk dat de Duitsers wat dat betreft niet afwijken van andere landen.”

Neerlandicus Beelen denkt wel dat hij voor altijd in Duitsland blijft. Niet dat hij van Nederland vervreemd is, want hij komt er nog vaak en heeft dan het gevoel dat hij thuis komt. „Maar het vreemde is: als ik dan weer terug ben in Oldenburg, dan heb ik dat gevoel óók.”

Ondernemer Langedijk: „Kijk, om zaken te doen zijn Duitsers ideaal: je weet waar je aan toe bent. Ik merk het altijd zodra ik het land inrijd. Ze rijden keihard over de snelweg, maar zodra het bord ’maximaal honderd’ komt, staan ze direct op de rem. En wee je gebeente als je ze dan wilt passeren: ze blijven onverstoorbaar op de linker rijstrook plakken. Nederlanders proberen toch nog altijd ergens onderuit te komen. Maar omdat ik zelf toevallig ook zo ben ingesteld – als het kan een beetje, of zelfs flink harder rijden dan mag – kies ik voor Nederland. Of Duitsers aardiger zijn, dat zou ik ook niet durven zeggen. Het is maar wat je bent gewend als Nederlander.”

Langedijk merkt dat veel Duitsers het onderwerp ’oorlog’ vermijden. „Hoewel je zeker in Zuid-Duitsland nog wel eens kunt merken dat sommige mensen zich kunnen voorstellen dat Duitsland destijds niet helemaal fout was. Hoewel ze zich daar wel voor schamen, zeker tegenover Nederlanders. Maar de jonge generatie – inmiddels zijn dat de kinderen van de kinderen van de mensen die de oorlog nog hebben meegemaakt – is heel duidelijk: herdenken is prima, maar met dat eeuwige schuldgevoel moet het maar eens afgelopen zijn. En daarin geef ik ze groot gelijk.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden