Interview

Ze is weduwe en woedend: Lisa Appignanesi schrijft over de rauwste rouw

Lisa Appignanesi (1946) werd geboren in het Poolse Lodz, bracht haar jeugd door in Canada en werkt nu al decennia in Londen. Beeld Bart Mühl

De Britse auteur Lisa Appignanesi verloor haar man, en schreef een boek over rouw, vooral over een onderbelicht aspect daarvan: woede. Die emotie ziet zij ook terug in de brexit.

Na een ingrijpende kankerbehandeling leek het historicus John Forrester goed te gaan. Uitgeput was hij wel, net als zijn vrouw, Lisa Appignanesi. Op een dag ging zij even op bed liggen en kreeg een hartstilstand. Ze was heel even dood. Als haar man niet thuis was geweest, ‘was ik eerst gegaan’, aldus Appignanesi. “Blijkbaar zag iets in mij dat wel zitten.” Maar haar man was thuis en belde hulpdiensten. Zijn vrouw redde het.

Forrester zelf niet. Weduwe Appignanesi schreef over de eerste achttien maanden na diens dood ‘Alledaagse waanzin’, over rouw, en vooral ook over woede. En over doorleven in een wereld waar iedereen zich net zo ontworteld lijkt te voelen als zij zelf.

Wanneer merkte u dat u wilde schrijven over uw rouw?

“Ongeveer een jaar na Johns dood. Ideeën keerden steeds terug in mijn hoofd. Dat herkende ik van eerdere werkprocessen, of het nu een historisch boek is of een thriller: als zinnen zichzelf in je hoofd voortdurend herhalen, dan moet je gaan schrijven. Ik heb veel over rouw gelezen. De meeste van die boeken kwamen niet in de buurt van hoe ik deze fase zelf beleefde. Door de jaren heen heb ik veel geschreven over waanzin. Ik heb de taal ervoor voor handen. Om te kunnen duiden wat er in mij gaande was, moest ik erover schrijven.”

Waarom besloot u zichzelf als ‘casus’ te benoemen?

“Veel processen op het terrein van rouw zijn onduidelijk, en nauwelijks onderzocht. Dat is ook logisch: rouw is geen ziekte. Het is iets ‘normaals’, wat bijna iedereen op zeker moment overkomt. Ik had er zelf ook al eens over geschreven. Het overlijden van John maakte me duidelijk dat er niet één vorm van rouw bestaat. Het verlies van een partner is anders dan dat van een ouder. Om bij mezelf te blijven: ik was lange tijd totaal afwezig. Mijn kortetermijngeheugen werkte niet meer. Ik was zowel mentaal als fysiek totaal afgepeigerd. Mijn hart ging tekeer. Is dat hysterie? Dat kan. Mensen somatiseren hun gevoelens. Maar het is in alle gevallen écht. Het feit dat ik functioneerde, maar van binnen eigenlijk niet meer bestond, was echt. Een casus. Aangezien rouw zoveel mensen treft, kun je er maar beter over praten.”

Psychiater Elisabeth Kübler-Ross onderscheidde vijf fasen van verlies: ontkenning, woede, marchanderen, verdriet en aanvaarding. U richt zich in ‘Alledaagse waanzin’ op woede. Waarom?

“Omdat daarover het minst gesproken wordt. Ik ben zelf een kalm persoon. Maar nu ik me uiteengescheurd voelde, was ik woedend. Dat begon al heel kort na Johns dood. Ik weet niet hoe het in Nederland is, maar in Engeland bestaat de gewoonte om prachtige verhalen te vertellen over degene die net gestorven is, aan de achterblijvers. Het is heel fijn, dat ze zulke mooie dingen zeggen, maar ik herkende er niets van. Zelfs als er herinneringen werden opgehaald aan momenten waar ik bij was geweest. Omdat ik net met John door dat proces van ziekte was gegaan, zat ik op een heel ander kanaal.”

U werd op het verkeerde kanaal gezet, krijg ik de indruk.

“We hebben - ikzelf had dat ook - de neiging om ouderdom te verbinden met mooie zaken: wijsheid, sereniteit, misschien minder energie hebben maar die gebruiken voor de kernzaken van het bestaan. In het echt gaat ouder worden over controleverlies. En de dood, die is puur fysiek. Er is niks etherisch aan. In mijn boek beschrijf ik de laatste woorden die John tegen mij sprak. Hij was geestelijk al ver heen, en brulde me toe dat ik maar voor één ding goed was: stront opruimen. In die scène, waarin niet alleen hij maar ook ik totaal desintegreerde, zat ik nog volop, toen op de uitvaart iedereen hem idealiseerde. Dat is een spagaat: je wilt je man eren, je wilt hem boven alles terug, maar moet hem tegelijkertijd uit je lichaam trekken om te kunnen overleven.’

Net als in uw eerdere boek ‘Wie was mijn moeder?’ verbindt u persoonlijke emoties aan een breder maatschappelijk betoog. Waarom doet u dat?

“Ik ben ervan overtuigd dat niemand van ons alleen maar een individu is. In ‘Wie was mijn moeder?’ waren de dood van mijn vader en de verminderde gezondheid van mijn moeder een ingang om te schrijven over wat onze familie is overkomen in de Tweede Wereldoorlog. En daarmee een manier om te proberen te begrijpen hoe mensen die gedwongen moesten emigreren, die verschrikkelijk geweld zagen gebeuren, toen geleefd en dóórgeleefd hebben.

“Na Johns dood leek mijn bestaan op dat van mijn land: het idee dat de bodem onder je voeten vandaan is getrokken. Sinds de keus voor Brexit is de stabiliteit van Engeland weg. Daar worden mensen nerveus van. Begrijp me niet verkeerd: ik ben niet tegen verandering. Maar bij iedere revolutie hoort een fase van verschrikking. En daar zitten we nu middenin. We zijn niet bezig met het streven naar een betere wereld, maar met het opsteken van onze middelvinger naar de elite. Alle beschaafdheid is verdwenen. Dat is óók rouw, om het verlies van de wereld zoals hij was. Wij Britten hebben allemaal iets verloren, en verbloemen dat met nostalgie. Met het idealiseren van hoe het vroeger was.”

Waar merkt u dat aan?

“Vroeger stopte een auto als ik wilde oversteken. Nu rijden ze met alle plezier over me heen. Met mijn dochter erbij niet, trouwens. In winkels, op internet, en ook gewoon in mijn werk merk ik dat ik anders word benaderd. Omdat ik geen man ben. Omdat ik ouder begin te worden. En nu ook omdat ik een weduwe ben. In een steeds meer misogyne wereld gaat je imago er niet op vooruit als je boos en verdrietig bent. In het boek doe ik me wellicht iets steviger voor dan ik in werkelijkheid ben. Te vaak merk ik dat mensen me duidelijk maken: rot op, gekke oude vrouw. Op een manier die mij doet denken aan de nationale stemming: weg met immigranten, met andere culturen, met alles wat anders is dan ‘normaal’.”

Ondanks dat grotere gevoel van dreiging dacht u, toen er een poging tot inbraak in uw huis was: dat moet John zijn.

“Er was een raam opengebroken. Omdat een deel van de hendel het had gehouden, was de opening te klein voor een volwassen mens, dus kwam er niemand binnen. Ik geloof niet in geesten, hoor. Wel ben ik ervan overtuigd dat mensen, en zeker ik als schrijver, ‘poreus’ zijn. Invloeden van buiten dringen binnen, en krijgen daar hun eigen betekenis. Waarschijnlijk was deze inbraak toeval. Maar ik dacht direct: dit is John, hij probeerde terug te komen, dat is geen toeval. Het interessante aan mens-zijn is dat we twee dingen tegelijk kunnen voelen. Dat je iets helemaal kunt geloven, en het tegelijkertijd belachelijk vinden. In een extreme situatie sta je daar meer voor open, ook op alledaags vlak. Wie verliefd is, geeft alle details een betekenis die over de geliefde gaat. Moeders hebben het vaak met kinderen. En in rouw heb je het ook. Het is geen vaststaande logica, maar daarom nog geen gekte. Het is een realiteit in onszelf.’

Heeft u overwogen dit boek als een roman te schrijven?

“Ja. Maar dan moest ik dingen gaan bedenken. Ik wil nu juist vanuit mijn eigen omgeving beschrijven hoe je met de doden omgaat. Om me heen, in het alledaagse, was alles al. Er stond bijvoorbeeld een halfleeg shampooflesje van John in de badkamer, dat ik steeds maar niet kon verplaatsen. Toen ik het uiteindelijk oppakte, zag ik dat het Memory of senses heette. Ik heb het snel teruggezet.

“Ik ervaar de doden overal om me heen. Zeker nu ik ouder word, want het zijn er zoveel. Het valt me op dat het heel eenvoudig is om met overledenen om te gaan die je, hoeveel je ook van ze hield, niet zo vaak zag. Maar je partner, dat is anders. Daar identificeer je je mee. Als hij overlijdt, verdwijn je zelf ook deels. Dat levert een vreemde ontwrichting op. Door te rouwen, door boos te zijn, hield ik John dichterbij, wat langer in leven, en daarmee mezelf.’

Hoe was het om zijn laatste boek, ‘Freud in Cambridge’, voor hem af te ronden?

“Confronterend is hoezeer met hem een deel van mijn geheugen is verdwenen. Wij samen hadden een perfect werkend mentaal archief. Dingen die hij niet wist, wist ik, en andersom; zo vulden we elkaar aan. Ik heb nooit een dagboek bijgehouden, omdat dat tijd wegnam van mijn schrijfwerk, en ik het saai vind, maar ook omdat ik John had. Nu heb ik daar spijt van. Ik heb zoveel interessante mensen ontmoet en geweldige dingen gedaan, en deels zijn ze weg.”

In ‘Alledaagse waanzin’ beschrijft u ook de relatie met uw eerste kleinkind. Bood de komst van nieuw leven u troost?

“Ja. Als ik met hem op de vloer lag te spelen, kon ik alle verdriet en woede loslaten. Mensen onderschatten het spelen. Het doet iets met tijd. Mannen hebben het misschien met sport. Alleen het hier en nu is belangrijk. Je wordt niet ouder. Het is los van alles. Dat is leerzaam, en prettig: de aanwezigheid van mijn kleinzoon maakte me lichter.

“Tegelijkertijd raakte hij zelf in rouw. Er kwam een tweede kindje, en dus verloor hij zijn centrale plek. Het gevolg was een enorme woede, die eigenlijk ging over angst. Dat werkte als een spiegel. Net als ik, net als veel Britten, is hij bang voor verandering. Het verschil is dat hij de tijd heeft, omdat hij jong is. Hij gaat leren dat rouw en verdriet normaal zijn, dat je niet meteen onder een bus hoeft te lopen, of je land hoeft af te scheiden. Dat je dat wilt is normaal, maar wacht even voor je het doet. Het gevoel gaat veranderen.”

Hoe staat u er inmiddels voor als ‘casus’?

“Ik voel dingen nu anders dan toen ik het boek schreef. Als ik het teruglees, moet ik huilen. De tekst is zo rauw, zo onontkoombaar open. Een van de problemen met literatuur en zelfhulpboeken over verlies is dat ze ervan uitgaan dat het verdriet ooit ophoudt. Zoals je een gebroken been in gips zet, revalideert, en dan is het klaar. Maar dat is niet zo. De doden blijven weg. De rouw blijft. Soms voelt het best goed, soms niet. Ieder heeft het op zijn eigen manier, en iedere nieuwe dode zorgt ervoor dat vorige verliezen ook weer actueel zijn. Het leven is gevuld met dood, en dus kunnen we daar maar beter mee gaan leven.”

Lisa Appignanesi 
Alledaagse waanzin
Vert. Lette Vos De Bezige Bij;
304 blz. € 21,99

Lisa Appignanesi

Lisa Appignanesi (1946) werd geboren in het Poolse Lodz, groeide op in Canada en woont en werkt nu al decennia in Londen. Ze is auteur en historicus, met een speciale belangstelling voor mentale problematiek. In de bestseller ‘Gek, slecht en droevig’ (2009) beschrijft ze hoe vrouwen in de psychiatrie de afgelopen eeuwen zijn behandeld. In ‘Een zaak van liefde’ (2016) gaat het over liefde tot de dood erop volgt. Samen met haar man John Forrester schreef ze de klassieker ‘Freud’s Women’ (1992).

Appignanesi leidde een aantal jaren het Freud Museum. Ze zet zich al vele jaren in voor de vrijheid van meningsuiting en is sinds enige tijd voorzitter van de Royal Society of Literature Council. Deze maand verschijnt haar nieuwe boek ‘Alledaagse waanzin’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden