Ze is lelijk, heel erg lelijk

Hij inspireerde Sándor Márai, en doet zelf vaak denken aan Tsjechov. Van de grote Hongaar Kosztolányi verscheen opnieuw een meesterwerkje. Over keurige echtelieden met een erg lelijke dochter. Heimelijk haten ze haar.

Dezsö Kosztolányi: Leeuwerik. Uit het Hongaars vertaald door Henry Kammer. Van Gennep, Amsterdam. ISBN 9789055158706; 238 blz. euro 17,90

De sleutelscène staat in hoofdstuk tien. ükos Vajkay, een gepensioneerde archivaris in een Hongaars provinciestadje, komt in het holst van de nacht stomdronken thuis en krijgt met zijn vrouw ruzie over hun enige dochter ’Leeuwerik’. De Vajkays hebben tot dan een saai en teruggetrokken leven geleid, maar in de week waarin de handeling zich afspeelt is alles anders. Leeuwerik, de inwonende vijfendertigjarige ’oude vrijster’, is voor één week op vakantie bij familie – en dat heeft onmiskenbaar voor onrust en zelfs paniek gezorgd.

„We houden niet van haar(*), we verafschuwen haar”, zegt Vajkay, die net is teruggekeerd van een avondje brassen en slempen op de sociëteit. En hij voegt er nog aan toe: „Ze is lelijk, heel erg lelijk”. Misschien zou het wel beter zijn als Leeuwerik niet bestond, suggereert hij zelfs. Daarmee doorbreekt hij een taboe, geheel tegen de zin van zijn vrouw, die haar dochter op ontroerende wijze begint te verdedigen („Ze is mijn enige vriendin”).

De volgende morgen lijkt alles weer vergeten, of beter: verdrongen. Maar als beiden op het station urenlang moeten wachten op hun onaantrekkelijke dochter blijkt dat doodsverlangen en angst om het geliefde wezen niet ver uit elkaar liggen.

’Leeuwerik’ van de Hongaar Dezsö Kosztolányi (1885-1936) verscheen in 1924, twee jaar voor zijn beroemdste en eerder vertaalde roman ’Anna’, en in beide werken speelt de belangstelling voor het onbewuste en de psychoanalyse een opmerkelijke rol.

Maar een nog grotere overeenkomst vormt misschien wel de toon waarop Kosztolányi vertelt: zijn permanente balanceren tussen medelijden en satire. Zoals hij in ’Anna’ compassie opwekt voor een dienstbode die om onverklaarbare redenen een dubbele moord begaat, en lichtelijk de spot drijft (zonder hen te veroordelen) met haar superieuren, krijg je ook in ’Leeuwerik’ medelijden met de dikke, onaantrekkelijke titelfiguur en haar kleinburgerlijk-angstige ouders, die gelijktijdig met ironie en distantie worden beschreven.

Met ’Leeuwerik’ bewijst Kosztolányi opnieuw dat hij tot de belangrijkste (her-)ontdekkingen uit de Europese literatuur van de laatste jaren behoort. Hij is wat mij betreft interessanter en subtieler dan zijn landgenoot Sándor Márai, die hem overigens als zijn grote leermeester beschouwde. In Nederland zijn nu in korte tijd drie werken van de Hongaar vertaald (vorig jaar verscheen de kostelijke verhalencyclus ‘De bekentenissen van Kornél Esti’), maar ook in Duitsland en Frankrijk timmert Kosztolányi flink aan de weg. Bij de Duitse uitgevers Suhrkamp en Manesse zijn onlangs vrijwel gelijktijdig twee nieuwe vertalingen van ’Leeuwerik’ verschenen; in het nawoord bij de Manesse-editie vergelijkt Péter Esterházy zijn bewonderde landgenoot met Anton Tsjechov.

Dat is een interessante parallel (je zou ook nog aan de Oostenrijker Arthur Schnitzler kunnen denken, al is die meer door seksualiteit gepreoccupeerd) en vooral in stilistisch opzicht zijn er duidelijke overeenkomsten tussen Kosztolányi en Tsjechov. Beiden formuleren uiterst trefzeker. Ook in ’Leeuwerik’ staan schitterende staaltjes van Kosztolányi’s geserreerde taalgebruik. Een theatervoorstelling, die de Vajkays voor het eerst sinds jaren weer bijwonen, een restaurant-bezoek of een carnavaleske avond op de herensociëteit: Kosztolányi heeft slechts een paar pennestreken nodig om het bijzondere van een situatie te doorgronden. Dit is proza met een hoog soortelijk gewicht.

Ook een aantal bijfiguren weet Kosztolányi uiterst knap neer te zetten. Bijvoorbeeld de geremde spoorwegbeambte Geza Cifra, die mogelijk een oogje heeft op Leeuwerik. Of de idealistische journalist-literator Miklos Ijas, wellicht een alter-ego van de schrijver. In het slotgedeelte wordt beschreven hoe deze melancholieke Ijas ’s avonds laat vanachter een caféraam observeert hoe de familie Vajkay, met Leeuwerik in het midden, vanaf het station naar huis terugsjokt – een grootse, een weergaloze scène.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden