Ze bleef haar afkomst trouw

De Joodse Herta de Vries uit Duitsland trouwde met de gereformeerde man uit Scheveningen die voorkwam dat zij in handen van de nazi's viel.

In het Rotterdamse domineesgezin waren de maaltijden op vrijdag net iets lekkerder dan op zondag. Dat was de tastbare invloed van moeder Herta, geboren in het Duitse Leer en van Joodse afkomst. Ze had zich na de oorlog weliswaar laten dopen in de gereformeerde kerk, maar voor haar had de vooravond van sabbat haar hele leven lang meer betekenis dan de zondag en dat kwam ook op tafel tot uiting.

Herta de Vries vluchtte eind 1938 als zestienjarig meisje samen met haar vader voor de nazi's naar Nederland, vlak na de Rijkskristalnacht toen in Duitsland het geweld jegens de Joden tot een uitbarsting kwam. Haar moeder was kort daarvoor overleden aan een nieraandoening die te genezen was geweest als ze de juiste medicijnen had gekregen, maar die haar als Jodin werden ontzegd. Na omzwervingen kwamen Herta en haar vader aan het begin van de oorlog terecht in Musselkanaal waar al familieleden woonden die eerder naar Nederland waren uitgeweken. Daar bleek het ook onveilig voor Joden, vooral door het optreden van gezagsgetrouwe Nederlandse politieagenten die eerst Herta's oom en later haar vader arresteerden - beiden kwamen om in een concentratiekamp.

Inmiddels had een jongen uit een Schevenings zeemansgezin via via gehoord van het zware lot en de penibele situatie van de Duitse familie De Vries in het noorden van het land. In dat gereformeerde gezin Van der Zwan had de oorlog ook al flink huisgehouden: het koopvaardijschip waar vader op voer, was in 1941 geraakt door een Duitse torpedo en hij was daarbij om het leven gekomen.

Zoon Willem, een gymnasiast, kreeg van zijn moeder toestemming om de Joodse familie De Vries op te halen. Met de fiets bracht hij Herta en haar tante Mary en dochtertje Elsbeth van Musselkanaal naar het station van Winschoten, en vervolgens met de trein naar Den Haag. Herta (schuilnaam Annie Bakker) kwam als onderduikster in het huis van de familie Van der Zwan te wonen. Zij en Willem werden verliefd, kwamen ternauwernood heelhuids de oorlog door, en wilden zich na afloop daarvan verloven. Dat moest worden uitgesteld want op de voorgenomen dag kwam het bericht binnen dat nicht Elsbeth, die in 1943 was opgepakt door (alweer) Nederlandse agenten, de oorlog niet had overleefd. Ze was vergast in Birkenau.

Zes jaar lang waren Willem en Herta verloofd voor zij in 1952 in het huwelijk traden. In die zes jaar studeerde Willem theologie aan de Vrije Universiteit om predikant te worden. Herta liep zich dopen, maar verloochende geen seconde haar wortels: "Ik ben en blijf Joods." Als predikantsvrouw had ze het soms wel eens moeilijk, zeker in de eerste, orthodoxe gemeente in Overijssel waar van de dominee een rechtzinnige uitleg van de Bijbel werd verlangd. Leden van de kerkenraad spraken hem erop aan als hij zich daar niet strikt aan had gehouden. Herta kon horen hoe haar man in zijn studeerkamer zijn preek moest verdedigen en schopte eens uit woede de keurig gerangschikte petten van de kerkbestuurders door de gang: hoe durfden ze!

Later, in de gemeentes in en rond Rotterdam, was de sfeer lichter. Willem van der Zwan kreeg vanwege zijn progressieve opvattingen de bijnaam 'de rooie dominee', Herta was zijn steun en toeverlaat. In feite vervulden ze het predikantsambt met z'n tweeën, waarbij zij het kind van het Oude Testament was en bleef, en hij aanvankelijk meer op het Nieuwe Testament leunde, al viel het op dat Willem de bron van zijn preken naarmate zijn leven vorderde vaker in het eerste deel van de Bijbel vond.

De echtgenoten kropen op geloofsgebied steeds meer naar elkaar toe en leken met z'n tweetjes de kloof tussen het christendom en het Jodendom te willen dichten. Herta kreeg wel steeds meer moeite met het avondmaal; als vrouw van de dominee kon ze het natuurlijk niet maken om tijdens de dienst het brood en de wijn aan zich voorbij te laten gaan - de oplossing was dat ze op die zondagen hoofdpijn veinsde en niet naar de kerk ging.

Herta was dan weliswaar niet academisch gevormd, maar zeker zo intelligent als haar man. Ze mocht graag lezen, vooral literatuur en poëzie, in het Nederlands, een taal die ze zich als onderduikster al eigen had gemaakt door kinderboeken van W.G. van der Hulst en Anne de Vries te lezen. Ze sprak het vlekkeloos en accentloos. Duits las ze vrijwel nooit meer - ze mocht wel graag regelmatig een gezegde in die taal bezigen: 'So alt wie eine Kuh und lernt immer noch dazu.'

Ze was een levenslustige vrouw die van elke dag genoot en die gek was op haar man en vier kinderen en die bovendien buitengewoon humoristisch was: regelmatig schalde een gulle lach door de pastorie. Toen een van haar zoons weer eens kattenkwaad had uitgehaald, kwam een buurman woedend verhaal halen: "Waar is die rooie?" Waarop Herta gevat antwoordde: "Welke? Ik heb er drie."

In 2000 overleed Willem. Voor zijn weduwe brak toen een moeilijke tijd aan. Het leven dreigde zijn glans te verliezen. Maar ze klom uit het dal, was de spil in de familie. Voor haar kinderen en kleinkinderen was ze 'Hoofdkantoor Rotterdam', dat altijd te raadplegen was, 24 uur per dag, zeven dagen per week. Het deed haar deugd dat al haar zeven kleinkinderen Joodse namen kregen, ze zag dat als een eerbetoon.

Ze vroeg voor haar man postuum de Yad Vashem-onderscheiding aan, wat Willem zelf altijd had geweigerd, want hij voelde zich geen held. Maar Herta vond dat de man die, samen met zijn broers en zussen, haar leven en dat van anderen had gered het meer dan verdiende. Het werd een missie voor haar, het gaf haar enorm veel energie. Toen de brief uit Jeruzalem met het goede nieuws binnenkwam, moest ze langdurig huilen - van opluchting (want het duurde zó lang dat ze bang was dat de beslissing negatief zou uitvallen), maar ook uit pure emotie.

Van haar kinderen kreeg ze vorig jaar, toen ze 89 werd, een iPad. Dat bleek een schot in de roos, binnen de kortste keren had ze het apparaat onder de knie. Ze mailde, skypete, wisselde foto's uit en surfte op het internet. Ze vond het vreselijk als de verbinding uitviel. Bij het dagelijkse telefoontje van een van haar kinderen met het hoofdkantoor antwoordde ze op de vraag hoe het met haar ging: "Ik voel me niet zo goed en ik heb óók geen internet."

De iPad was onafscheidelijk, ook de laatste weken tijdens haar ziekte toen duidelijk was dat het einde naderde, of, in haar woorden, het boek vol was. Naast de tablet lag op haar ziekbed haar brillenkoker, het Nieuw Israëlitisch Weekblad, en dagblad Trouw. Ze belde deze krant wel eens als er in kolommen weer Jood met een kleine letter werd geschreven. Dat was fout, dat deed haar aan de taal van de nazi's denken. Ze las elk woord dat Wim Boevink over het proces-Demjanjuk schreef; regelmatig knipte ze het verslag uit en stuurde een kopie naar haar kinderen of bekenden.

Herta de Vries stierf op maandag 2 april en werd vier dagen later begraven, op Goede Vrijdag. Dat was toch wel heel bijzonder, want uitgerekend dit jaar begon die dag het Joodse Pesach. Dat is lang niet elk jaar het geval. Zo kwamen de twee geloven die haar leven hebben bepaald aan het einde daarvan weer samen.

Herta de Vries werd geboren op 24 september 1922 in Leer (Ost-Friesland) in Duitsland. Ze overleed op 2 april 2012 in Rotterdam.

Een tip voor Naschrift?
Mail het naar naschrift@trouw.nl

Of per post naar Trouw/Naschrift,

postbus 859, 1000 AW Amsterdam

Herta de Vries 1922 - 2012

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden