Zat die geheime dienst te slapen, of was het erger?

In München begint vandaag het proces tegen de rechts-extremistische terreurgroep NSU. Anderhalf jaar geleden schrok Duitsland wakker van het bericht dat neonazi's tien jaar lang ongehinderd dood en verderf konden zaaien.

BERLIJN - Beate Zschäpe heet de hoofdverdachte. Geen initialen, al zeventien maanden prijkt haar volledige naam in alle media. Evenals de namen van Uwe Mundlos en Uwe Böhnhardt, met wie ze een ondergrondse terroristische cel vormde. Gedrieën hebben ze tien moorden op hun geweten: acht op Turkse middenstanders, een op een Griekse restauranthouder en een op een politieagente. De beide Uwes pleegden vlak voor hun arrestatie in november 2011 zelfmoord.

Hoewel Mundlos en Böhnhardt de dodelijke schoten losten, is de 38-jarige Zschäpe volgens de officier van justitie volledig medeverantwoordelijk. De aanklacht luidt dan ook: tienvoudige moord. Anders ligt dat voor de vier handlangers die samen met Zschäpe in de beklaagdenbank zitten. Zij zijn aangeklaagd voor het ondersteunen van een terroristische organisatie en twee van hen ook voor medeplichtigheid aan moord.

Sinds november 2011 is Duitsland flink door elkaar geschud. De ontmaskering van de extreem-rechtse terroristische cel die zichzelf 'Nationalsozialistische Untergrund' (NSU) noemde, ging als een schok door het land. Hoe konden de activiteiten van een terroristisch netwerk met rechts-extreme achtergrond zo lang over het hoofd zijn gezien? Hebben de Duitse inlichtingen- en opsporingsdiensten zitten slapen?

De grootste schok was dat elf jaar lang de moorden op de allochtone middenstanders waren toegeschreven aan het eigen milieu van de slachtoffers. In de volksmond heetten ze de 'döner-moorden', omdat enkele slachtoffers döner-kebab verkochten. Politie en recherche hebben tien jaar lang het verhaal verbreid dat de achtergrond van de misdaden in drugshandel, afpersing of familievetes moest worden gezocht. En politiek en publiek geloofden dat.

Daarom was de eerste reactie van politiek en publiek er een van schrik en schaamte. Het land had collectief gefaald en ten onrechte de allochtone slachtoffers in de beklaagdenbank geplaatst. Het afgelopen jaar trok Duitsland massaal het boetekleed aan. De nabestaanden van de slachtoffers werden met verontschuldigingen overladen. Bondskanselier en bondspresident boden namens de natie persoonlijk hun excuses aan.

Jaren te laat werden alsnog herdenkingsdiensten gehouden, die rechtstreeks op televisie waren te zien. In Kassel is een plein naar een van de slachtoffers genoemd. In de Keulse Keupstrasse, een straat met veel Turkse winkels waar een spijkerbom van de NSU 22 gewonden maakte, liepen politici van alle partijen de deuren plat om hun spijt te betuigen, uiteraard telkens in gezelschap van een roedel journalisten en cameramensen.

De nabestaanden kregen volop de gelegenheid hun vaak schrijnende verhalen te vertellen. Semiya Simsek, dochter van het eerste slachtoffer, verscheurde de harten van de Duitsers door op de nationale herdenking in februari vorig jaar in luttele minuten het hele panorama aan verdriet, woede, vertwijfeling én hoop te schilderen. Duitsland betoonde zich een land dat tot rouwen in staat is, een les uit de veel te lange stilte na de Tweede Wereldoorlog.

Ook de politiek reageerde terstond. In een gezamenlijke verklaring van alle leden van de Bondsdag betuigde men schaamte en spijt tegenover de nabestaanden en beloofde men alles in het werk te stellen om het falen van de autoriteiten op te helderen. Dat gebeurt inmiddels intensief door een parlementaire onderzoekscommissie, waarin nu eens niet zoals gebruikelijk vertegenwoordigers van de verschillende partijen tégen elkaar maar mét elkaar werken.

Omdat naast de federale inlichtingen- en opsporingsdiensten elke Duitse deelstaat zijn eigen geheime diensten heeft, zijn ook in een aantal betrokken deelstaten parlementaire onderzoekscommissies aan de slag gegaan. Daarnaast hebben onmiddellijk alle grote media journalisten vrijgesteld om onderzoek te doen naar de achtergronden van de NSU en naar het falen van politie en geheime diensten.

Dankzij al dat werk is Duitsland sinds november 2011 overspoeld met een niet aflatende stroom van verbijsterende berichten. De verantwoordelijke diensten blijken op alle mogelijke manieren te hebben gefaald in het onderzoek naar de daders. Elke dienst bleek zijn eigen strategie te volgen, van coördinatie was geen sprake, erger nog, men schermde de eigen dienst krampachtig af voor pottenkijkende collega's uit andere diensten.

Slechts op één punt bestond een grote, stilzwijgende overeenkomst tussen de verschillende diensten. Hoewel men achteraf verzekert in alle mogelijke richtingen te hebben gezocht, blijken alle diensten al in een vroeg stadium één optie te hebben uitgesloten: dat achter de misdaden politieke motieven van een extreem-rechts karakter schuil kon gaan. De daders van de moorden werden steevast gezocht in het milieu van de slachtoffers.

Die strategie nam bij de verschillende diensten soms absurde vormen aan. Niet alleen werden nabestaanden van de slachtoffers aan intimiderende en vernederende verhoren onderworpen, ook hun hele omgeving, tot diep in Turkije, werd uitgekamd. Er werden zelfs helderzienden uit het Turkse milieu geraadpleegd. Rechercheurs openden döner-restaurants in de hoop langs die weg inzicht te krijgen in het criminele circuit rond de Turkse middenstand.

In de media heette het algauw na de onthullingen dat de Duitse inlichtingen- en opsporingsdiensten kennelijk "blind aan het rechteroog" waren. Feit is dat in de rapporten van de geheime diensten in al die jaren dat de NSU actief was, steevast de formule stond dat er weliswaar talrijke delicten waren met een rechts-extremistische achtergrond, maar dat er "geen aanwijzingen (waren) voor het bestaan van extreem-rechtse terroristische structuren".

In de verschillende parlementaire onderzoekscommissies verdedigen de chefs van de diensten zich nu door te verwijzen naar aanwijzingen van bovenaf. Na 11 september 2001 zou de opdracht hebben geluid om de aandacht te concentreren op terroristische structuren met een islamitisch karakter. Inderdaad hebben de geheime diensten het afgelopen decennium een aantal aanslagen van islamitische fundamentalisten weten te verijdelen.

Minister Hans-Peter Friedrich van binnenlandse zaken schrijft het succes van de strijd tegen het islamitische terrorisme toe aan de speciale centrale databank die destijds is ingericht. Hij kwam meteen met het voorstel om ook voor het rechts- extreme terrorisme zo'n centrale instantie op te richten. Sindsdien zitten de federale en regionale inlichtingendiensten drie keer per week met elkaar aan tafel om gegevens over rechts-extremistische organisaties uit te wisselen.

Toch klopt er iets niet aan het argument dat de aandacht voor het islamitisch terrorisme die voor het rechtse terrorisme heeft doen verslappen. Waarom hadden al die diensten dan zo veel informanten rondlopen in extreem-rechtse kringen? Wat er het afgelopen jaar bekend is geworden over rechts-extremisten die voor goed geld informatie doorspeelden naar de geheime diensten, grenst aan het absurde.

Journalisten beschikken op dit vlak over meer mogelijkheden dan onderzoekscommissies. Zij halen hun informatie direct uit het milieu. Hun onderzoekingen brachten aan het licht dat informanten van de geheime diensten in de leiding zaten van de neonazistische organisaties waarin de NSU-leden actief waren en dat de ondergedoken NSU door in totaal maar liefst 24 informanten werd omgeven, zonder dat dat tot hun ontmaskering leidde.

De chefs van de geheime diensten draaien zich voor hun parlementaire ondervragers in allerlei bochten. Het is vaak pijnlijk om te zien hoe selectief hun geheugens haperen, hoe vaak ze moeten bekennen dat relevante documenten zijn verdwenen of per ongeluk net zijn versnipperd. Er doen zich in de onderzoekscommissies scènes voor waarbij de toch bepaald pittige verhoren in de Nederlandse enquêtecommissies verbleken.

Duitsland heeft er een nieuwe politieke held bij. De voorzitter van de bondsdagcommissie, SPD'er Sebastian Edathy, ontpopt zich als een beheerste en onverbiddelijke inquisiteur. De commissie heeft al vier chefs tot aftreden gedwongen. Slechts één hoofdverantwoordelijke hield zijn rug recht. Dat was ex-RAF-advocaat, ex-Groenen-politicus en ex-SPD-minister van binnenlandse zaken Otto Schily. Hij gaf zijn fouten ruiterlijk toe en bood zijn excuses aan.

Het beeld dat Duitsland zeventien maanden na de ontmaskering van de NSU biedt, is gespleten. Aan de ene kant is er het publieke beeld. Politiek, media en civiele organisaties waren van meet af aan eensgezind in hun afschuw en schaamte over wat er is gebeurd. Er is schuldbesef, er is berouw en er is oprecht medeleven met de mensen die te lijden hebben gehad. Dat is het beeld van het grootmoedige en gelouterde Duitsland.

Aan de andere kant is er het beeld van de falende instituties. Politie, justitie en geheime diensten blijken vastgeroest te zitten in oude ondeugden en gewoonten. Hun hiërarchische structuren, hun regelverliefdheid, hun naar binnen gekeerde denkwijze hebben hen belet inventief en slagvaardig te opereren. Hun acties blijken van elke realiteitszin gespeend te zijn geweest. Dat is het beeld van het onverbeterlijk regelvaste en bureaucratische Duitsland.

Hoe onverbeterlijk, heeft justitie de afgelopen weken laten zien. Dan moet men niet alleen denken aan het onvoorstelbare geklungel van de rechtbank in München rond de verdeling van de persaccreditaties voor het proces tegen Zschäpe. Maar bijvoorbeeld ook aan de onnavolgbare koppigheid waarmee momenteel een rechtbank in Dresden een antifascistische dominee probeert te veroordelen omdat hij tot geweld tegen de politie zou hebben aangezet.

Het gaat om dominee Lothar König uit Jena. Al sinds de val van de Muur is hij actief onder jongeren in de voormalige DDR-stad. In Jena wisten neonazistische groepen destijds veel jongeren te mobiliseren. Onder hen ook Uwe Mundlos, Uwe Böhnhardt en Beate Zschäpe. König bood met zijn punkachtige jeugdhonk een alternatief voor de brutaal opererende neonazi's. Ook Zschäpe bezocht zijn club. Maar hij heeft tot zijn spijt niet kunnen verhinderen dat ze met haar beide Uwes naar rechts afsloeg.

Hoeveel slachtoffers van extreem-rechts in Duitsland?
De kloof tussen de Duitse openbaarheid en de Duitse instituties laat zich goed illustreren met het niet aflatende debat over het aantal dodelijke slachtoffers van extreem-rechts geweld. De instanties houden koppig vast aan hun conservatieve telling: sinds de val van de Muur zouden er 58 doden zijn gevallen door rechts-extremistischgeweld.

Niet-gouvernementele organisaties komen tot heel andere cijfers. Het documentatiecentrum voor rechts-extremisme, de Amadeu Antonio Stichting, telt 183 dodelijke slachtoffers. Een uitvoerig onderzoek van journalisten van Die Zeit en de Tagesspiegel houdt het op 152 doden door neonazistisch geweld.

Het verschil komt doordat de autoriteiten alleen gevallen tellen waarbij een duidelijk politiek motief te herkennen valt. De andere tellingen nemen elk geval op waarin de daders vanuit een duidelijke extreem-rechtse gezindheid handelden. Een openlijke neonazi die drie politieagenten neerschoot en daarna zichzelf, werd door de overheid bijvoorbeeld niet meegeteld.

Na de ontmaskering van de NSU beloofde de Federale Criminaliteitsdienst (BKA) 8000 twijfelgevallen nog eens na te gaan. In een vertrouwelijk gesprek met de pers verklaarde de chef van het Openbaar Ministerie, Harald Range, dat ze allemaal 'positief' waren bevonden, dat wil zeggen: in geen enkel geval was er een beoordelingsfout van de ambtenaren ontdekt. Zo vegen Duitse instituties hun eigen straatje schoon.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden