Zap – naar een ander leven

Lang werd uitgekeken naar de nieuwe roman van Niccolò Ammaniti. De auteur moest eerst afkicken van een computerverslaving. Zijn nieuwste draagt alle sporen van de zap- en pulpcultuur. Maar het verhaal is juist tragisch.

Niccolò Ammaniti: Zo God het wil. Uit het Italiaans vertaald door Etta Maris. Dutch Media, Amsterdam. ISBN 9048800452; 445 blz. euro 19,95

Na zijn internationale doorbraak met’ ’Ik ben niet bang’ is er eindelijk een nieuwe roman verschenen van Niccolò Ammaniti, een van de populairste Italiaanse auteurs van dit moment. Het duurde lang, Ammaniti was een tijd verslaafd aan computerspellen, hij ging trouwen, en het schrijven wilde maar niet vlotten. Als we hem mogen geloven, sliep zijn uitgever uiteindelijk zowat voor zijn huis en belaagde hem voortdurend.

Het weinige dat Ammaniti alvast kwijt wilde over zijn nieuwste, was dat het een ’écht gewelddadig’ boek zou worden. Die opmerking deed, enigszins huiverend, vermoeden dat Ammaniti stiekem werkte aan een terugkeer naar zijn eigen verleden als auteur van pulpachtige gruwelverhalen, uit de tijd dat hij nog deel uitmaakte van een groep schreeuwerige Italiaanse schrijvers, die zich de ’jonge kannibalen’ noemden.

Gelukkig blijkt die terugkeer slechts gedeeltelijk. ’Zo God het wil’ is absoluut een heftig boek, maar het heeft ook een andere dimensie. Het lijkt bij vlagen op Ammaniti’s snelle vertellingen over een vaak absurde, tekenfilm-, of stripachtige werkelijkheid, zoals je die bijvoorbeeld vindt in ’Het laatste oudjaar van de mensheid’, ’Ik haal je op, ik neem je mee’ en ’Jij bent mijn schat’. Aan de andere kant zijn er in ’Zo God het wil’ ook scènes die teruggrijpen op de droge, filmscriptachtige stijl en tragisch-existentiële toon van ’Ik ben niet bang’. Door deze vermenging van groteske pulp en tragiek begin je je al snel af te vragen hoe je als lezer moet reageren. Is het een tragische roman waarmee Ammaniti iets duidelijk wil maken? Of is het eerder een tragikomisch verhaal zonder al teveel pretenties?

Al op het niveau van de vertelde gebeurtenissen vinden we deze tegenstrijdige mengeling. Aan de ene kant is er het heftige, gewelddadige verhaal dat zich afspeelt aan de zelfkant van de samenleving. De puber Cristiano wordt vermorzeld door zijn agressieve, fascistische, xenofobe skinhead-vader. Door een mengeling van liefde en pedagogisch getint sadisme houdt Rino zijn zoon in een psychologische wurggreep.

Cristiano heeft zijn bestaan überhaupt aan hem te danken („Ik ben jouw God”) en is hem daarom volledige gehoorzaamheid verschuldigd: Cristiano’s moeder, inmiddels uit beeld, wilde abortus plegen, maar dat heeft Rino kunnen voorkomen.

Samen met twee vrienden, Danileo Aprea en Vier Kazen, beraamt Rino een overval op een pinautomaat. Met een zware terreinwagen willen ze eenvoudigweg de muur van de pinautomaat rammen. De gemeenschappelijke kraak gaat niet door, maar voor alle drie eindigt de nacht rampzalig. Tijdens een apocalyptisch noodweer dat de hele nacht over misschien wel het lelijkste stuk van Italië raast, rijdt Danilo zich ladderzat te pletter tegen de muur van de geldautomaat.

Vier Kazen gaat helemaal door het lint wanneer hij een klasgenote van Cristiano in het donker en de stromende regen aanziet voor ’zijn’ Ramona, een actrice uit een pornofilm. Nadat Rino gezien heeft wat Vier Kazen heeft aangericht, raakt ook hij buiten zinnen van woede en krijgt op de plaats van het misdrijf, midden in het bos, een beroerte waardoor hij in coma raakt.

Al dit geweld en deze rampspoed contrasteren met meer sentimentele tonen rond de puber Cristiano, een kansloze jongen die in vreselijke omstandigheden opgroeit.

Zijn thuis is een vies, kil, armoedig krot, en hoewel hij van zijn vader houdt en hem bewondert („Waarom ben ik niet net als hij?”), hunkert hij constant naar materieel welzijn, maar er is nooit geld. Als enige van zijn klas, misschien wel van de hele school, heeft hij geen mobieltje. Logisch dat hij op school ook nog eens flink wordt gepest.

In één helse, noodlottige nacht blijft deze eenzame jongen vrijwel alleen op de wereld achter. Bovendien moet hij in zijn eentje het akelige vermoeden verwerken dat zijn vader zijn mooie klasgenote bruut heeft verkracht en vermoord. Uit liefde en loyaliteit haalt hij halsbrekende toeren uit om alle sporen van zijn vaders vermeende wandaden uit te wissen.

Binnen dit sentimentele kader past ook dat het asociale, misdadige gedrag van het vriendentrio verklaarbaar lijkt door allerlei verzachtende omstandigheden. Danilo Aprea is blijven hangen in zijn gelukkige verleden en is nog steeds verliefd op zijn ex die hij continu stalkt. Zijn huwelijk en leven raakten ontspoord nadat hij zijn dochtertje op een zwarte dag voor zijn ogen zag stikken in een dopje van een shampooflacon en de gordel van haar autozitje muurvast bleef zitten, zodat hij haar niet kon redden. Vier Kazen is een eenzame, spastische loser – hij raakte ooit met zijn hengel een hoogspanningsdraad –, die in zijn smerige huis stiekem een levensgrote kerststal bouwt en keer op keer geobsedeerd naar dezelfde pornofilm kijkt. Cristiano’s vader Rino is asociaal, agressief en heeft vreselijk foute ideeën, maar tegelijkertijd heeft hij een hart van goud voor zijn enige zoon (’zonder Cristiano was hij niets meer’) en diens twee vrienden.

Ook structuur en verteltrant van deze roman zijn tergend heterogeen. Door middel van korte, genummerde fragmenten verspringt het perspectief telkens ’zappend’ naar een andere verhaallijn. En net als vóór ’Ik ben niet bang’ leunt Ammaniti’s verteltrant sterk op tekenfilms, computerspellen en stripverhalen. Terwijl het verhaal toch steeds meer een tragische wending neemt en de jonge hoofdpersoon volledig op zichzelf wordt teruggeworpen, blijft de luchtige verteltrant vaak intact.

Zo vindt Danilo Aprea de dood naast een bankbiljetten spugende pinautomaat: nadat hij door de voorruit is gevlogen, staat hij op en waggelt met een gezicht als ’een masker van lillend vlees en glas’ naar het groene geldschijnsel. „Hij knielde neer om de biljetten op te rapen en spuugde een klodder bloed, speeksel en tanden uit.”

Ook de zelfmoord van Vier Kazen, die zich ophangt boven zijn onwaarschijnlijke kerststal, werkt bijna grappig. „De draad van de oplader brak. Vier Kazen viel neer tussen de herdertjes, de lego-huisjes, de badeendjes en de Barbapapa’s.” Op hetzelfde moment – zap, een ander leven – is Cristiano bij de begrafenis van zijn klasgenote, maar in gedachten is hij al bij de begrafenis van zijn vader: „Mijn vader was een nazi maar hij was goed. Hij geloofde in God en hij vloekte niet. Hij hield van me en hij hield van Vier Kazen en Danilo. Mijn vader wist wat goed was en wat fout was. Mijn vader heeft Fabiana gedood. Dat weet ik.” Ook na lezing blijft een lichte vertwijfeling bestaan: is deze roman nu tragisch of niet, en heeft Ammaniti er eigenlijk wel een boodschap mee?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden