Zanussi

Dit is een hoopvol verhaal, het verhaal van Zanussi. De jongen vernoemd naar de mooiste van alle koelkasten. Zijn naam was een voorteken.

Schrijvers Gerwin van der Werf, Maartje Wortel, Ingmar Heytze, Elke Geurts, Ernest van der Kwast, Manon Uphoff en Thomas Heerma van Voss maakten voor Zomertijd een 'sterk verhaal'. Vandaag a¿evering 5.

Zijn naam was Zanussi. Hij was naar een koelkast vernoemd. De duurste van het dorp. De mooiste ook, hij glom als een auto, als een gloednieuwe Mercedes. 'Diamantzilveren lak.' Je kon jezelf in die koelkast bekijken, van top tot teen. Hij was groter dan de grootste man. Groter nog dan Mister Tree, die - zo werd verteld - was vast komen te zitten tijdens zijn geboorte. Ze hadden hem eruit moeten trekken, met vier man. Goed, sommige vrouwen klaagden dat ze zichzelf niet helemaal in het spiegelende oppervlak van de deur konden zien. Hij had breder moeten zijn, "net zo breed als een auto", zeiden ze. "Dan doe je toch tien stappen achteruit?", zeiden de mannen en hun gelach was door het hele dorp te horen. Een dorp van hutten en zand, van kinderen, van mannen die in de schaduw zaten. Een dorp van eindeloze dagen, van vliegen en honger. De koelkast was leeg. "Leger nog dan de uitgeputte mijnen in het oosten." Als je je kop in de koelkast stak en begon te roepen, kwam er een echo terug. Zo leeg. Er zat ook geen stroom op. Maar daar ging het niet om. Hij was duur en mooi en groot, en hij glom als een gloednieuwe Mercedes.

Zanussi. Een naam was een voorteken, een voorspelling. Hij zou rijk worden, hij zou voor zijn ouders zorgen, voor zijn hele familie. Zanussi had vier broers en drie zusjes, maar geen van hen had zo'n bijzondere naam als hij. Een naam van hoop. Iedereen benijdde hem. Wie wil er niet gezegend zijn met een voorspelling? Wie wil er niet een diamantzilveren toekomst?

Zijn hele jeugd kreeg Zanussi een voorkeursbehandeling. De beste slaapplek, het meeste eten. Op sommige dagen: het enige eten. Zijn broers en zusjes klaagden nooit. Zanussi moest de reis afleggen, de oversteek maken. Hij moest sterk zijn, groot als een koelkast. Later zouden ze alles terugkrijgen. Dan zouden ze naar de stad lopen, naar de winkels met het opgestuurde geld, bundels biljetten zo dik als bakstenen. Je kon er zo naar binnen lopen. Je hoefde alleen je naam te noemen en de naam van je broer, en dan kreeg je het geld mee.

Ze zouden het niet allemaal terugkrijgen. Zijn jongere zusje, Lemlem, was te zwak geweest. Ze had een infectie gehad vlak na haar geboorte, en daarna was ze altijd de magerste gebleven. Een lijfje van ribben. Ook zij had haar eten afgestaan aan Zanussi. Tot het echt niet meer ging en hij haar had gevoerd. Maar het was te laat geweest. Vier jaar was ze geworden. Ze hadden haar begraven op de vlakte.

Er lagen meer kinderen, veel meer. Ze waren teer en licht geweest, breekbaar. Er was niet genoeg geweest, niet voor allen. Ze waren in de armen van hun moeder gestorven, het hoofdje tegen hun borst. Het was willekeur. De een haalt het wel, de ander niet.

Zanussi hield veel van zijn ouders. Zijn vader was grote delen van het jaar weg. Hij was militair, maar vocht niet. Zoals zoveel mannen moest hij werken op het land. Als hij terugkwam, was hij kapot, een man die in de schaduw zat, totdat hij weer werd opgeroepen. Het is een groot plezier om je vader na maanden terug te zien, maar de meeste kinderen zagen een schim thuis komen. Ze moesten hem met rust laten. Alleen Zanussi mocht naast zijn vader zitten. Hij zei niks tegen zijn zoon, hij zweeg. Alle uren, alle dagen. Maar als Zanussi wilde opstaan, dan hield zijn vader hem bij zich. Hij legde zijn hand op zijn been, of op zijn knie. Hij wilde bij hem zijn.

Toen Zanussi twaalf jaar oud was, stopte zijn moeder met omhelzen. Hij was geen aanhankelijk kind, maar hij hield van haar aanraking, haar nabijheid. Ze was als de moeder van Achilles, van Simsom. Heldenmoeders, vrouwen die hun kind hadden afgestaan aan de geschiedenis. Zijn moeder wist dat ze ook afstand van hem moest doen, dat de dag van het afscheid steeds dichterbij kwam. Zanussi begreep er niets van. Hij voelde zich verstoten, maar durfde zijn verdriet niet te tonen. Hij wist dat hij sterk moest zijn. Dat was zijn kennis, waar alles op neerkwam.

Toen de dag daar was, een gewone dag, warm en droog, omhelsde ze hem hartstochtelijk en lang. De tranen liepen over haar wangen, en ook Zanussi kon geen weerstand bieden. Hij was zestien jaar oud en een kop groter dan zijn moeder. Zijn broers en zussen kwamen erbij, zijn vader - ze omhelsden hem allemaal. De jongen met de naam van hoop. Zijn jongere broer veegde met zijn vingers zijn tranen weg.

Zanussi werd opgehaald door een man. Ze liepen naar een ander dorp en daarna naar nog drie dorpen. Pas de volgende dag kwamen ze aan in de stad, met een groep van vijf mannen. Hij was de jongste. Maar op de pick-up van de auto, waarin ze moesten klimmen, zaten ook kleine kinderen, zelfs een baby. Hij telde zeventien mensen. Ze reden honderden kilometers en zagen tweemaal de zon opkomen.

Er waren verhalen over mensensmokkelaars die hadden gedaan alsof ze de grens waren overgestoken. Er waren ook smokkelaars die de grens waren overgegaan, maar waren gestopt bij het eerste politiebureau. Konvooien werden overvallen door rebellen, die het laatste geld dat de mensen hadden afpakten en de vrouwen meenamen in de woestijn. Er waren vrachtauto's die op een landmijn waren gereden, doordat de chauffeur de weg niet kende. Soms raakte de benzine op of begaf de motor het. Twee smokkelaars hadden hun vrachtauto in de woestijn achtergelaten. Alle passagiers waren doodgegaan van de dorst.

O, er waren zoveel tragische verhalen. De 22-jarige Syrische man die vanuit Calais naar Engeland wilde zwemmen, maar in zijn wetsuit aanspoelde op Terschelling. De Angolese José Matada, die zich had verstopt in het landingsgestel van een Boeing 777 en in West-Londen op straat was gevonden, met één pond in zijn zak. Maar dit is een hoopvol verhaal. Dit is het verhaal van Zanussi. De jongen die vernoemd is naar de mooiste van alle koelkasten. De jongen wiens naam een voorteken was. De jongen die nu een man is en in een paleis woont, hoog in de bergen, omringd door groene weiden, waarop in de winter wit spul uit de hemel valt.

Ze gingen verder in een vrachtauto. Ze waren nu met veel meer. Niet iedereen kon zitten. De jonge mannen moesten staan. Zanussi voelde de andere lichamen, hij hoorde talen die hij niet verstond. Ze reden de hele nacht door en daarna nog de hele dag. Er viel licht door de

spleten in het zeil. Hij zag de gezichten van de andere passagiers. Het was stikheet en bijna niemand had meer drinken. De baby huilde. Het leek wel alsof haar moeder tien kilo in drie dagen was afgevallen.

Uiteindelijk kwamen ze aan in Sabha, of was het Mellila of Jendouba? Hier brachten weer andere smokkelaars hen onder in een barak. Ze mochten niet naar buiten, ze kregen geen eten, geen drinken.

Midden in de nacht werden ze gewekt en naar een bootje gebracht in de vloedlijn. Het was een vissersschuit, acht meter lang. Ze kregen een jerrycan met water en een jerrycan met benzine voor de buitenboordmotor. Ze waren met zesenvijftig mensen, onder wie vier kleine kinderen en de baby. Ook waren er twee zwangere vrouwen. Ze wilden allen een betere toekomst.

Zanussi zou de overtocht nooit vergeten en met hem nog twaalf mensen niet. De rest had het niet gehaald. De motor was op de tweede dag uitgevallen. Stuurloos hadden ze rondgedobberd op de Middellandse Zee. Dertien dagen lang. Toen waren ze gered door een Noors schip. De kapitein had een baard en helderblauwe ogen.

Zanussi was via Lampedusa in een asielzoekerscentrum in Catania terechtgekomen, waar hij een half jaar had moeten wachten. Hij had geen idee waarop, want op een dag werd hij met twintig anderen zonder verdere toelichting naar de haven gebracht. Heel even was hij bang dat ze terug zouden worden gebracht naar Afrika, maar ze kwamen aan in Napels en waren vrij. Tenminste, er stond geen politie op hen te wachten. Geen mensen in oranje hesjes, niemand met handschoenen.

Ze waren naar het station gelopen, de hele Corso Umberto I. af, dwars over het Piazza Garibaldi met het vuil naast de prullenbakken. Op zwarte, elektronische borden stonden de treinen en de bestemmingen. Ze moesten naar Duitsland, dat hadden ze gehoord. Daar was werk, daar kon je blijven. Maar ze zouden niet verder dan Bolzano komen, waar ze uit de trein werden gehaald. Sommige vluchtelingen hadden zich verstopt. De carabinieri kamden de trein uit, coupé voor coupé. De andere passagiers zeiden niets. Niet toen de politie met een herdershond de treinstellen doorzocht, niet toen de vluchtelingen mee naar buiten werden genomen. Sommige schreeuwden en hielden zich aan de stoelen vast.

Op het perron werden ze geïsoleerd van de andere mensen. De trein kwam in beweging. Het maakte vrijwel geen geluid, maar het knarsen van de metalen wielen hoorde Zanussi later nog steeds in zijn slaap. Ook de daaropvolgende nachten kon hij het walsen van de wielen horen, die eerst onwerkelijk traag bewogen, daarna steeds sneller, totdat de trein het station uit was en richting het noorden reed, richting de bergen.

Ze verzamelden elke dag op het station van Bolzano, perron drie, waarvandaan de internationale trein naar München vertrok. Elke dag stonden daar ook de agenten met hun zwarte broeken en blauwe overhemden, elke dag werden ze geïsoleerd van de andere mensen, die wel vrij mochten reizen. Hij voelde zich verstoten, alleen, dacht aan zijn moeder. Ze dachten allemaal aan hun heldenmoeders, die ze misschien nooit meer zouden zien. Elke dag dropen ze af als de trein was vertrokken. De wielen maalden hun dromen kapot. Op klaarlichte dag, en later nogmaals, als ze op dunne matjes lagen in een oude gymzaal. Vrijwilligers brachten maaltijden. Hun blikken boden troost, maar op straat waren er ook andere blikken, zonder begrip, of boos, alsof ze de mensen iets hadden aangedaan.

Zanussi had zich losgemaakt uit de groep. Op weg naar de gymzaal was hij een zijstraat ingelopen. Niemand had hem zien wegglippen. Hij wist niet waar hij naartoe moest gaan, maar hij had geen zin om de volgende dag weer op het station te staan. Bij toeval kwam hij uit bij het dalstation van de kabelbaan, die leidde naar een dorpje dat Soprabolzano heet. Je deed er twaalf minuten over en had vanuit de cabine uitzicht op de reuzen van de Dolomieten: Schlern, Rosengarten, Latemar. Zanussi zweefde over weilanden, keek naar de kleine koeien onder hem, keek naar de boerderijen, keek naar de kerkjes, en zonder het te weten zweefde hij zijn diamantzilveren toekomst tegemoet.

In het dorp, bijna in het bos, woonde een vrouw. Ze heette Assunta en had lange, witte haren. Ze was een gravin, maar woonde niet in het grote zomerhuis van de familie. Ze woonde in de stallen met haar dieren. Duiven, kippen, honden. Ze was een zonderling, praatte met haar rottweiler, maar tegelijk kwam ze uit een heel voornaam geslacht.

Zanussi mocht haar tuin verzorgen. Het was de voorspelling, het was zijn naam. Hij kreeg een kamer in het zomerhuis, waar ooit grote diners waren gehouden en - zo werd verteld - een Russische prins op zijn paard het slaapvertrek van de gravin was binnengekomen.

Over Zanussi wordt verteld dat je hem soms kunt zien lopen over het kronkelige pad tussen de landhuizen en de weilanden. Of hij zit op een gevelde boom en kijkt naar de bergen, waarachter, heel ver weg, Afrika ligt.

De illustrator

Studenten van de Willem de Kooning Academie (Rotterdam) illustreren de serie sterke verhalen in 'Zomertijd'. Ernest van der Kwast kwam bij hen langs om te vertellen over zijn verhaal. Silvana Herrebout (1993) ging tijdens het bezoek meteen aan de slag. "Ik stelde hem vragen, wilde weten hoe de vluchteling in zijn verhaal eruitzag, hoe hij de plaats zelf had beleefd. Hij vond het lastig, omdat hij helemaal niet in beeld denkt, maar ik ben toen meteen gaan schetsen en heb het hem laten zien."

De illustratie moest romantisch zijn, maar wel realistisch. Het resultaat is dromerig en kleurrijk. Of dat ook Silvana's stijl is? "Geen idee, ik ben me nog volop aan het ontwikkelen als illustrator."

www.behance.net/silvanaaaaa

www.simplysilvana.nl

De auteur

Ernest van der Kwast (Bombay, 1981) debuteerde in 2005 met 'Soms zijn dingen mooier als er mensen klappen'. Grote bekendheid verwierf hij met zijn autobiografische roman 'Mama Tandoori', die een bestseller was. Het boek werd genomineerd voor de NS Publieksprijs en de BNG Nieuwe Literatuurprijs. Zowel de film- als de theaterrechten zijn verkocht. In januari verscheen zijn roman 'De ijsmakers'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden