Zalen met frisse lawaaikleren en verstilde, sprookjesachtige couturestukken

De nieuwe generatie Nederlandse modeontwerpers houdt niet van ’gedoe’. Hun voorgangers leefden zich in de jaren tachtig en negentig graag uit in experimentele, ondraagbare, liefst ondersteboven gedraaide kledingstukken, met zes mouwen of een onhandige flap op een ongewenste plaats. Die kleren leken uitsluitend gemaakt voor het museum. Nu is het tijd voor nuchtere en tegelijkertijd sprankelende kleren waarin je eventueel gewoon een boodschap kunt doen. Dat wil niet zeggen dat het ’gewone’ kleren zijn.

De geweldige tentoonstelling ’Fashion NL: The Next Generation’ in het Gemeentemuseum in Den Haag toont een dwarsdoorsnede van de nieuwste generatie Hollandse modeontwerpers geboren in de jaren zeventig. Deze vormgevers hebben een stevige opleiding achter de rug en winnen aan de lopende band nationale en internationale prijzen.

In ruim 20 zalen en kabinetjes zinderen ruim honderd stukken van een dertigtal ontwerpers ons tegemoet. Zo wordt fraai zichtbaar wat er de afgelopen vijf jaar is gebeurd en hoe de ontwerpers reageerden op het conceptuele denken van de vorige generatie. De lol in het ontwerpen, gecombineerd met kennis van zaken, en de wil om nieuwe wegen in te slaan, druipen ervan af. Hoewel de collecties onderling zeer verschillen, stralen de zalen een verkwikkende Hollandse frisheid uit.

De rustige, doordachte, kleding van Jan Taminiau bijvoorbeeld vormt een enorm contrast met de lawaaikleren van Bas Kosters. Bij Taminiau staat het respect voor ambacht en traditie voorop. Schijnbaar moeiteloos weet hij het kleine en verfijnde te verwerken in materialen met een verhaal of verleden zoals grove, gebruikte, postzakken en teer kant. Dat resulteert in technisch perfecte, tegelijkertijd zowel robuuste als verstilde, sprookjesachtige, couturestukken.

Bas Kosters’ felle, kleurrijke, kleren schreeuwen juist om aandacht. Het eindeloos geschakeerde straatleven is voor hem een belangrijke inspiratiebron en hij mixt er naar hartelust op los. T- shirts, jasjes en broeken gaat hij te lijf met schaar en kwast of tuigt ze op met alledaagse voorwerpen. Ondanks het overdonderende ’kabaal’-element van de presentatie, hebben de kleren bijzondere en verrassende details zoals de toepassing van minutieus borduurwerk of spannend patchwork. In beide soorten outfits steel je absoluut de show.

Modeconservator Madelief Hohé: „Het concept voor deze tentoonstelling werd eigenlijk steeds opnieuw bepaald door de geselecteerde ontwerpers zelf. Zij laten zien waar de Nederlandse mode op dit moment staat. En met ’dit’ bedoel ik echt op dít moment., want tot op het laatst hebben we dingen kunnen toevoegen. Sommige stukken zijn pas van heel kort geleden. of komen rechtstreeks van shows of presentaties af die nauwelijks een week geleden plaatsvonden. Andere zijn al wat ouder, maar laten heel goed die nieuwe richting al zien.”

Vrijwel alle ontwerpen zijn draagbaar en eventueel in productie te nemen. Daryl van Wouw zou niets liever willen. Hij droomt van een goedlopend eigen label en werkt hard aan een webshop. In zijn speelse straatlook verwerkt hij invloeden uit sport en muziek. Onlangs showde hij halve, met zeefdruk bewerkte, kledingstukken. Daryl: „Dat heeft als boodschap dat je je als consument nogal eens bekocht kunt voelen. Een verpakking blijkt nooit helemaal vol te zijn. Zo zie ik kleren ook. Kleding is een verpakking, maar is het wel het volle pond?”

Dat verpakkingselement is één van de rode draden die door de tentoonstelling lopen.

Maarten Spruyt, de vormgever van de tentoonstelling: „Neem al die make-overs, botox-spuiten en rare behandelingen, dat is allemaal buitenkant. Kleren zijn ook buitenkant. We zijn ondertussen erg toe aan de binnenkant. In de mode vertaalt zich dat door de aandacht die er is voor ’het skelet’, de letterlijke drager van het geheel. Kleding wordt nu soms ook op een skeletachtige manier samengesteld en er is veel aandacht voor de relatie binnenkant/buitenkant van kleding. Een ander accent is ’chaos’. Ik heb werk van fotografen toegevoegd dat chaos juist heel strak en geordend in beeld brengt. Een derde lijn is ’afval en hergebruik’. Ook dat vind je bij veel ontwerpers terug.”

Vooral in de ’pril-talentzaal’ wemelt het van de associaties met schedels en geraamten, met orde en chaos. Deze ontwerpers hebben nog niet of nauwelijks de kunstacademie verlaten en vielen onlangs al in de modeprijzen. Het werk van Edwin Oudshoorn (Frans Molenaar coutureprijs), Claes Iversen (BLVD) en de drie Nederlandse Lancômeprijswinnaars die zich binnenkort voor een internationale jury mogen presenteren, staat er nog zoekend naar een richting, maar zeker veelbelovend, bij. Talenten die al wat langer op dreef zijn tonen meer uitgebalanceerd werk.

Percey Irausquin bijvoorbeeld is er dol op soepel vallende stof om een lichaam te draperen. Daarmee kun je verleidelijk op een galafeest verschijnen. Het duo G+N maakt juist heel afgewogen kledingstukken die het ook in weer en wind op de fiets goed doen. Bij nauwkeurig kijken blijken talloze, technisch zeer vernuftige, details te zijn verwerkt.

Al dwalend door de zalen val je van de ene sfeer in de andere. In de melancholische ruimtes met werk van Hamid Ed-Dakhissi zijn de vloeren bezaaid met kilo’s kapotgeslagen serviesgoed waartussen de poppen zich een weg banen. Mada van Gaans laat ons in een trein stappen. De kleding verbeeldt het reizen en bewegen van een vrouw. Aan haar opstelling van batikkleding is een sfeerverhogende Indische lamp uit de museumcollectie toegevoegd.

Plots staan we te midden van een grappige demonstratie van opgezette echte marters die bontgebruik propageren. Frido van der Weij gebruikte oude bontjassen voor zijn met prijzen overgoten bontcollectie. De toevoegingen van al die toepasselijke objecten en kunstwerken uit het museumdepot geven een verrassende meerwaarde aan de geëxposeerde outfits.

Van sommige ontwerpers is geen kleding aanwezig. In het kabinet van Monique van Heist liggen lege dozen en oude pamfletten op de met karton bedekte vloer. Die spullen herinneren aan een ’show’ waarin de toeschouwers werden uitgedaagd zich te kleden als na een ramp die je dakloos maakt en de vraag ’hoe zie ik eruit’ volstrekt onbelangrijk is geworden. De uitkomsten legde ze vast op foto’s.

Maar de meest indrukwekkende ruimte is die van supertalent Erik Frenken. Zijn voor de Haagse kunstacademie gemaakte eindexamenwerk werd onlangs door het museum aangekocht. Nu toont hij, in het door hemzelf ontworpen ’hok’, dat tevens de blauwdruk is van zijn ’toekomstige winkel’, de prachtige collectie die hij ontwierp voor zijn eindshow aan ’s werelds meest prestigieuze modeacademie, in Londen. Momenteel is hij hoofdontwerper bij Viktor&Rolf, de toppers van de vorige generatie Nederlandse modeontwerpers. De nieuwe lichting staat trappelend in de startblokken.

Fashion NL: The Next Generation. Gemeentemuseum Den Haag t/m 5 juni. www.gemeentemuseum.nl, tel: 070-3381111.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden