Zal ik je effe kussen?, vraagt ze. Nee zeker, he?

Een van de meer verwerpelijke ideeën over dementie komt voort uit een visie op de menselijke persoonlijkheid als een kennismachine. De mens als intellectueel tiepje, dat helemaal boven in de nok van de hersenschors fabelachtig trapezewerk verricht.

Deze luchtacrobatie stelt de vermetele springer in staat om zicht te houden, of zicht te scheppen, op het sonnet bij Shakespeare, de morele knoop in Uruzgan, Satie’s Gymnopédies, Obama’s onverwachte opmars en natuurlijk het verschil tussen de vroege en latere Wittgenstein en dan met name de nuancering van het begrip ’verschil’ indien toegepast op de boeiende verschuivingen binnen het werk van deze filosoof.

Toe maar.

Er zijn wel levens die zich overmatig op deze hoogte lijken af te spelen, ik denk aan de waanzinnig eensporige dwang waarmee Glenn Gould zich vastbeet in het werk van Bach, maar ook Glenn Gould had een publiek nodig, zij het niet in de vorm van een gevulde concertzaal. Het was immers zijn ideaal om al spelende een compositie te verkennen, zoals je heen en weer kunt lopen voor een schilderij, en dat betekende steeds her-spelen om een passage anders op te vatten. Zoiets zou saai zijn voor een groot publiek, maar het bleef hem om publiek gaan, want zijn eindeloze verkenningen van Bach moesten wel leiden tot een plaatopname die dan door miljoenen beluisterd kon worden.

Dit aspect van persoon-zijn, omgang hebben of willen met andere mensen en dieren, is iets dat heel lang overeind blijft in dementie. De lelijkste gedachte over dementerenden is dat ze ’geestelijk eigenlijk eerder sterven dan hun lichaam’ dat het ’levende doden’ zijn. Ik vind het zo akelig als er op die manier over Alzheimerpatienten wordt gesproken, omdat ik ze in mijn werk allerminst ervaar als levende doden.

Na een afwezigheid van drie maanden keerde ik met enige huiver terug naar mijn afdeling omdat je niet goed weet wie er overleden is en omdat je vreest dat de nog aanwezigen je vergeten zullen zijn.

De overledenen vielen mee, als ik dat zo mag zeggen. Zij en hun dierbaren waren er aan toe. Voor sommigen van de nog levenden geldt dat ook, maar wij zijn niet overal de baas over. De meerderheid echter maakt het redelijk tot goed, en veel meer kun je niet verwachten. Ook buiten het verpleeghuis niet.

Mevrouw O. komt als altijd glimlachend op mij afschuifelen en vraagt: ’Heb jij geen sigaretje voor mijn?’, want ze rookt graag en weet nog steeds dat ik op rookgebied wel iets kan regelen. Als de sigaret brandt vraagt ze net als al die andere keren: ’Zal ik je effe kussen?’, om daar als altijd aan toe te voegen: ’Nee zeker he’?’

Mevrouw B. struint nog altijd onhoudbaar door de gangen met haar stapeltje handdoeken en zwaait vrolijk naar me. ’Dag hoor!’ En mevrouw K. zit aan tafel haar gebit los te peuteren uit de verfrommelde stapel boterhammen met jam voor zich. Ik krijg meteen een hand, met gratis jam en brood er bij.

’Ze moet haar handen wassen’, zegt een nieuwe mevrouw tegenover haar.

John Locke kwam met een karakteristiek kennende definitie van persoonlijke identiteit: ’Een persoon is een denkend, intelligent wezen, dat rede en reflectie kent en zichzelf als zichzelf kan beschouwen, het zelfde denkende ding, op verschillende tijden en in verschillende plaatsen.’ We zitten hier ver boven de navel. Voor dergelijke wezens lijkt communicatie alleen maar mogelijk via mededelingen over kennis of het ontbreken daarvan in de twee breinen die aan het communiceren zijn.

Wie zich in de omgang met dementerenden te sterk richt op actuele abstracties als een kabinetsbeleid of de dreigingen van globalisatie, die zal al gauw roepen dat er echt niet meer met oma of opa te praten valt. Maar wie de vreugde om een sigaretje, een maaltijd, een jurk of een wandeling weet uit te bouwen, die heeft nog een hele wereld waarover je ook met dementerenden uitstekend en hartverwarmend kunt communiceren.

Patricia de Martelaere heeft de vermeende leegte van de uitwisselingen met dementerenden als eens naast onze omgang met een geliefde hond gehouden. Deze vergelijking is in geen enkel opzicht denigrerend bedoeld. Het gaat er om dat je het gevoel hebt heel goed met je hond te kunnen communiceren terwijl hij geen woord Nederlands spreekt en niet weet wat de ozonlaag inhoudt. Of erger nog: hij weet niet eens dat hij dat niet weet. En toch lukt het om een lonende band te hebben met je hond.

Veel familieleden slagen er in iets te maken van het samenzijn met hun dementerende man, vrouw, moeder of vader, juist door zich te richten op een kroketje of een muziekje of een lekker drankje, in plaats van zich te storen aan het feit dat moeder eigenlijk niks meer weet. Ik wil hiermee niet zeggen dat dementie best meevalt. Maar in de woorden van een dichterlijk aangelegde dochter over haar demente vader: zijn paleisje ligt wel in puin, maar je kunt nog heerlijk wandelen in het park dat er omheen ligt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden