Zal hij mij bedoelen?

Vanavond maakt Sonja Barend in haar televisieprogramma 'Sonja op Zaterdag' voor de tweede keer in haar bestaan de winnaar van AKO-literatuurprijs bekend. En Sonja zou Sonja niet zijn als ze niet vraagt: Is het echt allemaal zo gebeurd of hebt u het verzonnen? En dan de hamvraag: Is het autobiografisch? De schrijver en criminoloog Herman Franke beschrijft de vele stille slachtoffers van de literatuur. 'Wist jij dat Annie zo geil was? Goh, een harde jongen, die Johan. Nooit geweten dat de vader van Vincent zo'n ploert was.'

Weerloos ben je. Vogelvrij. Als op een negentiende-eeuws schavot sta je daar. Naakt. Het grote publiek lacht, bekketrekt, spuugt en wijst spottend met de vinger naar de lichaamsdelen waarvoor je je altijd geschaamd hebt: je kromme neus, je grote tieten of je afhangende schouders. Je miezerigste zonden en karaktertrekken staan in grote letters vermeld op een bord dat onder je kin hangt. En zelfs als er niet kwetsend maar liefdevol over je geschreven wordt, is je persoonlijke levenssfeer ernstig geschonden. Wie wil graag dat iedereen leest hoe kleinzielig je bent in de persoonlijke omgang? Schrijvers misschien, maar die weten altijd wel een diepe persoonlijkheidslaag aan hun ergerlijke gedrag toe te voegen. Die hebben de woorden zelf in handen.

De literatuur maakt vele stille slachtoffers. Zal hij mij bedoelen? Hoeveel lezers uit de kennissenkring van schrijvers menen - terecht of ten onrechte - zichzelf te herkennen in een roman en tobben daarover in de kleine uurtjes als het maanlicht over alle levensvragen toch al een vaag, beangstigend schijnsel werpt? Ben ik zo egocentrisch? Dus hij heeft me nooit voor vol aangezien! Zo arrogant ben ik toch niet? Hoeveel kennissen van schrijvers menen te weten wie model heeft gestaan voor een verderfelijk personage en vertellen dat, besmuikt lachend, rond op feestjes en in kroegen? Wist jij dat Annie zo geil was? Goh, een harde jongen, die Johan. Nooit geweten dat de vader van Vincent zo'n ploert was.

Uit de reacties op mijn eigen romans weet ik hoe ver de vermoedens en gissingen gaan kunnen. Mensen aan wie je bij het schrijven geen moment gedacht hebt, voelen zich misbruikt of in hun privacy aangetast. Onthullend soms, maar ook pijnlijk. En nu word ik nog nauwelijks gelezen en autobiografische elementen gaan bij mij vele malen door de gehaktmolen voor ze gebruikt worden. Hoe zit het dan met de kennissen en intimi van gevierde schrijvers die hun helden naar zichzelf vernoemen en in romans dicht op hun eigen leven zitten, ook al heet het fictie?

Van de zes boeken die genomineerd zijn voor de AKO-literatuurprijs, zijn er vier sterk autobiografisch getint. Hoe stérk is moeilijk vast te stellen. De literaire grenzen tussen werkelijkheid en fictie zijn vaag, glibberig en bepaald niet honkvast. Zelfs wat schrijvers er zelf over zeggen is niet altijd betrouwbaar.

Van Dis noemt zijn Indische Duinen nogal cryptisch “het meest verzonnen boek dat het dichtst bij de waarheid komt” en Van der Heijden beweert botweg dat Asbestemming “geen fictie maar feiten” bevat. Maar, zoals Nico Keunig vorig jaar in Trouw schreef, wie beide boeken leest raakt ervan overtuigd dat Dichtung und Wahrheit heel anders vermengd zijn dan de heren geloven of ons willen doen geloven.

De vriendschap van Connie Palmen is met dagboekaantekeningen en al uit het werkelijke leven gegrepen, maar in Dichter op de Zeedijk, zijn prachtige moderne versie van Kees de Jongen, schrijft Kees van Beijnum veel gedetailleerder over zijn jeugd in de Amsterdamse hoerenbuurt dan het menselijk geheugen toelaat. Je weet nooit zeker wanneer schrijvers iets verzinnen of de waarheid vertellen, zijzelf vaak ook niet. Voor de waarde van hun boeken doet dat er ook niets toe, maar voor slachtoffers van de literatuur is deze onduidelijkheid vervelend. Juist de vage kennis over het werkelijkheidsgehalte van romans voedt roddels, geruchten en gissingen.

Ik denk dat in de spelonken van het literaire leven veel leed verscholen zit. Leed waar een begrijpelijk taboe op rust, want het is een gevaarlijk en moeilijk onderwerp. Hoe vrij moet de literaire uitingsdrang gelaten worden? Wanneer worden in autobiografisch getinte romans de grenzen van het betamelijke overschreden? Kun je de persoonlijke levenssfeer van kennissen, vrienden en verwanten van schrijvers beschermen zonder dat het literaire censuur wordt? Dat zijn geen gemakkelijke vragen, maar het kan geen kwaad ze eens te stellen. Ik heb over ze nagedacht, al lang voordat ik zelf romans schreef. Dat komt omdat mijn wetenschappelijke werk mij steeds met soortgelijke problemen van privacy-schending in aanraking bracht.

Als criminoloog wilde ik een onderzoek doen naar de nare effecten van rechtbankverslagen in dagbladen op de mensen die daarin herkenbaar worden aangeduid. In dorpen is het immers heel gemakkelijk om veroordeelden aan hun initialen met vermelding van leeftijd en beroep te herkennen. Mijn onderzoek strandde omdat ik van justitie geen adressen kreeg van deze extra gestrafte misdadigers onder verwijzing naar hun wettelijk geregelde privacy-bescherming!

In plaats daarvan heb ik een onderzoek gedaan naar openbare schavotstrafvoltrekkingen in de vorige eeuw. Ik las ook oude kranten en zag hoe misdadigers daarin beschimpt en bespot werden. Met naam en toenaam. Journalisten vertelden, nog voor de politie arriveerde, zelf aan de moeders van moordenaars dat hun zoon gearresteerd was en ze beschreven de tranen die op hun notitieboekje vielen. Ze stonden met hun neus op doodskisten die in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek geopend werden en beschreven de staat van ontbinding van de lijken, met naam en toenaam. Nú leggen journalisten zichzelf heel veel beperkingen op in de misdaadverslaggeving. Als ze het toch te dol maken, lopen ze kans op gerechtelijke vervolging of op een berisping van de raad voor de journalistiek.

Later onderzocht ik voor een boek over de geschiedenis van de gevangenis psychiatrische dossiers van gevangenen die een eeuw geleden gek waren geworden van de jarenlange eenzame opsluiting in donkere cellen. Maar voordat ik inzage in die dossiers kreeg, moest ik schriftelijk beloven geen namen van gevangenen te openbaren. Hun achterkleinkinderen met dezelfde achternaam zouden er nog last van kunnen hebben! Deze beschermende maatregelen staan in scherp contrast met de onbetwiste vrijheid van schrijvers waar zij de persoonlijke levenssfeer van hun familie of vrienden betreden of waar zij bekende personen omvormen tot romanpersonages met deels verzonnen karaktertrekken. Waarom is die vrijheid zo onbetwist? Daar zou ik schrijvers wel eens over willen horen. Niet veilig onder elkaar, maar in gesprek met lezers die zich slachtoffers voelen.

De advocaat van de duivel speel ik nu. Als schrijver verplaats ik me in de situatie van een slachtoffer van de literatuur. Even vergeet ik dat je fictie nooit letterlijk moet nemen. Even ben ik een lezer die zichzelf belangrijker vindt dan het hooggeprezen literaire boek, waarin hij tentoongesteld wordt. Verontwaardiging dringt zich op. Daar sta ik voor het botte, nietsontziende oog van het grote publiek. Ze lezen in het boek van mijn zoon dat ik - oud en ziek - geestelijk een beetje aftakelde en eerzame verpleegsters als 'geil varkentje' aansprak terwijl ik platvloers in hun tieten kneep (Blauwe maandagen, Arnon Grunberg).

Ze lezen dat ik ziekelijk jaloers was, tobde over mijn kleine borsten en niet klaar kon komen, hoe goed ik ook mijn best deed onder en op het goddelijke lichaam van mijn vriend die later schrijver werd (Ik ook van jou, Ronald Giphart). Aan Jan en alleman wordt verteld hoe wanstaltig luid ik stond te pissen als ik weer eens dronken thuis kwam uit de kroeg en Brabantse onzin lallend mijn gezin verwaarloosde en mijn vrouw aan dronken kroegmaten aanbood door mijn huissleutels te overhandigen. (Asbestemming, A.F.Th. van der Heijden), hoe ik mijn kind sloeg dat later door zijn tante (“Ondanks haar rimpels zag ze er nog verdacht jong uit. Maar wat een del. Ze droeg iets wapperends roze, zwarte uilenwimpers klapten me toe”) misselijkmakend omhelsd werd (Indische Duinen, Adriaan van Dis) of hoe ik mijn zoon geestelijk martelde (het oeuvre van Boudewijn Büch). Ik ben de ex-vrouw van Hans Warren en ik lees - nadat hij zijn homoseksuele schaamte van zich afgeworpen heeft - in zijn literaire dagboek hoe afstotelijk hij de vlezige weekheid van mijn intiemste lichaamsdeel vond.

Ik ben de vader van Jan Wolkers, Maarten 't Hart, Gerard Reve, W. F. Hermans (“een oude man die niks kon, niks wist, niks wou”, peinst Hermans alter ego Richard Simmillion over zijn vader), Jean-Paul Franssens en van noem maar op. Hoe vind ik dat? Daar staat nou nooit eens iemand bij stil.

De herkenbaar beschreven vriendinnetjes van Vestdijk moeten zich hun leven lang opgejaagd wild gevoeld hebben in het vizier van literatuurgekke biografen. Het schijnt dat een vriend van Gerard van het Reve na het verschijnen van De Avonden nooit meer de oude is geworden. Toen Onder professoren verscheen trokken verslaggevers van het Nieuwsblad van het Noorden de Rijksuniversiteit van Groningen binnen om (met succes) te achterhalen wie er allemaal bespot en vernederd werden in de vuistdikke strafexpeditie van W. F. Hermans. En wat staat de vriendenkring van Voskuil te wachten in de 5500 pagina's lange kroniek die de komende jaren gepubliceerd wordt?

Schrijvers worden vaak geprezen voor hun durf. Hun diepste gevoelens geven ze prijs aan de openbaarheid en iedereen kan er de spot mee drijven. Maar zijn schrijvers wel zulke helden? Geliefden, familieleden en vrienden van schrijvers krijgen de klappen die de schrijver ontwijkt door het allemaal op te schrijven en voor de zwijnen te gooien, denk ik wel eens, als advocaat van de duivel. Er bestaat geen schrijversmoraal. Schrijvers zijn parasieten, ze zuigen tot meerdere eer en glorie van zichzelf iedereen leeg die in hun buurt komt.

“Als je hier over schrijft, maak je me dan wel onherkenbaar? Het is anders zo pijnlijk voor Joop”, zegt een vrouw in bed tegen haar schrijvende minnaar (Vrij Nederland, 13 maart 1993). Peter van Straten maakt er vaak wrange grappen over op de achterpagina van de 'Republiek der Letteren' in Vrij Nederland. De Kunst verschaft schrijvers een vrijbrief voor beledigingen, ongewenste liefdesverklaringen, afrekeningen, verdachtmakerijen, schoonpraterij, privacy-schendingen en vuilspuiterij van het wreedste soort, want de slachtoffers zijn weerloos.

Ik heb de overtuiging dat de laatste jaren meer schrijvers zonder scrupules hun naaste omgeving herkenbaar gebruiken voor hun literaire produktie. “Natuurlijk! Je zou toch wel een sukkel zijn als je het niet gebruikte! Kom op zeg”, antwoordt Carla Bogaards in de Volkskrant op een vraag naar het autobiografisch gehalte van haar nieuwste boek over haar zusje, dat door Willem Kuipers in dezelfde krant een 'ongelooflijke truthola' werd genoemd.

De populariteit van reality fiction hangt zeker samen met de door uitgevers en recensenten uitgedragen voorkeur voor plat realisme, nihilisme en straatrumoer, maar waar de romanstructuur wijkt voor het dagboekachtig noteren van ervaringen en observaties, neemt de herkenbaarheid van personages toe. En daarmee, als ze er slecht van af komen, hun leed. De literatuur wordt meegezogen in de massamediale hang naar het openbaren van de intiemste ervaringen van mensen die pas de day after beseffen wat ze gedaan hebben. Ze zijn psychisch kwetsbaarder en de sociale omgeving is wreder dan ze dachten. Nadat de televisielampen doofden, stonden ze ook thuis opeens in een psychische duisternis. Naar de slachtoffers van de emotionele pornografie op radio en televisie is al onderzoek gedaan. Het verlangen om een keer op de televisie uit de grauwe anonimiteit te treden met uiterst persoonlijke ontboezemingen, vraagt zijn tol in de vorm van sociale isolatie, relatiebreuken en psychische problemen.

Hoe het de vele slachtoffers van de autobiografisch getinte reality fiction of sleutelromans vergaat interesseert en weet niemand. Die slachtoffers durven gewoonlijk hun mond niet open te doen want hoon is hun deel, als er al op gereageerd wordt. Zwijgen ze, dan stemmen ze toe; verweren ze zich dan begrijpen ze niets van literatuur. Als het tegenzit krijgen ze er in fel geschreven stukken in dagbladen nog eens extra van langs van de schrijver en zijn schrijvende vriendjes, zoals de tv-presentator die in Vals Licht van Joost Zwagerman als een patserige hoerenloper geportretteerd werd of de kunstenaarsvrienden uit zijn roman Gimmick! die zich misbruikt voelden. En als eens een keer iemand uit verbale onmacht zijn vuisten gebruikt om zich tegen het geweld van het geschreven literaire woord te verweren, wordt hij genadeloos in de zeik gezet in een bestseller. Zeg ik als advocaat van de duivel.

“'Dat hij toen op Schiermonnikoog mijn vriendin probeerde te versieren, is al erg genoeg, maar dat hij haar in zijn boek dan ook nog een trap na geeft', ziedaar zo ongeveer de zwakzinnige portee van wat hij als het motief voor zijn aanval nu rondbazuint”, schrijft A.F.Th. van der Heijden aan de vriendin van de man die hem met de vuist vol op het gelaat trof in cafe De Z. in Amsterdam. (Asbestemmming, blz. 27) Voor de literatuur, zo lijkt het, moet je als lezer willen sterven. Maar de schrijvers zelf proberen zich over jouw rug onsterfelijk te maken. De kunst heiligt alle middelen. Maar is dat wel zo, vraag ik als advocaat van de duivel?

Laat die beerput toch dicht, zei de Groningse familie van Jean-Paul Franssens, maar de kunstenaar verwierp, naar eigen zeggen, deze burgerlijke schaamte en zette zijn hooggeprezen en ontroerende autobiografische serie ongestoord voort. “Die dingen zijn gewoon gebeurd. Maar zij noemen dat de vuile was. En vuile was hoor je binnen te houden. Nou, ik hang die vuile was gewoon buiten, dan komt er tenminste een beetje frisse lucht in die gore lappen”, zei hij tegen een verslaggeefster van HP/De Tijd. Achter deze frisse, onomwonden taal zou wel eens meer schuldgevoel verborgen kunnen zitten dan de schrijver wil toegeven.

En hoe zit het met Connie Palmen? “Ik wil niet dat die dingen over mij ergens opgeschreven staan”, zegt de hartsvriendin van Palmens alter ego op bladzijde 76 van De vriendschap. De belofte het nooit aan anderen te laten lezen, kan haar niet vermurwen. “Ik vertrouw je niet”, zegt ze. Daar heeft ze wel heel erg sterk gelijk in gekregen. Er zijn inmiddels 150.000 exemplaren van De vriendschap over de toonbank gegaan.

In Asbestemming van Van der Heijden - waarin de literatuur erg veel privacy schendt, ook die van de schrijver zelf - vertelt hij dat de moeder van het verongelukte neefje dat de hoofdpersoon vormt in de novelle Weerborstels, onaangenaam getroffen was door de publikatie. Ze had op zijn minst een brief van hem verwacht, wat ik heel begrijpelijk vind. Het trof me dat ze nooit zo'n brief gehad had. Pas jaren later schrijft hij toch een brief maar een welgemeende uitleg kan er kennelijk niet af. “Ik merkte dat ik, met mijn vergiftigde brein, mijn door gif gestuurde hand, andere woorden koos dan ik al weken in gedachten had”, lezen we in Asbestemming. De tante wordt in de hoek gedrukt van iemand “die zo nodig alles in de novelle letterlijk wilde nemen”.

Hier wringt de schrijversmoraal en ik heb het gevoel dat hij weet dat zij wringt. In hetzelfde boek laat hij weten dat zijn zuipende vader zijn boeken niet of nauwelijks las. Maar zijn moeder las ze wel. Ze verzuimde volgens hem niet de boeken aan zijn vader samenvattend na te vertellen, “nogal tendentieus, met weglating van de korst van fictie”. En dan zou ze gezegd hebben: “Nou, hoe vind je dat nou, als je eigen kinderen zo over die toestanden schrijven?”. Ik beschouw dit als een begrijpelijke vraag van een gewone vrouw aan haar ontluisterde echtgenoot, maar Van der Heijden voegt er tussen haakjes aan toe: “In haar handen werden mijn boeken een soort zoutbroden waarmee over oude wonden geschuierd werd”. (blz. 221) Zo wordt ook nog het verweer van zijn moeder in het openbaar verdacht gemaakt, denk ik dan als advocaat van de duivel.

In hetzelfde boek schrijft Van der Heijden dat hij zich “het recht” voorbehoudt zijn ervaringen “zonder anderen te belasteren of moedwillig te kwetsen, net zo lang te bewerken en om te smeden tot ze in een roman kunnen dienen” (blz. 29). Of hij ziet het niet of hij wil niet zien dat zijn boeken wel degelijk belasteren en kwetsen, hoe prachtig geschreven ze ook zijn en hoe veel liefde voor zijn ouders er ook in doorklinkt.

Connie Palmen voorzag volgens het recente interview in Opzij wel problemen. Halverwege het schrijven liet ze het manuscript van De vriendschap lezen aan haar moeder die haar (“zo waardig, zo aandoenlijk”) vrij liet het boek te schrijven dat ze wilde schrijven. Haar broers raadpleegde ze niet, maar inmiddels weet ze wel dat die het autobiografisch gehalte van haar werk 'niet altijd leuk' vinden. Rechtstreeks hebben die er volgens haar nooit iets over gezegd.

Ik heb eens een boek geschreven over hoe mensen hun emoties onder woorden brachten in overlijdensadvertenties in kranten, vroeger en nu. Er stonden ook foto's van treffende voorbeelden in afgedrukt. Een nabestaande belde mij op, geschokt door dit 'misbruik' van haar advertentie. De ervaringen bij wetenschappelijk onderzoek hebben mij wellicht extra gevoelig gemaakt voor de effecten van publiekelijk beoordeeld of veroordeeld te worden. Het kan zijn dat mijn romans daarom veel Dichtung en weinig Wahrheit bevatten. Schaamte heeft daar in ieder geval niets mee te maken. Iedereen mag alles van me weten als het maar in mijn eigen bewoordingen verteld is. Maar uit angst voor slachtoffers misschien, en omdat ik tijdens het schrijven niet door de werkelijkheid gehinderd wil worden, verdicht, verdraai en verzin ik heel veel. Ik schrijf over zelfmoord van vrienden. Ik schrijf over een al te intieme verhouding met mijn jong gestorven moeder, maar vrienden die zelfmoord pleegden heb ik nooit gehad en mijn echte moeder is hoogbejaard en heeft me nog nooit met een vinger onkuis aangeraakt. Vragen naar het autobiografische karakter van mijn werk, heb ik altijd geweigerd te beantwoorden, met minachting in mijn stem. Literatuur is toch geen Story op niveau! Wat doet de werkelijkheid er nou toe?

Maar zwak is de mens. Ik maak me wel degelijk zorgen over de autobiografische uitstraling van mijn nieuwe roman Nieuws van de nacht, die in de ik-vorm is gesteld. Misschien heb ik dit stuk wel geschreven om te voorkomen dat mijn lieve, echte moeder voor mijn romanmoeder wordt aangezien. Misschien ben ik ook wel een beetje bang dat Julius Vischjager, de trotse hoofdredacteur van de Daily Invisible, zich meent te herkennen in een psychisch gestoorde schertsjournalist uit mijn roman. Ik voel - hypocriet, met boter op mijn hoofd - mee met de slachtoffers van de literatuur.

Slachtoffers van de literatuur. Je zou er als neerlandicus een boeiend promotieonderzoek naar kunnen doen met schrijnende interviews als empirisch materiaal en de moraalfilosofie van Kant tot Rorty als theoretisch kader. Misschien luidt het onderzoeksresultaat dat in de praktijk de trots over het gebruikt worden in een roman de ellende en ergernis overtreft. Een antwoord op de morele vragen die autobiografische romans of sleutelromans oproepen, zou daarmee nog niet gegeven zijn. En geen enkele filosoof zou het moreel juiste antwoord kunnen geven, is mijn overtuiging. Dat antwoord moet de schrijver zelf geven, achter zijn bureau, werkend aan passages waarvan hij weet dat mensen zich er in zullen herkennen.

Ik zou graag een duidelijk standpunt innemen en bij voorbeeld willen zeggen dat een schrijver zich daar niets van moet aantrekken want het is dodelijk voor de literatuur. Ik zou stellig willen beweren dat het werkelijkheidsgehalte van literatuur er niets toe doet, nooit. Maar dat vind ik niet. Het is een moreel aspect van literatuur waar te weinig over nagedacht en gesproken wordt en waar je je niet met de botte bijl van af moet maken. En verder weet ik het niet. Ik heb de advocaat van de duivel gespeeld. En de duivel pleit in dit stuk voor de slachtoffers van de literatuur. Misschien is dit, zo geformuleerd, wel een antwoord. Want als scheppend schrijver ben je toch altijd een beetje God. En welke God luistert naar de duivel?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden