Yvonne Kroonenberg / ’Ik vond er niks aan, kind zijn’

Yvonne Kroonenberg (Amsterdam, 1950) is schrijfster. Ze werkte vijf jaar als psychotherapeut toen ze gevraagd werd voor de ’Lieve Lita-rubriek’ in een relatietijdschrift. Sinds 1986 schrijft ze boeken ’over de liefde en alles wat er mis kan gaan tussen mannen en vrouwen.’ Onlangs verscheen bij uitgeverij Contact haar non-fictie boek over overspel: ’Monogamie voor beginners’.

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Wij waren niks. Als iemand vroeg: ’Wat is je godsdienst?’ moest ik zeggen: ’Niks.’ Ooit heb ik gevraagd wat dat nou precies was, ’het geloof’. Toen werd gezegd: ’Dat vertellen we je wel als je wat ouder bent’ – precies wat andere kinderen te horen kregen als ze iets wilden weten over seks.

Ik ben wat ze, geloof ik, een agnost noemen. Kijk, onze zintuigen zijn niet allemaal even goed: onze ogen doen het nog redelijk, maar ons reukvermogen en ons gehoor zijn ronduit knudde. Dit is de manier waarop de wereld ons gewordt en het zou best een zo kunnen zijn dat die zintuigen een vertekend beeld geven; dat er van alles bestaat wat wij gewoon niet opmerken. Ik laat het dus een beetje in het midden. Ik heb weinig geduld met mensen die heel zelfverzekerd doen over alles wat ze niet begrijpen. Mensen die zeggen ’Er is maar één God’ of die beweren dat het allemaal in de bijbel, de koran of de thora staat* staan daar eigenlijk dingen over in de thora? Zie je, ik ben ook nog eens een jood van niks. Ja, ook ongelovigen kunnen zelfverzekerd zijn, daar heb je gelijk in, maar ik vind ’niks’ toch een beter uitgangspunt dan zo’n dichtgetimmerd verhaal waar je weinig meer aan kunt toevoegen. Met niks kun je nog alle kanten op.”

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Ik kan me goed voorstellen dat God jaloers zou zijn op kunst. Kunst is een groter wonder dan religie. Is het niet merkwaardig dat in sommige mensen – arm of rijk, knap of dom; dat doet er niet toe – het verlangen opstaat de kunst te dienen? Het is de tegenhanger van een andere drang die mensen eigen is: moordzucht. Kunst is ook geen jaloerse God. Je mag een antilope in een rotswand krassen of een gebouw inpakken, je mag literatuur bedrijven of een aria zingen. In de kunst is ruimte voor iedereen.”

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Je moet de dingen juist benoemen – zou dat niet een mooi gebod zijn? Dus niet voortdurend zeggen dat je iets ’énig!’ of juist ’gruwelijk’ vindt terwijl het eigenlijk geen van beiden is. Het is taalverarming. In zekere zin valt het vloeken hier ook onder. Ik kan me voorstellen dat je in opperste woede een krachtterm nodig hebt om die gevoelens onder woorden te brengen, maar als je al begint te tieren bij een rood stoplicht ben je de verhoudingen wel een beetje kwijt.

Ik ga niet zomaar van alles roepen, ik weeg mijn woorden. Deels is dat mijn werk – mijn dagelijks leven bestaat uit het zo zorgvuldig mogelijk onder woorden brengen van allerlei belevenissen – maar ik moet ook toegeven dat ik die momenten van opperste woede niet ken. Ik heb helemaal geen temperament. Ben tamelijk lankmoedig. Beetje sloom. Het is helaas waar: het duurt lang voor ik doorheb dat er iemand over me heen loopt. Het ligt in mijn aard, maar het is ook het gevolg van mijn opvoeding. Als mijn moeder kwaad was, zweeg ze mij eruit. Ze sprak gewoon urenlang niet met me en dat vond ik heel vervelend. Als ik zelf kwaad was, werd zij daar weer kwaad om en dan begon het hele verhaal weer opnieuw. Op een dag, ik zal een jaar of acht geweest zijn, nam ik een belangrijke beslissing. Ik dacht: als ik nou niets laat merken, wordt zij niet boos en zwijgt ze me niet meer dood. En het werkte. Ik zie nu wel in dat het ongezond is. Het is goed om je snuit te houden, maar je moet af en toe ook eens lekker kunnen schreeuwen.”

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Ik ben een keer, toen ik bij mijn neef in Israël op bezoek was, naar sjoel geweest. De vrouwen werden daar zo’n beetje het dak opgejaagd. Beneden zag het er prachtig uit, maar de vrouwen zaten tussen de rotzooi: een paar ouwe verfblikken en een vergeten trapleer. Toen mijn neef hoorde hoe verontwaardigd ik was, zei hij: ’En weet je dat een joodse man God iedere dag bedankt voor het feit dat Hij hem niet als vrouw geboren heeft laten worden?’ Nou, dat is een godsdienst waar ik dus helemaal niets mee te maken wil hebben!

Het grappige is dat ik mij wel van allerlei ’joodse eigenschappen’ bewust ben geworden. Zo heb ik een sterke drang om te leren. Ik vraag mij voortdurend af: weet ik nu wel genoeg? Van joden wordt gezegd dat ze druk zijn. Dat herken ik ook. Ik kan enorm kakelen. Er zijn ook lelijke eigenschappen -– dat is het ongemakkelijke van discriminerende, antisemitische stigmata: dat ze soms op een grond van waarheid berusten – zoals de gierigheid die joden wordt verweten. Ik ben een sober mens. Ik heb niet zo veel nodig en ik vind het al gauw meer dan goed genoeg, maar niet in mijn omgang met anderen. Ik geef rondjes en ik ben gul. Soberheid ligt op één lijn met zuinigheid en vervolgens heet het gierigheid. En ik ben als de dood dat ze mij die afschuwelijke eigenschap gaan toeschrijven.

Ik draag het jodendom absoluut niet uit en eerlijk gezegd vind ik de manier waarop sommige collega’s dat wél doen onplezierig en gênant. Ik ben heel volgzaam en absoluut geen individualist, maar ik ben met dat soort clubjes wel een beetje voorzichtig. Er hangen mij teveel dingen aan die ik slecht kan gebruiken. Ik ben joods van geschiedenis. Dat is alles. En dat is meer dan zat.”

Eer uw vader en uw moeder

„Mijn ouders hebben letterlijk onder de grond gezeten. Mijn vader probeerde mijn moeder Shakespeare te leren. En Russische woordjes. Toen de oorlog voorbij was en ze boven kwamen, waren het twee bange mensen die het gevoel hadden dat ze zo weer vervolgd konden worden. Mijn moeder was iedereen – familie, vrienden, echt: iedereen – kwijtgeraakt. Je begrijpt toch wel dat die twee niet de beste opvoeders waren die je kon bedenken?

Ik denk dat mijn vader uit angst afstand hield. Vier kinderen hebben en niet weten wat je ermee aan moet. Hij wilde ons niet opvoeden zoals zijn vader hem had opgevoed – een man voor wie hij heel bang was geweest – maar hoe dan wel? Misschien was ik nog het makkelijkst: ik deed hem gewoon in alles na. Tot het roken aan toe. Na zijn dood las ik in zijn oude dagboeken hoe graag hij schrijver wilde worden, hoe hij zich verbeeldde dat het zou zijn om dáár zijn brood mee te verdienen. Hij had het vast gekund, maar niet met een heel gezin als ballast. Ik denk dat ik probeer het goed te maken. Ik doe precies wat mijn vader heeft laten liggen.

Mijn moeder en ik verschilden in een heleboel opzichten. Ik vind niks leuker dan een lange tafel met veel mensen die allemaal lekker zitten te eten. Daar vond zij helemaal niks aan. Schoonmaken, dát vond ze leuk. Ik hou van lange wandelingen. Begreep ze niet. Zij deed gewoon boodschappen. Ik hou heel erg van de natuur, ik probeer de namen van de vogels, de vlinders, van de planten uit de hoofd te leren – met wisselend succes overigens – maar daar voelde zij helemaal niks voor. Als ik haar was geweest, had ik een ander dochtertje uitgezocht. Ik? Ja, ik had het met een andere moeder vast beter gedaan, maar ik heb er ook andere mensen bij gezocht. Ach, weet je, ze was gewoon niet zo’n moederlijk type. En ik vond het niet makkelijk om een kind te zijn. Ik werd gepest op school. Ik was bang voor andere kinderen. En ik moest ook zoveel. Je móet eten terwijl je geen honger heb, je móet een schortje voor terwijl je niet knoeit, je móet naar bed terwijl je niet moe bent, je móet het licht uitdoen terwijl je nog wil lezen* en dan de volgende dag weer naar school. Ik herinner me nog goed dat ik in de klas zat, uit het raam keek, zag hoe een vrouw op haar balkonnetje iets huishoudelijks stond te doen en dacht: dat wil ik ook! Gewoon, in je eigen huis aan het werk zijn en niet meer naar school hoeven. Ik betrap mezelf er nog wel eens op, dan zie ik kinderen naar school gaan en denk: ikke lekker niet. Nee, ik vond er niks aan: kind zijn. Het zou nog tot mijn dertigste duren voordat ik een beetje lol in het leven begon te krijgen.”

Gij zult niet doodslaan

„Een wilde muis heeft ooit mijn tamme muis bezwangerd en toen heb ik die muizenbaby’s – een kluitje, ze waren net geboren – opgepakt, in een bak lauw water gelegd en laten verdrinken. Verschrikkelijk. Doden is verschrikkelijk. Ik wou dat de natuur niet zo wreed was. Ik wou dat de leeuw rustig even zou wachten met eten tot de zebra echt helemaal dood is. Wreedheid hoort erbij, maar je moet je kunnen beheersen. Of in ieder geval je best doen je aandriften te beheersen – dan ben ik al tevreden. Ik ben eens mee geweest op een vissersboot. Op een gegeven ogenblik werd er een grote vis opgehaald en ik zie nog de vrouw die daar opgewonden bij stond te gillen; die zich er kennelijk in verlustigde dat dit dier ging sterven. Ik heb zelden iemand zo gehaat als toen.”

Gij zult niet echtbreken

„Iedereen doet zijn best om de liefde op de meest vreugdevolle en hoogstaande manier gestalte te geven, maar het wil nog wel eens een droeve teloorgang worden. Mensen maken fouten. Ze doen idiote dingen. Ze gaan vreemd, terwijl ze dat helemaal niet van plan waren. Ze maken zichzelf en elkaar doodongelukkig en dat is niet de bedoeling. Voor al die dingen weet ik wel zo’n beetje de oplossing – ik kan heel goed tegen het menselijk tekort en veroordeel niets. Ik heb geen praktijk meer, maar als je in moeilijkheden komt en ik vind je aardig, kom ik onmiddellijk met mijn emmertje en mijn dweiltje langs. Ik vind het leuk om te helpen. Ik probeer dat met mijn boeken ook te doen. Ik wil een oorspronkelijke kijk op alledaagse problematiek geven. Iedereen wordt verliefd, iedereen is teleurgesteld in de liefde, iedereen wordt verlaten, iedereen is bang dat hij het niet leuk genoeg heeft in bed - ik stel er een eer in om die zorgen op een nieuwe manier te benaderen; om de mensen er een beetje over aan het lachen te maken en ze tegelijkertijd mee te geven dat er ook je er ook anders naar kunt kijken. Zeker, het helpt mij ook. Als je gemoedstoestanden onder woorden brengt, lijken ze beheersbaar. Dat zijn ze natuurlijk niet, maar dat het zo lijkt is vaak al een hele troost.”

Gij zult niet stelen

„Ik ben bekend geworden met het boek ’Alles went behalve een vent’. Op de eerste pagina staat al dat ik die uitdrukking niet zelf heb verzonnen en tóch wordt hij nog altijd aan mij toegeschreven. Ik word er te pas en te onpas mee om mijn oren geslagen. Inmiddels gebruiken anderen de uitdrukking ook – ’zoals Yvonne Kroonenberg al zei*’ – terwijl ik zelf ook geen idee meer heb wie het heeft verzonnen. Van wie zijn die woorden? Ik ben niet meer dan een doorgeefluik. Ik besta niet in mijn eentje. Ik geloof niet dat mensen beginnen bij hun huid en ophouden aan de binnenkant. We maken deel uit van één geheel. Ik leen links en rechts, bedank mensen voor de anekdotes die ze mij vertellen. Het is wel zo dat die verhalen in mijn eigen woorden vertel – en dat ze daarmee van mij zijn – maar tegelijkertijd hecht ik ook weer niet erg aan dat ’bezit’. Er is een stichting, de Lira, die in de gaten houdt wie wat wanneer heeft gezegd, maar voor mij geldt toch ook een beetje: waar-ie valt daar legt-ie. Geen idee van wie die uitdrukking is trouwens.”

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Vroeger, toen ik angstiger was, loog ik veel meer. Als iemand mij vroeg of ik ergens was geweest, begon ik onmiddellijk te bedenken wat mijn reactie teweeg zou kunnen brengen: als ik dacht dat die ander misschien wel boos of teleurgesteld zou zijn als hij te horen kreeg dat ik er was geweest, ontkende ik het snel. Ik loog over van alles, ik loog o– hoe de omslag tot stand kwam? Psychiaters hè? Ja, ik heb allerlei soorten therapieën gehad, maar wat dit onderdeel betreft komt het er uiteindelijk op neer dat ik almaar dacht te weten wat de anderen dachten, terwijl dat vaak helemaal niet bleek te kloppen. Mooi voorbeeld: mijn laatste psychiater had van die kiezelsteentjes voor zijn huis liggen en als ik te vroeg was voor mijn afspraak sloop ik werkelijk over zijn erf. Ik vond het zo gênant! Ik dacht: o, nou hoort die andere patiënt mij aankomen en die denkt natuurlijk dat hij op moet schieten terwijl hij net iets belangrijks wilde vertellen, waardoor die psychiater ook – afijn, op die manier dus. Toen ik het de psychiater later vertelde, vroeg hij: ’Enig idee waarom mensen kiezeltjes om hun huis hebben liggen?’ ’Nee.’ ’Omdat ze dan kunnen horen dat er iemand aankomt.’ En hij ging verder: ’Wat denk je dan dat ik denk als ik jou hoor aankomen?’ ’Nou, ik denk dat je nijdig wordt omdat ik te vroeg ben, dat je je afvraagt of ik niet kan klok kijken ofzo*’ ’Nee,’ zei hij, ’ik hoor je en denk: leuk, Yvonne is er al.’ Ik vond het zo gewoon, zo authentiek klinken dat ik dacht: dit zou wel eens gewoon waar kunnen zijn. Ja, ik werd bijtijds wakker. Dat is mijn leven lang al zo: als iemand me duidelijk maakt dat het waanzin is – en ik zie het ook – dan houd ik er onmiddellijk mee op.”

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Ik heb een verzorgpaard waar ik, samen met nog een vrouw, op rijd. De eigenares van het paard neemt die ander steeds mee naar het bos en zegt dan tegen mij: ’Ja, wij gaan ook wel een keer, hoor!’ Maar ik weet dat het er nooit van zal komen omdat ik er gewoon niet zo goed in ben. Ze bedoelt me niet te kwetsen, maar ze maakt me heel verdrietig. Of ik dan meteen weer in die rotjeugd zit? Ja, natuurlijk! Ach, ach, ach* ik ben weer het meisje dat niet wordt gekozen tijdens de gymles, het lelijke meisje dat géén sjans had, het meisje met het rare loopje waar ze niets aan kon doen, het meisje dat van haar moeder niet moest denken dat ze iets voorstelde, waardeloos* tot ik denk: ’zeg, dit is wel erg oude koek, stomme kip!’ en weer overeind kom. Maar het gekke is: dit overkomt me altijd bij die stomme paarden. Paarden wekken primitieve emoties op. Van vertedering tot angst. Grootheidswaanzin ook. Sommige mensen voelen zich oppermachtig als ze op een paard zitten. Ik? Ontoereikend. Ik ben niet zo goed. Ik ben zo bang geweest. Ik heb zelfs pilletjes moeten slikken voor ik durfde op te stijgen. Het klinkt dom, maar het is niet anders. Ik geef niet op, ik kan het niet loslaten* Op andere terreinen is mijn zelfvertrouwen alleen maar toegenomen. Ik ben natuurlijk Flaubert niet, maar ik heb als schrijfster wel een mooi, rustig hoekje gevonden waar zich niet veel concurrentie ophoudt. Na mijn dertigste kwam ik sowieso in een betere categorie. Ik kreeg leuke vriendjes, een leuke baan, nou, een paar psychiaters erbij en je bent weer als nieuw! Er zijn nu veel meer dingen die ik wél kan. Ik heb geleerd dat mijn nietswaardigheid onbelangrijk is, maar ook dat mijn successen niet veel betekenen. Ik probeer ervoor te zorgen dat mijn leven plezierig en overzichtelijk blijft, temidden van de mensen. Dat is uiteindelijk het belangrijkst: dat je een plek vindt waar je tot je recht komt. Waar je thuis bent.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden