Yvonne Keuls schreef het verhaal voor de Nationale Voorleeslunch: ‘In dat hofje heb ik nog gewoond’

Beeld Kwennie Cheng

Twee mensen halen herinneringen op aan de straat waar ze vroeger woonden. Yvonne Keuls schreef dit verhaal voor de Nationale Voorleeslunch, die vandaag voor de zesde maal plaatsvindt.

Het is nog vroeg in de morgen. De wachtkamer in het ziekenhuis ziet er schoon uit, op de kleine tafels liggen stapeltjes tijdschriften. Bij het raam zit een vrouw naar buiten te kijken. Ze zal een jaar of tachtig zijn, ze ziet er goed verzorgd en kwiek uit. De man die binnenkomt wordt door zijn zoon stevig vastgehouden. Hij is wat ouder dan zij, brozer, of misschien lijkt dat alleen maar zo omdat hij onzeker loopt. Hij wijst naar de nog vrije stoel bij het raam.

‘Wil je daar zitten, Pa?’ vraagt de zoon en hij laat de man voorzichtig op de stoel zakken. De man en de vrouw knikken elkaar even toe. ‘Ik kom je straks ophalen. Niks eten, nuchter blijven’, zegt de zoon. Hij tikt bij wijze van groet tegen de wang van zijn vader en verdwijnt snel.

‘Goeie jongen’, zegt de man, ‘maar hij heeft het druk.’

‘Mijn dochter is ook een goeie meid’, zegt de vrouw. ‘Maar ze heeft het ook druk. Topbaan. En nog pubers thuis. Moest ook weg. Ík ging vroeger met mijn moeder mee naar het ziekenhuis.’

Na een poosje vraagt hij: ‘Moet u ook gedotterd?’

De vrouw knikt. ‘Etalagebenen.’

‘Ja, ik ook,’ zegt hij. Ze kijken allebei een poosje zwijgend naar buiten. Ineens zegt de man: ‘Mooi uitzicht… Elfde etage, kan van hieruit die nieuwe wijk zien… Daar waren vroeger allemaal hofjes en straatjes.’

‘Hebben ze afgebroken’, zegt ze.

‘Gesloopt’, zegt hij.

‘Daar achter die kerk heb ik gewoond’, zegt ze. ‘In een hofje.’

‘Ik in dat straatje daarachter…’ zegt hij verrast.

‘O, u bedoelt dat straatje met die grote bomen?’

‘Ja, dat straatje…’

Ze kijken beiden naar de plek die hij met een licht trillende vinger aanwijst. ‘Daar woonden we vlak na de oorlog’, zegt hij, ‘van m’n elfde tot m’n vijftiende jaar. Hoe oud was u?’

‘Ik ook… was zeven toen ik er kwam… totdat mijn vader overleed, toen gingen we weg. Ik was toen zestien. Ja, heel wat meegemaakt daar…’

Er komt een lachje op zijn gezicht. Hij maakt een slurpend geluid alsof hij herinneringen naar binnen zuigt. ‘Jáá…’ zegt hij, ‘u zat dus in dat hofje, wíj in dat straatje daarachter.’ Hij grinnikt. ‘Kleine voortuintjes met een paar stoelen erin. Kleine houten hekjes. En sommigen hadden dan van die vogelhuisjes op zo’n hoge poot en daar lag dan meestal de poes in te slapen.’

‘Ja’, zegt ze, ‘en het was altijd zomer, behalve als het winter was. Nou dan was het koud hoor, met altijd een dik pak sneeuw. En baantje glijden en met Kerstmis zingen met het hele hof onder de lantaarnpaal.’

‘En iedereen over elkaar kletsen en zich bemoeien met iedereen. Het was een straatje met allemaal tantes. Kreeg je een klap van je moeder, kreeg je die tantes ook over je heen. Net een olifantenfamilie’, zegt hij.

Ze kijkt hem verlangend aan en knikt dan heftig.

Groter aanmoediging kan hij niet krijgen en hij gaat enthousiast verder. ‘Middenin hadden we zo’n perkje met juttepeertjes. En met een paadje om dat perkje heen. Wij kinderen daar altijd op rennen, met zo’n bal achter elkaar aan en elkaar ermee af gooien… En wie af was gegooid werd jager en mocht zelf af gooien, en op het laatst was er maar één kind over en die werd dan bij het volgende spel de eerste jager… Jagerbal heette dat. Mooi was dat… En ’s avonds, met het eten, hoorde je buiten op zo’n deun roepen: “Wie doet er mee já-gér-bál…”

En dan wist je niet hoe gauw je je eten naar binnen moest proppen… Ja, mooi was dat, jagerbal… Nooit gespeeld, jagerbal?’ Hij kijkt haar onderzoekend aan.

‘Nee, dat niet’, zegt ze, ‘maar wat wíj weer hadden… Wij hadden op Koninginnedag een optocht ’s middags. Met Juliana was dat toen. En alle moeders naaiden kostuumpjes voor die optocht. We gingen verkleed als Popeye en Olijfje, en Shirley Temple en Bruintje Beer en Pietje Bel en Sneeuwwitje met de zeven dwergen en de heks, want dat waren toen onze helden. En ieder jaar gingen er een paar kinderen verkleed als dokter Haverman, met zo’n lange witte slagersschort aan. Dat was de dokter die altijd de amandelen van de kinderen knipte. We waren als de dood voor hem. En dan zongen we met elkaar: “En ik ben dokter Haverman. Met eelt op m’n handen van de amandeltang.” Nou, en dan heen en weer springen als een spook en gekke bekken trekken en met je hand knijpen alsof er een tang in zit... Ja, leuk was dat, dokter Haverman… Ja, en dan later op de dag waren er prijzen voor wie er het mooist uitzag, een step met luchtbanden en een knikkerzak met glazen stuiters en een meccanodoos. De koningin zelf zou die prijzen uitreiken, werd ons gezegd, maar dat was natuurlijk niet de echte koningin, maar de straatkoningin, en die was nep, net als Sinterklaas. Ieder jaar mocht er een andere moeder van ons hofje voor één dag haar schortjurk inruilen voor een koninginnejurk met franje en bloemetjesbombarie en dan kreeg ze een nepkroon op haar hoofd en dan was ze voor die dag koningin, ja, mooi was dat…’

Hij valt haar meteen enthousiast bij: ‘Ja, Koninginnedag…’ en hij maakt weer dat slurpende geluid. ‘Dan was het Koninginnedag… Onze straat was al weken bezig om slingers te knippen en plakken en daarmee versierden we dan onze tuinhekjes. Waren we uren mee bezig. Eerst werd er door onze vaders een boog aan zo’n hekje vastgemaakt en dan gingen we die boog versieren. En als dat klaar was, dan gingen we ernaast staan schreeuwen, zo met open hand voor je buik: ‘‘Cent voor m’n erepoort! Cent voor m’n erepoort!’’ En wie erlangs liep legde dan een cent in je hand. Ja, mooi was dat, die erepoorten… Hadden jullie dat niet, erepoorten?’

‘Nee’, zegt ze en ze blijft haar hoofd nadenkend schudden.

Kennelijk stimuleert hem dat om een voorstelling te geven. Hij houdt ineens zijn hand op en roept in de cadans van vroeger: ‘Cent voor m’n erepoort! Cent voor m’n erepoort!’

Ze beginnen allebei te lachen.

‘Ja, mooi was dat…’ zegt hij en zij beaamt: ‘Ja.. mooi is dat.. Nee, dat hadden wij niet. Ik herinner me nog wel een tante Janna, maar ik weet niet meer wat ze deed.’

‘Wij hadden ook een tante Janna’, zegt hij. ‘Tante Janna met een zonnebloem naast haar hekje. Die werd zo groot dat hij met bezemstelen overeind moest worden gehouden. En zij moest er dan naast gaan zitten om hem te beschermen. En ze zat altijd op iedereen te vitten: “Kan je niet uitkijken, beroerling, straks loop je m’n zonnebloem omver.” Nou, en ze had een moeder, die had nog bij de Scala gedanst, in de Revue met van die roze veren op haar kop en op haar achterwerk. Er hing een foto van die moeder met die veren boven het theekastje en die foto was vanachter genomen. En als je een boodschap voor Tante Janna deed, een halfje bruin halen bij de bakker op de hoek, dan mocht je die foto even zien. Dat vonden wij jongens hartstikke spannend, want die veren bedekten natuurlijk niet dat hele achterwerk…’

Hij slaat zich van plezier op zijn benen en zij gniffelt met hem mee. ‘Mooi is dat…’ zegt hij en zij herhaalt: ‘Ja, mooi is dat…’

‘Maar wij hadden ook Omes in het straatje...’ vertelt hij.

‘Ja, wij ook’, zegt ze, ‘we hadden Ome Piet, die had een pracht van een kromme rug, want die was kolenboer geweest en had z’n leven lang mudjes kolen naar vierhoog moeten sjouwen. En Ome Piet was maanziek, die kon met volle maan op een stoel zitten huilen. En iedereen zich ermee bemoeien natuurlijk. Wil je een kopje melk met honing, Ome Piet, of zal ik de maan voor je weghalen, maar nee, hij wou daar alleen maar zitten huilen.’

‘En Ome Manus’, zegt hij, ‘die hadden wij weer. Die zag eruit of hij onder een steen vandaan was gekropen, helemaal verfrummeld. Verhuizer in z’n goeie tijd, en hij kwam meteen blij aanhollen als er iets te versjouwen viel. Toen Tante Aal de kachel mocht hebben van Tante Bep, zo’n ouderwetse kolenkachel die zelfs nog brandde ook, toen zei hij: “Laat mij maar effe…” En toen hing hij er met zijn machtige lijf overheen en sjouwde hij hem brandend en wel van het ene naar het andere huisje.’

‘En dan hadden wij nog Ome Reus’, zegt ze, ‘dat was de schillenboer met z’n pony. Dat beest had altijd z’n snuit in een zak die om z’n nek hing. Alsmaar eten, en Ome Reus alsmaar langs de straten sjokken. En tegen de avond zette hij de pony in het weitje verderop en kwam hij met z’n kar en al die schillen in manden ons hofje in en dan ging hij sorteren. Wij hielpen allemaal, het brood hierin, beschimmelde stukjes afsnijden en weggooien, en de aardappelschillen daarin en het groenteafval apart, en er mocht geen plastic tussen zitten en geen kurken en blikjes, het was nog een heel precies werkje, moest je echt je hersens bij houden. En dan werd alles in jutezakken gestopt en die werden dan ’s avonds laat door een gemotoriseerd karretje opgehaald.’

‘Ja…’ zegt hij peinzend, ‘dat is nou ook allemaal voorbij. Schillenboer, voddenboer, eierboer, arebeie, orgelman en Joopkoopalles… Heb jij dat nog meegemaakt, de man met de Berliner bollen?’

De vrouw gaat rechtop zitten. ‘Ja!’ roept ze enthousiast. ‘Berliner bólle! Met een koksmuts op en een dienblad op z’n dikke buik en een beetje achterover lopend! En om de tien tellen riep hij: ‘‘Berliner bólle...!’’ Kwam die ook in jullie straatje?’

‘Ja,’ zegt hij, ‘en wij kinderen hosten dan achter hem aan en dan schreeuwden we allemaal: “Wat heb je in je broek?” en dan riep hij: “Berliner bólle….!” Hij stoorde zich nergens aan, liep gewoon zo achterover hellend het straatje door. En soms kwamen er moeders naar buiten en dan verkocht hij wat en dan liep hij weer door: “Berliner bólle..!”’

‘Ja!’ roept ze en ze veegt met haar mouw de tranen van haar gezicht. ‘O, o, o…’ Ze begint steeds harder te lachen. ‘Ik was het al vergeten, maar nou je het zegt.’

En hij, door haar aangespoord, gaat staan en doet de man na, achterover hellend, dienblad op z’n buik: ‘Berliner bólle…’ roept hij, en ze schateren het uit van plezier.

Maar dan gaat de deur open en hun plezier wordt op slag verstoord. Er staat een verpleegster die emotieloos naar hen kijkt.

Het tweetal lacht ongemakkelijk nog een beetje na, de man gaat zitten, de vrouw is in de weer met een zakdoek. En dan is het stil in de wachtkamer.

De verpleegster kucht. ‘Mevrouw Leeflang, gaat u met me mee?’

Mevrouw pakt alles bij elkaar, zegt nog een paar keer: ‘O, o, o...’ en loopt naar de deur. Daar draait ze zich om naar de man. ‘Dag meneer’, zegt ze, ‘het beste met u…’ Hij steekt z’n duim omhoog. ‘Dag mevrouw…. En la-je-nie-kisten!’

Beeld Leescoalitie

Schrijfwedstrijd

Voor het eerst was de voorleeslunch dit jaar gekoppeld aan een schrijfwedstrijd. Er waren ruim 200 inzendingen die werden beoordeeld door juryleden Yvonne Keuls, Özcan Akyol, Noraly Beyer, Willem Bisseling en Bart Chabot. Lees de drie beste verhalen in ons dossier.

Yvonne Keuls

Ter gelegenheid van de Nationale Voorleeslunch zullen bekende en onbekende Nederlanders vandaag dit verhaal voorlezen aan ouderen in zorginstellingen en bibliotheken door het hele land.

Initiatiefnemer is de Leescoalitie in samenwerking met schrijf- en lezersplatform Sweek. Zie voor meer informatie nationalevoorleeslunch.nl.

Yvonne Keuls (1931) is bekend van boeken als ‘Mevrouw mijn moeder’, ‘Meneer en mevrouw zijn gek’, ‘Het verrotte leven van Floortje Bloem’ en ‘De moeder van David S.’ In januari verscheen ‘Zoals ik jou ken, ken jij mij’, waarin ze schrijft over haar vriendschap met Hella Haasse.

Lees ook:

De andere verhalen voor de Nationale Voorleeslunch 2018

Pakketdienst, nummer 1 in de schrijfwedstrijd
Haar oude huis, nummer 2 in de schrijfwedstrijd
Om mij heen, nummer 3 in de schrijfwedstrijd

De man achter de streepjes, het verhaal van de Nationale Voorleeslunch 2017

Opeens maakt Nel Veerman praatjes met wildvreemden, dankzij de boekenkast beneden in de hal. Vonne van der Meer schreef dit verhaal voor de Nationale Voorleeslunch 2017.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden