Yvonne Keuls / Kijk me aan!

Yvonne Keuls (Batavia, 1931) is schrijfster. In 1938 kwam ze met haar familie naar Nederland. Ze brak in 1977 door met ’Jan Rap en zijn maat’.

Andere ’sociale romans’ zijn ’De moeder van David S.’en ’Het verrotte leven van Floortje Bloem’. Voor ’Mevrouw mijn moeder’ ontving ze 1999 de Trouw Publieksprijs. Op 17 december, de 75ste verjaardag van Yvonne Keuls, gaat een nieuwe toneelbewerking van ’Jan Rap en zijn maat’ in première.

I

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

„Natúúrlijk ben ik een religieus mens, maar ik ben niet iemand die zich aan een of ander Godsbeeld ophangt, of iemand die bij een bepaald kerkgenootschap wil horen. Er moet een grote Bedenker zijn - zo ver wil ik nog wel gaan. Dat vind ik ook een prettig gevoel: als ik mezelf niet heb bedacht, móet een ander dat gedaan hebben.”

II

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Kijk, daar achter de lamp hangt een houten bordje van mijn moeder. Kun je ’t lezen? ’Vrees niet, geloof alleenlijk, Marcus 5 vers 26’. Ze heeft dat overal mee naartoe gesjouwd. Nu heb ik het. En dat zakje zand heb ik ook van haar gekregen. Het is mijn geboortegrond. Dat moeten mijn kinderen straks over mijn kist uitstrooien. Die twee dingen heb ik van haar geërfd: een groot vertrouwen – niet bang zijn - én een grote verbinding met de aarde. Zeker, ze geloofde ook in bovennatuurlijke zaken; hoe kan dat anders als je in Indië bent geboren? Toen ik door een haarziekte allerlei kale plekken kreeg, stond ze erop dat ik een doekoen zou bezoeken. Ik stond er sceptisch tegenover – later, tijdens de bezweringen van die medicijnvrouw, bleef ik maar denken: ’ik zit hier voor mijn moeder, ik zit hier voor mijn moeder!’ – maar ik kreeg mijn haar wel terug. Met krullen en al.

Alles kan. Je moet niets uitsluiten. Het zal vast mogelijk zijn geesten op te roepen, maar niet door mij. Ik zal ook niet snel naar een gebedsgenezer gaan. Ik ben ooit eens met Wieteke (Van Dort, AV) meegegaan naar Jomanda. Een heel aardig mens, maar van die toestanden in de zaal werd ik, eerlijk gezegd, een beetje lacherig. Mensen die zich er gelukkiger door voelen, moeten zeker gaan, maar op mij heeft het geen enkele uitwerking. Ik ben ooit eens, samen met een paar andere mensen, voor een hypnose op het toneel geroepen. Ik zag de een na de ander vertrekken, maar wat de hypnotiseur bij mij ook uitprobeerde: ik ging niet onder zeil.”

III

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Ik heb het de Bond tegen het Vloeken al eens uitgelegd: ik vloek helemaal niet, je hoeft bij míj niet aan te komen. Het zijn de karakters uit mijn boeken die vloeken. Dat keur ik niet goed, maar ik keur het ook niet af; het hoort bij die personages. Wil je hun gedrag veranderen, dan zou je ook de omstandigheden moeten veranderen. Als ik zelf uit de bocht vlieg, heb ik die woorden niet nodig. Welke dan wel? Dat weet ik eigenlijk niet‿ een hele reutemeteut: ’wat ik nou toch meemaak! Dat is toch niet te geloven! Hoe durven ze?’ Als er iemand bij is, zal ik mijn toehoorder dwingen te gaan zitten: ’Ga zitten! Kijk me aan! Wat er nu weer is gebeurd! Moet je eens luisteren, het is werkelijk niet te-’en tijdens het vertellen, begin ik al een patroon van het verhaal te zien: zo moet ik het straks opschrijven. Pas als ik het heb opgeschreven ben ik het kwijt.

Ik vind dat je, tot zekere hoogte, mag zeggen wat je wil. Je mag in ieder geval alles denken. Je mag ook voelen wat je wil, zo lang je jouw gevoel maar niet aan mij wilt opdringen. Daarom heb ik ook zo’n moeite met die ChristenUnie. Als ze roepen dat ze tegen het homohuwelijk, tegen abortus en tegen euthanasie zijn, denk ik: prima, maar hou het lekker voor je. Regel het voor je eigen clubje, maar ga niet in de regering zitten. Voor zulke ’principes’ bestaat namelijk geen compromis. En hoe kun je nou regeren als je niet openstaat voor de opvattingen van een ander? Ja, als je me kwaad wil hebben, moet je hier een tijdje over doorgaan! Als een meisje van twaalf – nee, luister! – als een meisje van twaalf wordt verkracht, mag ze van de ChristenUnie geen abortus plegen. Haar ouders willen het, ze wil het zelf ook, maar nee, van God mag het niet. Zegt de ChristenUnie. Het is de wil van God dat dit meisje zwanger wordt. Goed. En die verkrachter? Krijgt die dan een bosje bloemen van de ChristenUnie? Hij heeft toch de wil van God uitgevoerd? Nee, zeggen ze dan, die geven we tbs! Straf! Waarom? Dat is toch inconsequent? Als je dan zonodig principes wil, voer ze dan ook door. Zeg dan: het is Gods bedoeling dat dit meisje van twaalf zwanger werd, misschien wordt uit dit kind de Heiland geboren, laten we de verkrachter dankbaar zijn. Of dat homohuwelijk! Ook zoiets. Mag niet. Man en vrouw zijn namelijk voor elkaar geschapen en het huwelijk is er om kinderen voort te brengen. En hoe zit het dan met een kinderloos huwelijk? Moet dat ook verboden worden? Een vrouw die geen kinderen kan krijgen, moet die soms gaan scheiden? O nee, scheiden mag ook niet‿

Ik begrijp het niet. God is toch liefde? Je mag van mij best denken: waarom moeten die twee flikkers trouwen? Maar verbieden mag je het niet. In onze grondwet staat dat alle mensen gelijk zijn en gelijk behandeld moeten worden. ’t Is misschien lastig voor de ChristenUnie, maar het is niet anders: homo’s zijn ook mensen.”

IV

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Voor mijn moeder was het iedere dag sabbat. Geen stress. Ze had voor alles uren de tijd. Ga zo’n vrouw maar eens verzorgen; je leert het vanzelf af ongeduldig te zijn. Ze heeft mij het geschenk van de Oosterse tijdloosheid teruggegeven. Dat is niet: de boel op z’n beloop laten gaan. Je moet op alles wat je tegenkomt een antwoord geven, maar sommige dingen kun je gewoon voorbij laten gaan. Laat maar gaan. Als ik in een file sta en dreig te laat te komen, denk ik: dat lost zichzelf vanzelf wel op. Het komt wel goed. Het komt altijd goed.”

V

Eer uw vader en uw moeder

„Mijn moeder is 96 geworden. Bij haar heb ik de kans gekregen een volwaardige verhouding – mét ergernissen en teleurstellingen - op te bouwen. Mijn vader stierf toen ik twaalf was. Mijn beeld van hem is bevroren‿ wacht, ik zal je een foto laten zien, dan begrijp je misschien wat ik bedoel. Kijk, dit is ’m: een mathematicus, een wiskundeleraar. Als ik naar deze foto kijk, zie ik een onkreukbaar mens. Ik weet dat hij ook lastige eigenschappen had – hij luisterde wel, maar gaf bijna nooit antwoord – maar ik ben toch in de bewondering blijven steken. Als hij iets zei, deed het er ook werkelijk toe. Korte zinnetjes. Deze schiet me nu te binnen: ’Wees aimabel’. Dat is een leidraad in mijn leven geworden. Sommige mensen kletsen een leven lang tegen je en daar blijft geen woord van hangen, maar mijn vader‿ ach, weet je, als hij net zo oud als mijn moeder was geworden, had ik met hem waarschijnlijk ook de nodige problemen gekregen.

Gemis? Nee, helemaal niet. Geen verdriet, geen gemis. Ik heb na zijn dood zo’n rijk, zo’n vol leven gekregen. Bovendien kon mijn moeder, een vrouw met vele tekortkomingen, één ding ongelooflijk goed: liefde geven. Zij sloot zich om mij heen. Ik werd gekoesterd. Ook door mijn oudere broer en zus. Het klinkt misschien een beetje gek maar ik had veel kwaliteiten, ik was erg ambitieus. Wat ik had, wilde ik ontwikkelen. Ik had de hongerwinter overleefd. Ik was een van de kinderen die je nog wel eens op plaatjes tegenkomt: een scharminkel dat de gamellen leeg schraapt. Ik was ernstig ziek, had een soort hongeroedeem en toch herinner ik mij de bevrijding nog als de dag van gisteren. Hoe ik, duizelig, bang er vanaf te vallen, op een tank meereed. Hoe mooi het weer was. Het was echt schitterend weer! Alsof het speciaal voor de overwinning was uitgezocht. Ja, misschien heb ik die dag wel besloten alle ellende achter me te laten. Ik ging naar het ziekenhuis waar ik opnieuw heb leren eten, ik ging weer terug naar school: mijn leven kon beginnen.

Het zou dertig jaar duren voordat ik de rust kreeg om eens terug te kijken. Ik wilde zoveel, ik had zoveel te doen. Ik werd een westerse vrouw, raakte steeds verder van mijn moeder verwijderd. Het wonderlijke is dat het verschil in cultuur ons uiteindelijk ook weer bij elkaar heeft gebracht. Ik wilde weten waar ik vandaan kwam, ik kreeg een enorm verlangen háár verhalen uit de hongerwinter weer te horen. Ik zag voor me hoe we in de kou, in het donker zaten. Zo koud, zo kóud. En ik hoorde mijn moeder vertellen, over haar jeugd, over Indië. Ze kletste ons de oorlog door. Zodra het donker werd, begon mijn moeder te vertellen. Ik heb geluisterd tot ik verzadigd was. Lange tijd heb ik niet meer aan haar verhalen gedacht. Maar ze waren er wel, diep van binnen. Tegen de tijd dat ik op zoek ging naar mijn roots, waren de ergernissen tussen mijn moeder en mij over hun hoogtepunt heen. Ik was gegroeid en zij was milder geworden. Ik denk wel eens dat ze net zo lang is blijven leven tot de nauwe band van vroeger was hersteld.”

VI

Gij zult niet doodslaan

„Mijn vader had tbc. We zagen hem voor onze ogen afsterven, we konden niets voor hem doen. Hij was jood, hij kon zich nergens laten behandelen. Bovendien was er geen eten. Het weinige dat we hadden, spaarde mijn moeder voor hem op. Om aan te sterken. Want dat was de remedie: vetmesten. Terwijl het hongerwinter was‿ Mijn vader bleef een mathematisch denkend mens; hij bedacht dat hij de winter toch niet door zou komen en dat het dus geen zin had langer te blijven leven. De anderen konden die ene boterham veel beter gebruiken. Bovendien had ik, de jongste van het stel, ook al tbc en was hij bang dat hij de rest van het gezin ook zou aansteken. Op een dag heeft hij een overdosis slaappillen genomen. Nee, niemand wist ervan en niemand was erbij. Hij wilde ons niet met zijn beslissing belasten. In een korte, heldere brief aan mijn moeder en mijn broer heeft hij afscheid genomen en alles uitgelegd. Ik heb die brief nooit gelezen. Ik begreep het wel. Ja, echt, ik begreep het. Ik zal niet beweren dat ik door de dood van mijn vader ook een voorvechter van euthanasie ben geworden, maar het heeft er wel iets mee te maken. Dit is toch het verhaal van de vrije wil. Als je weet dat het geen zin heeft om nog langer in leven gehouden te worden – want dát is euthanasie – dan moet zo’n beslissing gerespecteerd worden. Ik heb geen officiële verklaring, maar ik heb wel een brief waar alles in staat. Dat telt toch ook? Als mijn tijd daar is, moet je me durven laten gaan.”

VII

Gij zult niet echtbreken

„O nee, mijn ouders zijn hierin beslist niet voorbeeldig geweest. Ik heb van kinds af aan begrepen dat ze absoluut niet bij elkaar pasten. Mijn vader had totaal geen grip op mijn moeder. Zij deed maar wat en luisterde nooit. Hij kreeg, tot zijn grote verdriet en ergernis, zelden iets van haar gedaan. Het gevolg was dat hij zich ging terugtrekken en dat ze ieder een eigen leven gingen leiden. Wat dat betreft heb ik het beter getroffen: wij kwamen elkaar tegen, vonden elkaar leuk en het was meteen oké. We passen gewoon goed bij elkaar. Natuurlijk, we hebben soms behoorlijk moeten knokken, maar we hebben overal het goede in gevonden en zijn weer verder gegaan. Ik ben een ja-zegger, mijn man is een nee-zegger. Ik roep meteen: ’Doen we, leuk!’ terwijl hij zich afvraagt of dat nou wel zo verstandig is. Die eigenschappen hebben we van elkaar moeten leren waarderen. We hebben elkaar de kans gegeven.”

VIII

.Gij zult niet stelen

„Ik heb alles gekregen wat ik hebben wou. En als ik nog iets nodig heb, kan ik het zo kopen. Maar ik wil niks. Ik hoef niks. Of ik solidair ben met de minderbedeelden? Nou, laat ik het zo zeggen: ik zamel nog altijd geld in voor allerlei projecten. Als ik een lezing hou, zeg ik: ’Dit is het gironummer, stort het geld daar maar op’. En ik kies natuurlijk wel voor de clubs waar de meeste centen zitten. Ik weet niet of je me dan meteen een ’goed mens’ kunt noemen. Ik beantwoord aan mijn natuur. Ik zou ziek worden als ik de hele dag op mijn stoel zou blijven zitten.”

IX

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ik probeer altijd de waarheid te spreken. Soms heeft dat kritiek tot gevolg. Toen ik in 1985 een boek schreef over een kinderrechter die pedofiele contacten met jeugdige delinquenten onderhield (‘Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel’, AV) kreeg ik iedereen over mij heen. Een kinderrechter aanklagen, dat mocht niet in Nederland. Althans: toen niet. Mijn betrokkenheid was, tot dat moment, nog nooit door iemand in twijfel getrokken en nu moest ik ineens in de NRC lezen dat ik mijn boek, volgens de toenmalige procureur generaal van de Hoge Raad, meester Berger, ’voor het gewin’ zou hebben geschreven. Drie, vier jaar lang was ik bezig geweest de onderste steen boven te halen, ik heb mijn hele leven op de schop gegooid, me kwetsbaar opgesteld, het lef gehad om een kinderrechter aan te klagen: deze man heeft negen pupillen gepakt en nu pakken we hem! En dat zou ik allemaal hebben gedaan om mijn eigen kas te spekken? Het meest tragische was natuurlijk dat mijn zaak werd geseponeerd. Ik had de rechter, samen met één van mijn pupillen, aangeklaagd, maar ze hadden het allemaal zélf moeten doen. Daarna heb ik ’Annie Berber’ pas geschreven.

Ik heb mij die kritiek heel erg aangetrokken. Ineens kleefde er ’een zaak’ aan mijn naam. Ik heb geprobeerd collega-schrijvers zo ver te krijgen dat ze mij openlijk zouden steunen; dat zij zich óók over dit maatschappelijk disfunctioneren zouden uitspreken, maar niemand gaf thuis. Ik zal geen namen noemen, maar je kunt van mij aannemen dat het grote namen waren in de Nederlandse literatuur. Mensen die ik tot mijn vrienden rekende. Goed, dat waren ze dus niet.

Die kinderrechter moest uiteindelijk wel vertrekken, maar zonder verdere consequenties. Toen er twee jaar later weer een rechter in opspraak was - meneer Van der Ven uit Nijmegen - hebben alle jongens, elf in totaal, een aanklacht ingediend. Dit keer konden ze er niet onderuit. Van der Ven werd berecht, maar hij heeft zijn straf nooit uitgezeten. Hij is naar Portugal gevlucht en ze hebben hem zomaar laten gaan. Voor de jongens betekende die veroordeling echter een keerpunt in hun leven: ze werden eindelijk serieus genomen. Ze zijn gehoord. Daar is het mij altijd om te doen geweest.”

X

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Ik heb veel kwalijke eigenschappen, dat weet ik zelf ook, maar op één ding ben ik wel een beetje trots en dat is dat ik altijd blij ben als het met een ander goed gaat... ik bedenk mij nu ineens dat dit misschien ook een vorm van egoïsme is: zo lang die ander geen problemen heeft, hoef ik tenminste niet voor hem te zorgen! Wat mijn kwalijke eigenschappen zijn? Kijk, alle goede eigenschappen hebben slechte kantjes. Mijn gezonde enthousiasme wil wel eens uit de bocht vliegen waardoor het een welhaast adhd- achtig karakter krijgt. Ja, willen winnen, daar heeft het misschien ook wel mee te maken. Ik neem geen genoegen met halfbakken dingen. Hoge cijfers, grote am bities. Altijd de beste willen zijn. Wat dat betreft breken er voor mij lastige tijden aan. Ik moet gaan leren verliezen. Gelukkig gaat alles geleidelijk - ik ben er ook niet bang voor. Ik heb mij tot nu toe in iedere nieuwe situatie kunnen handhaven. Wat er ook gebeurt: ik zal mijn draai wel vinden.”

www.trouw.nl/tiengeboden

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden