Yves-Marie Congar

Een halfjaar voor zijn dood op 21 juni 1995 werd de Franse theoloog Yves-Marie Congar door paus Johannes Paulus II onverwachts tot kardinaal benoemd. Cynici wezen erop dat de kritische dominicaan pas tot deze hoge waardigheid werd geroepen toen hij geen kwaad meer kon. Congar was immers ruim negentig, zwaarinvalide en toen al ernstig ziek.

Met Hans Urs von Balthasar, Marie-Dominique Chénu, Jean Daniélou, Karl Rahner en Edward Schillebeeckx behoorde Congar tot de grote theologen van het tweede Vaticaans concilie (1962-'65). Daarnaast was hij een van de grootste oecumenische denkers binnen de katholieke kerk.

Congar, in 1904 geboren, raakte als theologiestudent geboeid door de oecumene en de theologische positie van de rk kerk daarin. Met deze oprechte belangstelling voor het gedachtegoed van andere christelijke kerken bleek de Fransman binnen eigen kring z'n tijd even ver vooruit als met zijn kritiek op de eigen katholieke geloofsvisie.

Zo liet hij al voor de oorlog weten dat de titel die de pausen zich sinds eeuwen toe-eigenden - 'hoofd van het christendom' - ,,onbijbels en bijna blasfemisch'' was.

Grote faam verwierf Congar zich met de studie 'Chrétiens désunis. Principes d'un oecuménisme catholique' (1937) waarin hij een bijbels gefundeerd oecumenisme vertolkte.

Vanaf 1931 doceerde hij als hoogleraar theologie aan Le Saulchoir, het beroemde studiehuis van zijn orde bij Parijs. In die tijd ontwikkelde hij zich tot een van de belangrijkste theologische denkers binnen de Franse rk kerk.

Zijn enorme belezenheid op bijbels, patristisch, kerkhistorisch en oecumenisch gebied klinkt door in de 'kronieken' die Congar in die jaren verzorgde voor de 'Revue des sciences philosophiques et théologiques'.

Direct na de oorlog werd hij de prominentste vertolker van de Nouvelle théologie. Deze stelde dat de kerkelijke openbaringsleer en dogmatiek tijdgebonden zijn.

Om het in de woorden van Congar te zeggen: ,,Katholiciteit is bij uitstek een zaak van geduld, van vertrouwen in God en in de menselijke geschiedenis. Met alle vrijheid en veelheid die daaraan eigen zijn.'' En dat in een tijd waarin men in het Vaticaan, nog meer dan nu, geloofde in de eeuwigheidswaarde van de kerkelijke dogma's.

Het was een periode van groot intellectueel elan binnen de rooms-katholieke kerk van Frankrijk. De dominicanen van Le Saulchoir en jezuïeten van de theologische faculteit in Lyon-Fourvière gaven de richting aan. Befaamde theologen als Bouillard, Lubac, Rondet en de eerdergenoemde Chénu en Daniélou speelden een hoofdrol.

Maar Yves Congar was de onbetwiste primus inter pares. Hij pleitte er toen al voor 'gehuwde mannen van goede zeden' tot het priesterschap toe te laten.

In 'Vraie et fausse Réforme dans l'église' (1950) legde Congar openhartig de zwakke kanten in de evangelie-beleving van zijn eigen kerk bloot en drong hij er bij Rome op aan het hiërarchisch gezagsmodel overboord te zetten. In een ander werk, 'Jalons pour une théologie du laicat', (1953) verdedigde hij het 'priesterschap van álle gelovigen'.

Het zat Rome niet lekker. Reeds in 1946 waarschuwde paus Pius XII tijdens een toespraak voor het generaal kapittel van de jezuïeten tegen tendensen die de onveranderlijkheid van de kerkelijke dogma's tekortdeden. En in 1948 kreeg Congar van het Vaticaan geen toestemming als waarnemer de openingszitting van de Wereldraad van kerken in Amsterdam toe te spreken.

De piëtistische paus, meer diplomaat dan theoloog, legde zijn oor gretig te luisteren bij Franse conservatieven als M. Garrigou-Lagrange, hoogleraar aan het Collegium Angelicum in Rome. Het was voldoende dat deze neo-thomist Pius verzekerde dat het katholieke geloofsgoed bij de 'modernistische' theologen van Parijs en Lyon niet in vertrouwde handen was, om de paus te laten ingrijpen.

Augustus 1950 viel de bijl. Nadat Pius XII per encycliek (Humani generis) de nouvelle théologie de wacht had aangezegd, volgde in de jaren daarop onder Franse theologen een golf van zuiveringen die stalinistische trekken had.

Congar werd in 1954 van zijn leerstoel in Le Saulchoir ontheven en met 'vakantie' gestuurd. Eerst naar Cambridge, later naar Jeruzalem. Het was hem nadrukkelijk verboden contacten met niet-katholieken te onderhouden. Uiteindelijk belandde de in ongenade gevallen theoloog in Straatsburg. In tegenstelling tot latere collega's als Hans Küng boog hij het hoofd, zich schikkend naar de oekaze uit Rome.

Tien jaar lang was Congar voor Rome persona non grata. Hij werd bij aanvang van het concilie (11 oktober 1962) niet uitgenodigd om als peritus, theologisch adviseur, naar Rome te komen. Dit ondanks het feit dat de denkbeelden van 'zijn' nouvelle theólogie - met name het idee dat de kerk de dialoog met de wereld moest aangaan - grote invloed uitoefenden op de denkbeelden van de concilievaders.

Congar werd pas 'peritus' toen de Belgische bisschoppen hem in november 1963 daarvoor nadrukkelijke uitnodigden.

De veranderde sfeer had in hoge mate te maken met het feit dat Paulus VI vier maanden eerder Johannes XXIII als paus was opgevolgd. In tegenstelling tot 'papa Roncalli' was Montini steeds een bewonderaar van de nieuwe theologie geweest. Eenmaal paus nam hij de rehabillitatie van de Franse theologen krachtig ter hand. Voor Congar leidde dit tot zijn terugkeer naar Le Saulchoir. In datzelfde jaar (1968) was hij een van de ondertekenaars van een petitie waarin er bij Paulus op werd aangedrongen theologen meer speelruimte te geven en het curieapparaat te hervormen.

De paus betrok hem nauw bij de latere zittingen van het concilie. Hij speelde een belangrijke rol in de commissies voor de oecumene, de missie en het priesterschap. In 1969 werd Congar zelfs lid van de pauselijke theologencommissie.

Tot ver in de jaren tachtig was de Fransman, die het internationale progressieve theologenblad Concilium hielp oprichten, theologisch actief. Met boeken als 'l'Eglise de Saint Augustin à lépoque moderne' (1970) en 'Entretiens d'automme' (1987). Daarin liet hij onder meer weten dat het idee van de vrouw-in-het-ambt niet, zoals tegenstanders binnen en buiten de rk kerk beweerden, onbijbels is.

In 1984 zei Congar desgevraagd: ,,Ik heb niet het gevoel dat ik de kerk heb veranderd, en toch is alles anders.'' Hij besefte toen nog niet dat er een nieuwe paus was aangetreden die dat bepaald geen voordeel vond.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden